WOZ niet-woning, kostenvergoeding bezwaar, ongegrond.
ECLI:NL:RBZWB:2026:4578
text/xml
public
2026-06-01T12:00:05
2026-05-26
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-05-22
BRE 25/6353
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Breda
Bestuursrecht; Belastingrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4578
text/html
public
2026-05-29T09:53:16
2026-06-01
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:4578 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 22-05-2026 / BRE 25/6353
WOZ niet-woning, kostenvergoeding bezwaar, ongegrond.
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/6353 WOZ
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende
en
De heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 30 oktober 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] (de onroerende zaak) op 1 januari 2024 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 261.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Breda voor het jaar 2025 opgelegd (de aanslag).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft hierbij de waarde van de onroerende zaak verhoogd tot € 341.000.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [naam 1] en mr. L.H.G.M. Driessen en namens de heffingsambtenaar [naam 2] en mr. S. Hunte.
2. De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar een proceskosten-vergoeding toegekend van € 242,62. Bij het vaststellen van de vergoeding heeft de heffingsambtenaar een vermenigvuldigingsfactor toegepast van 0,125.
2.1.
In de door belanghebbende overgelegde offerte met betrekking tot de door gemachtigde te verrichten werkzaamheden wordt ten aanzien van de vergoeding vermeld:
“Bij een gegronde procedure zal de gemeente onze vergoedingen aan u overmaken. Dit betreft de proceskostenvergoeding, (eventuele) dwangsom en immateriële schadevergoeding. Deze vergoedingen zijn voor gemachtigde: u zal een factuur ontvangen met het verzoek deze vergoedingen aan ons over te maken. U maakt geen kosten: u zal een vergoeding ontvangen dat voor gemachtigde bestemd is.”
2.2.
In de volmacht wordt het volgende vermeld:
“De kosten ter vergoeding van onze werkzaamheden komen neer op het totaal van die op grond van art 7:15, 8:75, 4:17 en 8:88 Awb aan u in een uitspraak worden toegewezen.”
3. De vastgestelde waarde van de onroerende zaak is tussen partijen niet meer in geschil. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een hogere vergoeding voor de kosten van het bezwaar, omdat sprake is van een bijzonder geval.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende geen recht op een hogere vergoeding voor de kosten van het bezwaar.
De kostenvergoeding in de bezwaarfase
3.2.
De heffingsambtenaar heeft bij het vaststellen van de vergoeding voor de kosten van het bezwaar de in artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ genoemde vermenigvuldigingsfactor van 0,125 toegepast. Belanghebbende stelt dat deze vermenigvuldigingsfactor niet van toepassing is, omdat sprake is van een bijzonder geval. Belanghebbende verwijst in dit kader naar de overgelegde facturen en betalingsbewijzen.
3.3.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2025 ten aanzien van de beperking van de proceskostenvergoeding als volgt geoordeeld:
“3.5.1 Uit hetgeen hiervoor in 3.4.1 tot en met 3.4.6 is overwogen, volgt dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ en de bpm het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak.
3.5.2
Gevallen die kennelijk niet de hiervoor in 3.5.1 bedoelde kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de WHpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van de tweede volzin van artikel 19a, leden 1 en 2, van de Wet bpm en artikel 30a, leden 1 en 2, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10. Een dergelijke uitleg van het begrip bijzondere gevallen draagt bij aan de verwezenlijking van het in artikel 17, lid 1, van de Grondwet begrepen recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.”
3.4.
De rechtbank overweegt dat uit de bij het beroepschrift overgelegde offerte en de volmacht volgt dat de gemachtigde van belanghebbende optreedt op basis van no cure no pay, waarbij de proceskostenvergoeding en andere vergoedingen aan de gemachtigde of zijn kantoor worden afgedragen. In de door belanghebbende overgelegde stukken ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat geen sprake is van no cure no pay. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de door gemachtigde zelf gemaakte selectie van facturen en betalingen geen representatief beeld geeft van de bedrijfsvoering. Dat betekent dat belanghebbende geen recht heeft op een hogere vergoeding voor de kosten van het bezwaar dan de vergoeding die de heffingsambtenaar reeds heeft toegekend.
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘s-Hertogenbosch.
Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.