Menu

Filter op
content
PONT | Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBZWB:2026:5992

Vaststellen kinderalimentatie met terugwerkende kracht.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:5992
text/xml
public
2026-08-04T11:48:35
2026-07-05
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-06-04
C/02/445917 FA RK 26-1263
Uitspraak
Rekestprocedure
Beschikking
NL
Breda
Civiel recht; Personen- en familierecht

Rechtspraak.nl

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5992
text/html
public
2026-08-04T11:48:19
2026-08-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:5992 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-06-2026 / C/02/445917 FA RK 26-1263

Vaststellen kinderalimentatie met terugwerkende kracht.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/445917 FA RK 26-1263

datum uitspraak: 4 juni 2026

beschikking betreffende levensonderhoud

in de zaak van

[de vrouw] ,

hierna: de vrouw,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat: mr. D. Abd Rabou in Den Haag,

tegen

[de man]
,

hierna: de man,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat: voorheen mr. M.M.M. Minkels in Tilburg,

thans: mr. J.M. Molkenboer in Tilburg.

<br /> 1Het procesverloop

1.1.

Dit blijkt uit de volgende stukken:

– de beschikking van deze rechtbank van 20 februari 2026 met procedurenummer C/02/411928 FA RK 23-3388 en alle daarin vermelde stukken;

– de brief van mr. Molkenboer van 24 maart 2026;

– de brief van de rechtbank aan beide advocaten van 17 april 2026;

– het F9-formulier van mr. Abd Rabou van 15 april 2026;

– de brief van de rechtbank aan mr. Molkenboer van 18 mei 2026;

– de brief van mr. Molkenboer van 19 mei 2026.

<br /> 2De beoordeling

2.1

Bij voormelde beschikking is het zelfstandig verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding verwezen naar cluster familierecht en daarom afgesplitst. De behandeling van het verzoek is voortgezet bij het cluster familie en het verzoek heeft het bovenaan deze beschikking genoemde zaaknummer gekregen.

2.2

De vrouw heeft, samengevat, verzocht te bepalen dat de man met ingang van 10 januari 2024 een kinderalimentatie van € 74,= per maand aan haar betaalt voor de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021.

2.3

Door en namens de man is op 26 februari 2024 verweer gevoerd. Uit de brieven van mr. Molkenboer van 24 maart 2026 en 19 mei 2026 en het F9-formulier van mr. Abd Rabou van 15 april 2026, blijkt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de door de man te betalen kinderalimentatie, te weten € 74,= per maand. Tussen partijen is alleen nog de ingangsdatum in geschil. Beide partijen hebben de rechtbank gevraagd om zonder zitting een beslissing te nemen. De rechtbank vindt een zitting ook niet nodig, en neemt een beslissing op basis van de processtukken.

2.4

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de kinderalimentatie moet ingaan per 10 januari 2024. Dat is de datum waarop zij haar verzoek bij de rechtbank heeft ingediend. Vanaf dat moment kon de man rekening te houden met de verplichting om alimentatie voor het kind te betalen. De man vindt dat de kinderalimentatie moet ingaan op de dag van deze beslissing. Dit omdat pas sinds kort vaststaat dat hij de biologische vader is van het kind en omdat hij nooit eerder rekening gehouden heeft met de mogelijkheid dat hij kinderalimentatie zou moeten gaan betalen. Daarom vindt de man dat er niet over een periode in het verleden een kinderalimentatie vastgesteld moet worden. De man is ook niet in staat om met terugwerkende kracht vanaf 10 januari 2024 een kinderalimentatie te betalen.

2.5

Vaststaat dat de man verwekker is van het kind en dat het kind verder alleen een moeder heeft. De man is daarom onderhoudsplichtig voor het kind (artikel 1:394 Burgerlijk Wetboek). Over de hoogte van de alimentatie zijn partijen het eens. De rechtbank hoeft alleen nog te beslissen over de ingangsdatum van de alimentatie. De alimentatierechter heeft een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum voor die alimentatie. Daarbij liggen drie ingangsdata voor de hand: de datum waarop de onderhoudsverplichting is ontstaan, de datum waarop een verzoek tot vaststelling van de alimentatie bij de rechtbank is ingediend, en de datum waarop de rechtbank over de alimentatie heeft beslist.

2.6

De rechtbank zal bepalen dat de alimentatieverplichting ingaat op de dag waarop de rechtbank het verzoek van de vrouw heeft ontvangen, te weten 11 januari 2024. De man kon vanaf die datum rekening houden met een mogelijke alimentatieverplichting voor het kind. Feit is dat de man en de vrouw een affectieve relatie hebben gehad, met elkaar hebben samengewoond en dat tijdens die samenwoning het kind is geboren. De man is zelf op 10 juli 2023 de procedure met procedurenummer C/02/411928 FA RK 23-3388 gestart, omdat hij ervan overtuigd was de verwekker van het kind te zijn. Hij wenste het kind te erkennen, belast te worden met het ouderlijk gezag over hem en de man wilde dat een contactregeling met het kind zou worden bepaald. Bij beschikking van 1 september 2023 is een voorlopige omgangsregeling vastgesteld tussen de man en het kind. De bijzondere curator heeft verder in haar verslag van 20 november 2023 opgenomen dat tussen partijen vaststaat dat de man de biologische vader van het kind is. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de man ten tijde van de indiening van het alimentatieverzoek geen twijfels had over zijn biologisch vaderschap én hij was er ook mee bekend dat de vrouw aanspraak maakte op kinderalimentatie, want de man heeft tegen dat verzoek verweer gevoerd. Weliswaar heeft de man eind februari 2025 zijn twijfels uitgesproken over zijn vaderschap, wat de rechtbank heeft gebracht tot het gelasten van een DNA-onderzoek, maar de man heeft in dit verband zo weinig concrete feiten over het ontstaan van de twijfel naar voren gebracht, dat die periode van twijfel wat de rechtbank betreft niet een latere ingangsdatum van de alimentatie rechtvaardigt.

2.5

Dit leidt tot de volgende beslissing.

<br /> 5De beslissing

De rechtbank:

5.1

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van 11 januari 2024 ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, aan de vrouw voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling voor de 1e dag van iedere kalendermaand moet voldoen een bedrag van € 74,= (vierenzeventig euro) per maand.

5.2

wijst het meer of anders verzochte ten aanzien van de onderhoudsbijdrage af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, en, in tegenwoordigheid van mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Artikel delen