Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:4574

WOZ niet-woning, ongegrond.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:4574
text/xml
public
2026-06-01T12:00:05
2026-05-26
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-22
BRE 24/8340
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Breda
Bestuursrecht; Belastingrecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4574
text/html
public
2026-05-29T09:47:24
2026-06-01
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:4574 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 22-05-2026 / BRE 24/8340

WOZ niet-woning, ongegrond.


RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummer: BRE 24/8340 WOZNW

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

</p> <p> [belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] , verbonden aan JUIST),

en

De heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 30 oktober 2024.

1.1.

De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] (de onroerende zaak) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 5.087.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Roosendaal voor het jaar 2024 opgelegd (de aanslag).

1.2.

De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [naam 1] en namens de heffingsambtenaar [naam 2] , [naam 3] en mr. S. Hunte.

2. Naar aanleiding van de in de beroepsfase door de heffingsambtenaar aangeleverde onderbouwing is de waarde van de onroerende zaak niet langer in geschil. Belanghebbende stelt echter dat een proceskostenvergoeding moet worden toegekend, omdat de onderbouwing in een eerder stadium had moeten worden verstrekt. Doordat de informatie ontbrak op grond waarvan de waarde op juistheid kon worden gecontroleerd, is belanghebbende gedwongen tot het instellen van beroep. Belanghebbende wijst in dit kader met name op de onderbouwing van de gehanteerde huurwaarde en de kapitalisatiefactor. Hiermee is volgens belanghebbende sprake van een schending van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ.

2.1.

De heffingsambtenaar stelt in de bezwaarfase via de portal een taxatieverslag ter beschikking te hebben gesteld met daarin de koop- en huurtransacties en de KOUDV-factoren.

1.4.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ aan degene die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens moet worden verstrekt.

1.5.

Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 27 februari 2026 volgt dat de toepassing van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ zich beperkt tot gegevens die zijn opgenomen in stukken die reeds bestonden ten tijde van het vaststellen van de beschikking. De beperking tot gegevens die zijn opgenomen in stukken brengt mee dat uit artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ niet een algemene verplichting voortvloeit om op verzoek inzicht te geven in de wijze waarop de waarde van een onroerende zaak in het desbetreffende geval is bepaald. Het gaat in deze bepaling om een verplichting tot het verstrekken van afschriften, niet tot het geven van uitleg. Niet gebleken is dat er nog andere gegevens waren die niet zijn overgelegd door de heffingsambtenaar maar wel ten grondslag lagen aan de vaststelling van de WOZ-waarde. Voor het verstrekken van een nadere onderbouwing van de huurwaarde of een berekening van kapitalisatiefactor bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen verplichting. Dit betekent dat geen sprake is van een schending van artikel 40 van de Wet WOZ.

2. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.

griffier

rechter

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.



Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘s-Hertogenbosch.

Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052.

Hoge Raad 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297.

Artikel delen