Wijziging gezag en informatieregeling.
ECLI:NL:RBZWB:2026:6008
text/xml
public
2026-08-05T11:59:02
2026-07-05
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-06-04
C/02/441374 / FA RK 25-5557
Uitspraak
Rekestprocedure
Beschikking
NL
Middelburg
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6008
text/html
public
2026-08-05T11:58:10
2026-08-05
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:6008 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 04-06-2026 / C/02/441374 / FA RK 25-5557
Wijziging gezag en informatieregeling.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/441374 / FA RK 25-5557
datum uitspraak: 4 juni 2026
beschikking betreffende wijziging gezag en informatieregeling
in de zaak van
[de vrouw]
,
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. A.A. Broekman-de Feijter, kantoorhoudend in Terneuzen,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. D.J.A. Burlet, kantoorhoudend in Oostburg,
over de minderjarige:
– [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
– het op 15 oktober 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
– het op 12 mei 2026 ontvangen verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek;
– het F9-formulier met bijlagen van mr. Broekman-de Feijter van 18 mei 2026.
1.2
Het verzoek is mondeling behandeld op 21 mei 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de vrouw met haar advocaat en de advocaat van de man. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.
1.3
De man is juist opgeroepen, maar is niet gekomen.
2.1
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 25 juli 2023 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op 7 september 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
2.2
Tijdens het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren. Partijen hebben samen het gezag over haar.
2.3
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
2.4
Bij beschikking van 25 juli 2023 heeft de rechtbank beslist dat [minderjarige] en de man
voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact, waarbij dat contact onder begeleiding
van [hulpverlening] als casusregisseur zal worden opgestart en waarbij dat contact voor wat betreft de
vorm, frequentie, duur en opbouw nader door de hulpverlening zal worden bepaald.
2.5
Bij beschikking van de kinderrechter van 19 december 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 19 december 2025.
2.6
Bij beschikking van 2 december 2024 heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige] en de man gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar gedurende één keer per week onder begeleiding van [hulpverlening] , totdat de GI binnen de ondertoezichtstelling reden ziet dit aan te passen.
3.1
De vrouw verzoekt bij beschikking, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
3.2
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek af te wijzen.
De man verzoekt zelfstandig te bepalen dat de vrouw maandelijks op de eerste van de maand aan de man de informatie en een recente foto dient te sturen zoals omschreven onder punt 14 van het verweerschrift.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.
Ten aanzien van het gezag
4.1
De vrouw verzoekt de rechtbank om het gezamenlijk gezag te beëindigen en om haar alleen te belasten met het gezag over [minderjarige] . Ter onderbouwing van haar verzoek voert de vrouw het volgende aan. Sinds het uit elkaar gaan van partijen in 2022 ontbreekt nagenoeg elke communicatie tussen partijen. Belangrijke beslissingen over [minderjarige] , zoals de inschrijving op een basisschool en de aanvraag van een identiteitsbewijs, zijn sindsdien via advocaten en/of betrokken hulpverlening tot stand gebracht. Voor de traumatherapie van [minderjarige] heeft de man geen toestemming willen geven. Deze therapie is uiteindelijk door tussenkomst van de jeugdbeschermer gestart zonder toestemming van de man. Tijdens de traumatherapie bleek dat [minderjarige] het begeleide contact met de man niet aan kon. Het laatste begeleide contactmoment tussen [minderjarige] en de man heeft daarom op 14 mei 2025 plaatsgevonden. Wel hebben [minderjarige] en de man elkaar recent kort gezien omdat de man enkel wilde meewerken aan de aanvraag voor een identiteitsbewijs voor [minderjarige] als hij bij de fysieke afspraak aanwezig mocht zijn om aldaar zijn handtekening te zetten. De vrouw wenst te worden belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] om problemen omtrent de uitoefening van het gezag in de toekomst te voorkomen, mede omdat de ondertoezichtstelling inmiddels is geëindigd. De vrouw weet vrijwel zeker dat zij in de toekomst nog vaker tegen problemen zal aanlopen bij het nemen van belangrijke beslissingen omtrent [minderjarige] indien daarvoor toestemming van de man nodig is. Daarbij komt dat het nemen van beslissingen van enig belang over [minderjarige] in gezamenlijk overleg door partijen al langere tijd niet aan de orde is. Enkel wanneer dat noodzakelijk is voor het verkrijgen van de vereiste toestemming van de man is de vrouw genoodzaakt contact te zoeken met de man, hetgeen steeds moeizaam verloopt en aanleiding vormt voor discussie. De verhoudingen tussen partijen zijn daarbij zodanig dat van de vrouw niet kan worden verwacht dat zij, naast een maandelijkse update over [minderjarige] , de man intensief gaat raadplegen en gezamenlijk met hem beslissingen in het belang van [minderjarige] gaat nemen. Daar komt bij dat de man al langere tijd niet betrokken is in het leven van [minderjarige] en geen pogingen doet om hierin betrokken te worden. Hierdoor heeft de man geen inzicht in de problematiek die bij [minderjarige] speelt en welke rol hij daarin als vader speelt. Evenmin heeft de man zicht op hoe het met [minderjarige] op school gaat, wat haar hobby’s zijn en hoe over het algemeen haar ontwikkeling verloopt. De psychische gezondheid van de man en/of zijn voortdurende verslaving staat/staan hieraan in de weg. Gelet op het voorgaande is de vrouw van mening dat bij voortbestaan van het gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren raken tussen partijen althans volgens de vrouw geldt dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.
4.2
De man is van mening dat het beëindigen van zijn gezag niet in het belang van [minderjarige] is en dat van beide gronden zoals genoemd in art. 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geen sprake is. De man erkent dat hij er door zijn verslavingsproblematiek niet altijd op een manier voor [minderjarige] kan zijn zoals hij dat graag zou willen. Hij zou graag contact willen met [minderjarige] , maar realiseert zich ook dat contact op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is. Dit maakt het voor de man lastig om onderbouwde beslissingen te nemen over [minderjarige] . Tegelijkertijd is niet gebleken dat de man op enig moment belangrijke beslissingen over [minderjarige] heeft tegengehouden of vertraagd, waardoor van een klem- of verloren-situatie geen sprake is. Dat de beslissingen omtrent de inschrijving van de basisschool en aanvraag van een identiteitsbewijs via de hulpverlening en/of advocaten tot stand zijn gebracht, komt doordat er op dat moment geen rechtstreeks contact was tussen partijen over [minderjarige] . Echter, dat er geen sprake is van communicatie en samenwerking tussen partijen is in beginsel onvoldoende voor een wijziging in het gezag. Bovendien gaan de zorgen die de vrouw heeft over toekomstige situaties en het beëindigen van het gezag staat niet in verhouding tot de zorg van de vrouw betreffende een mogelijke weigering van de man om ergens zijn toestemming voor te verlenen. Hoewel de man er vertrouwen in heeft dat de vrouw goede beslissingen maakt in het belang van [minderjarige] , heeft hij ook zorgen dat er geen enkel toezicht meer is op deze beslissingen indien er sprake zou zijn van eenhoofdig gezag van de vrouw. Ook maakt de man zich zorgen wie er in het geval van eenhoofdig gezag van de vrouw kan en zal ingrijpen als duidelijk wordt dat de situatie voor [minderjarige] niet langer aanvaardbaar is. De man gebruikt en zal zijn gezag niet gebruiken om de vrouw dwars te zitten, maar hij wenst te kunnen ingrijpen als de situatie van [minderjarige] bij de vrouw daar om vraagt.
4.3
De Raad acht toewijzing van het verzoek van de vrouw in het belang van [minderjarige] . De man is al langere tijd niet betrokken bij [minderjarige] en zij hebben al enige tijd geen contact met elkaar gehad, waardoor de man niet in staat is om beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige] . Dat de man toezicht wil houden op de beslissingen van de vrouw met betrekking tot [minderjarige] , is naar de mening van de Raad niet noodzakelijk. De vrouw heeft namelijk verschillende hulpverleningstrajecten doorlopen, waardoor de man ervan uit kan gaan dat de vrouw goede beslissingen zal nemen. Ingeval er in de toekomst zorgen ontstaan over de situatie van [minderjarige] bij de vrouw, heeft de vrouw toegezegd het borgingsplan te volgen en daarnaast hebben de omgeving van de vrouw en de school van [minderjarige] een signalerende rol.
4.4
De rechtbank overweegt als volgt.
4.5
In artikel 1:253n BW staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dat kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. In dat geval beslist de rechtbank wie van de ouders voortaan alleen het gezag over het kind krijgt. In artikel 1:253n lid 1 BW staat dat artikel 1:251a lid 1 BW van toepassing is. In dat artikel staat dat de rechter kan beslissen dat het gezag over een kind naar één ouder gaat als er een onacceptabel risico is dat, als allebei de ouders het gezag houden, dit kind erg klem komt te zitten tussen die ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd verbetert of als een verandering van het gezag op een andere manier in het belang van het kind noodzakelijk is.
4.6
De rechtbank dient eerst te beoordelen of er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Het is de rechtbank gebleken dat daarvan sprake is nu het partijen sinds het uiteen gaan niet lukt om met elkaar te communiceren en samen te werken in het belang van [minderjarige] . Ook is gebleken dat er, met uitzondering van het korte contactmoment tijdens het aanvragen van het identiteitsbewijs van [minderjarige] , al langere tijd in het geheel geen contact is geweest tussen de man en [minderjarige] . De rechtbank is daardoor van oordeel dat de omstandigheden dermate zijn gewijzigd dat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.
4.7
De rechtbank overweegt vervolgens dat het uitgangspunt van de wet is dat ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over hun minderjarige kind. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist evenwel dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van de minderjarige tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor de minderjarige en zijn of haar veiligheid niet in gevaar brengt.
4.8
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is het de rechtbank gebleken dat er geen goede basis meer aanwezig is voor de uitoefening van het gezamenlijk gezag over [minderjarige] . Partijen zijn namelijk al geruime tijd niet tot een behoorlijke uitoefening van het gezamenlijke gezag over [minderjarige] in staat waardoor er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat zij klem of verloren zal raken tussen de ouders. Daartoe overweegt de rechtbank dat er tot op heden geen enkele samenwerking of communicatie mogelijk is tussen partijen, waarbij het naar het oordeel van de rechtbank niet te verwachten is dat hierin binnen een redelijk termijn verbetering zal optreden. Deze situatie tussen partijen duurt immers inmiddels al enige tijd voort en het is hen – ondanks de betrokkenheid van de jeugdbeschermer in het kader van de inmiddels geëindigde ondertoezichtstelling – niet gelukt om de communicatie te verbeteren of hiervoor hulpverlening in te zetten. Daarnaast is gebleken dat belangrijke beslissingen over [minderjarige] in de afgelopen jaren via advocaten en/of betrokken hulpverlening tot stand zijn gebracht, alsook dat de man geen toestemming heeft verleend voor traumatherapie voor [minderjarige] terwijl wel duidelijk was dat deze therapie noodzakelijk was. Daarbij komt dat de man recent zijn toestemming voor de aanvraag van een identiteitsbewijs voor [minderjarige] enkel onder zijn voorwaarden heeft willen verlenen. Voorts overweegt de rechtbank dat de man erkent dat hij er gelet op zijn verslavingsproblematiek niet altijd op een manier voor [minderjarige] kan zijn zoals hij dat graag zou willen. De man heeft [minderjarige] al langere tijd niet gezien en hij doet geen pogingen om in het leven van [minderjarige] betrokken te worden. De man heeft daardoor geen enkel zicht meer op [minderjarige] , is niet bekend met de ontwikkelingen die zij doormaakt en weet niet wat er in haar omgaat. Hij weet daardoor onvoldoende over de leefwereld van [minderjarige] en daarmee over welke beslissingen in haar belang moeten worden geacht. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat de opvoedsituatie bij de vrouw voldoende veilig is en dat de zorgen van de man, zo al gerechtvaardigd, voldoende ondervangen zijn door de behandeling die de vrouw heeft gehad, de inmiddels afgesloten ondertoezichtstelling en het borgingsplan. De rechtbank volgt de man dan ook niet in zijn stelling dat het in stand laten van het gezamenlijk gezag om die reden in het belang van [minderjarige] is, waarbij de rechtbank de man meegeeft dat hij ook zonder belast te zijn met het gezag over [minderjarige] een melding kan maken bij Veilig Thuis ingeval hij zich ernstige zorgen maakt over de opvoedsituatie bij de vrouw.
4.9
Gelet op het voorgaande en gehoord het advies van de Raad, is de rechtbank van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van [minderjarige] dat het gezag over haar wordt gewijzigd, in die zin dat de vrouw voortaan alleen het gezag over [minderjarige] uitoefent. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om haar alleen met het gezag te belasten dan ook toewijzen.
Ten aanzien van de informatieregeling
4.10
De man heeft verzocht om een informatieregeling vast te leggen, inhoudende dat de vrouw de man eens per maand zal informeren over [minderjarige] . Daarbij ontvangt de man graag maandelijks een recente foto van [minderjarige] met daarbij een verslagje over wat [minderjarige] die maand heeft gedaan op school, vriendjes/vriendinnetjes en andere dagelijkse zaken. Uit de overgelegde stukken en hetgeen de vrouw tijdens de zitting heeft aangegeven volgt dat zij kan instemmen met de namens de man verzochte informatieregeling. Zij is bereid om iedere maand per e-mail een foto van [minderjarige] en een weergave van relevante informatie over ontwikkelingen in het leven van [minderjarige] aan de man te verstrekken. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is namens de Raad opgemerkt dat de verzochte informatieregeling passend is.
4.11
De rechtbank overweegt als volgt.
4.12
Op grond van het bepaalde in artikel 1:377b lid 1 BW is de ouder, die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen – zo nodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.
4.13
Nu de vrouw zich niet verzet tegen de door de man verzochte informatieregeling en de rechtbank met de Raad een dergelijke regeling passend en in het belang van [minderjarige] acht, zal het daartoe strekkende verzoek worden toegewezen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw de man één keer per maand via de e-mail informeert middels een verslagje over wat [minderjarige] die maand heeft gedaan op school, vriendjes/vriendinnetjes en andere dagelijkse zaken, waarbij elke maand ook een recente foto van [minderjarige] wordt verstrekt.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.14
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden
De rechtbank
5.1
bepaalt dat het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019, voortaan alleen aan de vrouw toekomt;
5.2
bepaalt dat de vrouw de man één keer per maand via de e-mail informeert middels een verslagje over wat [minderjarige] die maand heeft gedaan op school, vriendjes/vriendinnetjes en andere dagelijkse zaken, waarbij elke maand ook een recente foto van [minderjarige] wordt verstrekt;
5.3
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Van der Meer, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.