Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:4373

Navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 en 2018, aanslag IB/PVV 2019. Beroepen gegrond. Vaste inrichting, in aanmerkingen te nemen kosten, ISV.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:4373
text/xml
public
2026-05-28T09:00:35
2026-05-20
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-20
BRE 24/4311, BRE 24/4312, BRE 24/4313
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Breda
Bestuursrecht; Belastingrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4373
text/html
public
2026-05-27T14:59:41
2026-05-28
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:4373 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 20-05-2026 / BRE 24/4311, BRE 24/4312, BRE 24/4313

Navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 en 2018, aanslag IB/PVV 2019. Beroepen gegrond. Vaste inrichting, in aanmerkingen te nemen kosten, ISV.


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht

zaaknummers: BRE 24/4311, 24/4312 en 24/4313

<br /> uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 mei 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende]
, uit [woonplaats] (Polen), belanghebbende

(gemachtigde: mr. J.J. Bruinsma RB),

en

en

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 13 maart 2024.

1.1.

De inspecteur heeft voor het jaar 2017 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.865. Hierbij heeft de inspecteur tevens een vergrijpboete opgelegd van € 2.757 en € 4.941 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De inspecteur heeft voor het jaar 2018 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 104.028. Hierbij heeft de inspecteur tevens een vergrijpboete opgelegd van € 2.757 en € 5.904 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.3.

Voor het jaar 2019 heeft de inspecteur een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.860. Hierbij heeft de inspecteur tevens een verzuimboete opgelegd van € 385 en € 1.317 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.4.

De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij het premiedeel van de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 en 2018 en van de aanslag IB/PVV 2019 laten vervallen. In verband hiermee heeft de inspecteur voor 2017, 2018 en 2019 de in rekenging gebrachte belastingrente verminderd. Tot slot heeft de inspecteur de vergrijpboeten over 2017 en 2018 vernietigd.

1.5.

De rechtbank heeft de beroepen op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

1.6.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat de zaken worden aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen om met elkaar in overleg te gaan teneinde een compromis te bereiken.

1.7.

De inspecteur heeft de rechtbank per brief van 3 april 2026 laten weten dat partijen geen compromis hebben bereikt.

1.8.

De rechtbank heeft met toestemming van partijen een nadere zitting achterwege gelaten. De rechtbank heeft bij brief met dagtekening 10 april 2026 het onderzoek gesloten.

2. De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 en 2018 en de aanslag IB/PVV 2019 tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

2.1.

De rechtbank is van oordeel dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017 en 2018 en de aanslag IB/PVV 2019 tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

3. Belanghebbende woont in Polen.

3.1.

Belanghebbende heeft in de perioden van 28 april 2006 tot en met 20 februari 2008 en van 25 november 2013 tot en met 11 december 2023 in Nederland ingeschreven gestaan op verschillende adressen.

3.2.

In de jaren 2017, 2018 en 2019 exploiteerde belanghebbende een klusbedrijf, waarbij allerlei werkzaamheden in Nederland werden verricht zoals renovatie, stukadoren en verven. In Polen heeft belanghebbende vergelijkbare werkzaamheden uitgevoerd.

3.3.

Voor de jaren 2017 en 2018 heeft de inspecteur geen uitnodigingen verstuurd voor het doen van aangifte IB/PVV. Voor beide jaren heeft belanghebbende niet verzocht om het uitreiken van een aangiftebiljet en heeft belanghebbende ook geen aangiften IB/PVV ingediend.

3.4.

De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte IB/PVV 2019. Belanghebbende heeft geen aangifte IB/PVV 2019 ingediend.

3.5.

De inspecteur heeft een boekenonderzoek uitgevoerd. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd over 2017 en 2018 en een aanslag IB/PVV opgelegd over 2019.

3.6.

In de bezwaarfase heeft belanghebbende gesteld dat bij het vaststellen van de (navorderings)aanslagen nog rekening dient te worden gehouden met de (contante) betalingen die hij aan medewerklieden heeft voldaan. Daartoe heeft belanghebbende Poolse facturen overgelegd.

3.7.

Belanghebbende heeft verder samenvattingen van de Poolse boekhouder overgelegd, waarin staat dat de inkomsten uit verrichte werkzaamheden in Nederland in Polen zijn belast, omdat zij geen informatie hebben ontvangen dat het inkomen in Nederland belastbaar is. Verder heeft de boekhouder de inkomsten en kosten van de onderneming als volgt gespecificeerd:

2017

2018

2019

Pools inkomen

PLN 280.388,89

PLN 284.675,47

PLN 160.452,97

Nederlands inkomen

PLN 828.342,25

PLN 1.145.129,50

PLN 544.782,97

Kosten in Polen

PLN 116.468,22

PLN 215.824,79

PLN 117.271,80

Kosten in Nederland

PLN 392.400,12

PLN 608.192,96

PLN 307.280,24

Voordelen werknemers in Polen

PLN 3.758,00

Onderaannemers in Polen

PLN 13.011,00

Onderaannemers in Nederland

PLN 314.300,00

PLN 338.000,00

PLN 152.500,00

Totale inkomen

PLN 281.804,80

PLN 267.786,97

PLN 115.172,22

3.8.

De gemachtigde heeft Nederlandse (concept)aangiften IB 2017, 2018 en 2019 opgesteld. Daarin zijn, in de aangepaste versies, de volgende inkomsten en kosten van de in Nederland verrichte werkzaamheden vermeld:

2017

2018

2019

Opbrengsten

€ 163.139

€ 233.923

€ 107.552

Kosten

€ 147.778

€ 194.381

€ 99.554

– waarvan uitbesteed werk

€ 70.694

€ 78.788

€ 35.838

Correcties voor fiscale winstberekening

€ 7.114

€ 9.913

€ 9.747

Fiscale winst

€ 22.475

€ 49.455

€ 17.745

Belastbare winst

€ 13.067

€ 36.270

€ 8.999

3.9.

Bij het beroepschrift heeft belanghebbende verklaringen van de medewerklieden overgelegd met betrekking tot de door hen van belanghebbende ontvangen contante betalingen, alsmede een kopie van het voorblad van hun Poolse aangifte inkomstenbelasting 2018 en/of 2019. De Nederlandse vertaling van de hiervoor genoemde verklaringen van de medewerklieden is telkens als volgt:

“Ik verklaar dat voor alle verkoopfacturen voor bouwdiensten geleverd in 2017, 2018 en 2019 aan het bedrijf [bedrijf] , [adres] , NIP [nummer] met de betaalmethode: contant, ik heb het geld in eigen handen ontvangen.”

Vooraf

4. Partijen zijn het erover eens dat belanghebbende op basis van de nationale wet als inwoner van Nederland kan worden aangemerkt, maar dat hij het middelpunt van zijn levensbelangen in Polen heeft, zodat Polen op basis van het belastingverdrag tussen Nederland en Polen (het Verdrag) heeft te gelden als woonland. Partijen zijn het er ook over eens dat belanghebbende met betrekking tot de jaren 2017 en 2018 niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte, zodat voor deze jaren geen sprake kan zijn van omkering en verzwaring van de bewijslast maar de normale bewijslastverdeling geldt. Tussen partijen is verder niet in geschil dat met betrekking tot het jaar 2019 de vereiste aangifte niet is gedaan en de bewijslast als gevolg hiervan wordt omgekeerd en verzwaard. Tot slot zijn partijen het erover eens dat over 2019 als gevolg van een dubbele factuur de omzet met € 7.024 moet worden verminderd. De rechtbank acht dat juist en zal partijen in deze standpunten volgen.

4.1.

Verder heeft belanghebbende op de zitting verklaard dat de verzuimboete opgelegd bij de aanslag IB/PVV 2019 niet in geschil is.

Vaste inrichting

4.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inkomsten niet in Nederland belastbaar zijn. Er is geen sprake van een vaste inrichting in Nederland, maar er is uitsluitend een tijdelijke verblijfplaats waar belanghebbende verblijft wanneer hij in Nederland is. Verder voert belanghebbende aan dat hij niet op grond van het vijfde lid van artikel 5 van het Verdrag kan worden aangemerkt als een vertegenwoordiger van de onderneming, omdat het gaat om een eenmanszaak en dan geen sprake kan zijn van een machtiging aan zichzelf om namens de onderneming overeenkomsten te sluiten.

4.3.

De inspecteur betoogt primair dat belanghebbende dit standpunt niet meer mag innemen, omdat hij dit in de bezwaarfase heeft prijsgegeven. Belanghebbende heeft toen gezegd dat de werkzaamheden in Nederland hebben plaatsgevonden. Subsidiair is de inspecteur van mening dat het klusbedrijf middels een vaste inrichting in Nederland wordt gedreven vanuit de vaste woonruimte in Nederland, dan wel dat hij op grond van het vijfde lid van het Verdrag wordt aangemerkt als vertegenwoordiger van de onderneming.

4.4.

De rechtbank stelt vast dat belanghebbende in de bezwaarfase als uitgangspunt heeft genomen dat de inkomsten van de onderneming in Nederland belast zijn voor zover die behaald zijn met de in Nederland verrichte werkzaamheden. Het staat belanghebbende echter vrij om in beroep een ander standpunt in te nemen. Het dossier bevat geen aanwijzing waaruit volgt dat belanghebbende dit standpunt uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft prijsgegeven. De rechtbank zal daarom inhoudelijk beoordelen of sprake is van een vaste inrichting in Nederland.

4.5.

Artikel 5, eerste lid, van het Verdrag (tekst 2017 – 2019) bepaalt:

“Voor de toepassing van het Verdrag betekent de uitdrukking ‘vaste inrichting’ een vaste bedrijfsinrichting door middel waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.”

4.6.

Artikel 5, vijfde lid, van het Verdrag (tekst 2017 – 2019) bepaalt:

“Indien een persoon — niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger waarop het zesde lid van toepassing is — voor een onderneming werkzaam is, en een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht in een Verdragsluitende Staat gewoonlijk uitoefent, wordt die onderneming, niettegenstaande de bepalingen van het eerste en tweede lid, geacht in die Staat een vaste inrichting te hebben met betrekking tot de werkzaamheden die die persoon voor de onderneming verricht, tenzij de werkzaamheden van die persoon beperkt blijven tot die werkzaamheden genoemd in het vierde lid, die, indien zij worden uitgeoefend door middel van een vaste bedrijfsinrichting, deze vaste bedrijfsinrichting op grond van de bepalingen van dat lid niet tot een vaste inrichting zouden maken.”

4.7.

Belanghebbende heeft verklaard dat hij afwisselend in Polen en Nederland was. Hij was telkens ongeveer twee weken in Polen en dan drie weken in Nederland. Tijdens het verblijf in Nederland zal belanghebbende niet alleen klussen hebben uitgevoerd, maar ook afspraken met nieuwe klanten hebben gehad, offertes hebben opgemaakt, overeenkomsten hebben gesloten en dergelijke. In overweging nemend dat belanghebbende de enige is die werkzaam is voor de onderneming acht de rechtbank aannemelijk dat in de woning waar belanghebbende in Nederland verbleef werkzaamheden werden uitgevoerd voor de onderneming, zoals bijvoorbeeld het voeren van klantcontact en het bijhouden van de administratie. In dat geval is de woning aan te merken als een vaste inrichting.

4.8.

Ook als de woning van belanghebbende niet als vaste inrichting zou kunnen worden aangemerkt, is sprake van een vaste inrichting op grond van artikel 5, vijfde lid, van het Verdrag. Hiertoe overweegt de rechtbank dat doel en strekking van deze bepaling is dat sprake is van een vaste inrichting in het geval dat iemand rechtsgeldig namens de onderneming kan optreden en de onderneming kan binden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de Engelse tekst staat dat het gaat om de situatie “where a person (…) is acting on behalf of an enterprise and has, and habitually exercises, in a Contracting State an authority to conclude contracts in the name of the enterprise”. Hieruit leidt de rechtbank af dat van belang is of de bevoegdheid bestaat om overeenkomsten te sluiten. Een interpretatie die ertoe leidt dat alleen een werknemer of een derde die namens de onderneming overeenkomsten kan sluiten een vaste inrichting zou vormen, maar een ondernemer die zelf deze overeenkomsten sluit geen vaste inrichting zou vormen acht de rechtbank ook niet in overeenstemming met doel en strekking van de bepaling.

Hoogte van de (navorderings)aanslagen

4.9.

Aangezien de onderneming in 2017 tot en met 2019 een vaste inrichting heeft in Nederland, zijn de inkomsten van de werkzaamheden die in Nederland zijn verricht belast in Nederland. Partijen zijn het in dat geval eens over de hoogte van de omzet in die jaren. Het geschil spitst zich dan toe op de vraag of en in hoeverre de kosten van medewerklieden als kosten van de vaste inrichting kunnen worden gebracht.

4.10.

Belanghebbende stelt dat bij de bepaling van de belastbare winst uit onderneming rekening moet worden gehouden met de kosten ter zake van betalingen aan medewerklieden. Hiertoe heeft belanghebbende facturen en verklaringen van de werklieden overgelegd. Verder betoogt belanghebbende dat hij de Nederlandse omzet niet alleen gerealiseerd kan hebben.

4.11.

De rechtbank overweegt dat de bewijslast ten aanzien van de kosten op belanghebbende rust. Voor de jaren 2017 en 2018 moet belanghebbende de kosten aannemelijk maken. Voor het jaar 2019 moet belanghebbende de kosten overtuigend aantonen, omdat voor dat jaar de omkering en verzwaring van de bewijslast geldt.

4.12.

De ter onderbouwing van de kosten overgelegde facturen zijn door belanghebbende zelf opgesteld. De facturen zijn opgesteld in het Pools en hebben betrekking op Poolse werklieden. Op de facturen is geen specificatie opgenomen waaruit is op te maken welke werkzaamheden zij betreffen. Op de facturen over 2017 en een deel van de facturen over 2018 en 2019 is ook geen specificatie opgenomen waaruit volgt waar de werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Op een deel van de facturen voor de jaren 2018 en 2019 wordt “Hollandii” vermeld. Ook de door belanghebbende overgelegde verklaringen van de Poolse werklieden geven weinig informatie. Uit deze verklaringen volgt niet waar en wanneer de werkzaamheden hebben plaatsgevonden.

4.13.

Op basis van de overgelegde stukken en de door belanghebbende gegeven toelichting en berekeningen acht de rechtbank wel aannemelijk dat een deel van de kosten van de werklieden in de jaren 2017 en 2018 is toe te rekenen aan de Nederlandse werkzaamheden. Voor het jaar 2017 bepaalt de rechtbank in goede justitie dat de helft van de kosten van de werklieden in Nederland zijn gemaakt. Dat is € 35.347. Ten aanzien van het jaar 2018 ziet de rechtbank in de omstandigheid dat er facturen zijn overgelegd waarop “Holandii” wordt vermeld een aanwijzing dat deze facturen zien op Nederlandse werkzaamheden, terwijl de facturen waarop deze specificatie ontbreekt mogelijk betrekking hebben op werkzaamheden die niet in Nederland zijn verricht. Als kosten kunnen daarom alleen de facturen met vermelding “Holandii” in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van de belastbare winst uit onderneming. Dat is € 43.433.

4.14.

Voor het jaar 2019 zijn de overgelegde stukken naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om overtuigend aan te tonen dat belanghebbende kosten heeft gemaakt voor werklieden ter zake van voor de vaste inrichting in Nederland verrichte werkzaamheden, zodat deze kosten niet bij de bepaling van de belastbare winst uit onderneming in aanmerking kunnen worden genomen. De vermelding van “Holandii” op een deel van de facturen en de toelichting en berekeningen van belanghebbende leiden er niet toe dat redelijkerwijs geen twijfel bestaat over de toerekening van de kosten aan de Nederlandse werkzaamheden.

Tussenconclusie (navorderings)aanslagen

4.15.

De belastbare winst uit onderneming dient voor de jaren 2017 tot en met 2019 als volgt te worden vastgesteld.

2017

2018

2019

Opbrengsten

€ 163.139

€ 233.923

€ 107.552

Kosten anders dan uitbesteed werk

€ 77.084 -/-

€ 115.593 -/-

€ 63.717 -/-

Kosten uitbesteed werk

€ 35.347 -/-

€ 43.433 -/-

€ 0

Privégebruik auto

€ 7.114

€ 9.913

€ 9.747

Fiscale winst

€ 57.822

€ 84.810

€ 53.582

Zelfstandigenaftrek

€ 7.280 -/-

€ 7.280 -/-

€ 7.280 -/-

MKB- winstvrijstelling

€ 7.076 -/-

€ 10.855 -/-

€ 6.483 -/-

Belastbare winst

€ 43.466

€ 66.675

€ 39.819

Daarbij is uitgegaan van de wisselkoers die de inspecteur heeft gehanteerd en door belanghebbende is gevolgd.

Belastingrente

4.16.

De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Nu de met de belastingrentebeschikkingen samenhangende (navorderings)aanslagen zullen worden verminderd, zal de rechtbank de belastingrente dienovereenkomstig verminderen.

Kostenvergoeding bezwaarfase

4.17.

In de uitspraken op bezwaar is geen kostenvergoeding toegekend. De inspecteur heeft bij brief van 28 oktober 2024 onderkend dat in de aanvulling op het bezwaarschrift is verzocht om een vergoeding en heeft alsnog een vergoeding van € 624 toegekend. Bij het bepalen van de kostenvergoeding heeft de inspecteur ermee rekening gehouden dat de enige onrechtmatigheid die volgens hem aan de inspecteur te wijten is, is dat een onjuiste benaming voor de boeten 2017 en 2018 is gebruikt. Belanghebbende is van mening dat een hogere kostenvergoeding had moeten worden toegekend. Aangezien in beroep de (navorderings)aanslagen worden verminderd, oordeelt de rechtbank dat de wegingsfactor van de zaken nu in elk geval 1 (gemiddeld) is. De rechtbank zal daarom een hogere kostenvergoeding toekennen (zie 5.2).

Immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn

4.18.

Belanghebbende maakt aanspraak op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het geschil beslecht had moeten zijn. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt bepaald dat een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg een periode van twee jaar bedraagt. Indien deze termijn wordt overschreden, is er aanleiding voor een vergoeding van immateriële schade.

4.19.

De rechtbank stelt vast dat de inspecteur de bezwaarschriften op 23 december 2022 heeft ontvangen. De inspecteur heeft op 13 maart 2024 uitspraken op bezwaar gedaan. De rechtbank doet uitspraak op 20 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 17 maanden overschreden. De rechtbank merkt de zaken aan als samenhangende zaken. Belanghebbende heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.500. Van deze vergoeding komt € 794,12 (9/17e deel) voor rekening van de inspecteur. Het resterende bedrag van € 705,88 komt voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

5. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraken op bezwaar. De navorderingsaanslag IB/PVV 2017 moet worden verminderd tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.464. De navorderingsaanslag IB/PVV 2018 moet worden verminderd tot een navorderingsaanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.674. De aanslag IB/PVV 2019 moet worden verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 39.818.

5.1.

Omdat de beroepen gegrond zijn moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.

5.2.

De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhangende zaken. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend (1 punt), de hoorzitting bijgewoond (1 punt), een beroepschrift ingediend (1 punt), een conclusie van repliek ingediend (0,5 punt) en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (1 punt). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.667. Een reeds betaald bedrag in verband met de voor de bezwaarfase toegekende kostenvergoeding dient hierop in mindering te worden gebracht.

Beslissing

De rechtbank:

– verklaart de beroepen gegrond;

– vernietigt de uitspraken op bezwaar, met uitzondering van de beslissing over de boetebeschikking opgelegd bij de aanslag IB/PVV 2019;

– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 tot een navorderingsaanslag berekend naar een inkomen uit werk en woning van € 43.466 en wijzigt de bijbehorende belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;

– vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 tot een navorderingsaanslag berekend naar een inkomen uit werk en woning van € 66.675 en wijzigt de bijbehorende belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;

– vermindert de aanslag IB/PVV 2019 tot een aanslag berekend naar een inkomen uit werk en woning van € 39.819 en wijzigt de bijbehorende belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;

– veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 794,12;

– veroordeelt de Minister tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 705,88;

– bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden;

– veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.667 aan proceskosten aan belanghebbende.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.

griffier

rechter

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.



Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘s-Hertogenbosch.

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Polen tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en het voorkomen van het ontduiken en ontwijken van belasting, Warschau 13 februari 2002.

Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.

Artikel delen