Deze uitspraak gaat over eisers eigen bijdrage voor zorg vanuit de Wet langdurige zorg. Eiser komt niet in aanmerking voor vrijstelling. Daarbij zijn er geen bijzondere omstandigheden waaruit blijkt dat het besluit onredelijk bezwarend. Het beroep is ongegrond.
ECLI:NL:RBZWB:2026:6944
text/xml
public
2026-08-03T08:00:24
2026-07-27
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-07-27
BRE 26/634
Uitspraak
Eerste aanleg – enkelvoudig
NL
Breda
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6944
text/html
public
2026-07-30T08:54:56
2026-08-03
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBZWB:2026:6944 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 27-07-2026 / BRE 26/634
Deze uitspraak gaat over eisers eigen bijdrage voor zorg vanuit de Wet langdurige zorg. Eiser komt niet in aanmerking voor vrijstelling. Daarbij zijn er geen bijzondere omstandigheden waaruit blijkt dat het besluit onredelijk bezwarend. Het beroep is ongegrond.
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/634
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os),
en
CAK
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over eisers eigen bijdrage voor zorg vanuit de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz). Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de door het CAK vastgestelde eigen bijdrage. Hij is het niet eens met de hoogte van het bedrag en wil dat het wordt verlaagd dan wel vrijgesteld. Eiser voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het CAK terecht heeft overwogen dat geen sprake is bijzondere omstandigheden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser verblijft in een zorginstelling. Zijn echtgenote woont zelfstandig en ontvangt geen zorg. Voor het verblijf in de zorginstelling is eiser op grond van de Wlz en het Besluit langdurige zorg (hierna: Blz) een eigen bijdrage verschuldigd die door het CAK wordt vastgesteld en geïnd. Deze eigen bijdrage is op 14 januari 2025 vastgesteld op € 532,00 per maand.
2.1.
Op 3 april 2025 verzoekt eiser om een aanpassing van de vastgestelde eigen bijdrage. Het CAK besluit naar aanleiding daarvan op 4 juli 2025 de eigen bijdrage vast te stellen op € 290,43 per maand. Eiser maakt op 1 augustus 2025 bezwaar tegen deze beslissing, omdat van een te hoog inkomen uit zou zijn gegaan. Het inkomen ligt namelijk onder de bijstandsgrens. Op 5 september 2025 besluit het CAK de eigen bijdrage vast te stellen op € 240,43, omdat het inkomen in het zorgjaar lager ligt dan het inkomen in het peiljaar.
2.2.
Eiser is het ook met de nieuwe eigen bijdrage niet eens. Het CAK verzoekt daarom om aanvullende bewijsstukken, om een nieuwe berekening te maken van de eigen bijdrage.
2.3.
Met het bestreden besluit van 11 december 2025 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het CAK stelt vast dat het inkomen van januari tot en met juni 2025 € 2.332,97 bedraagt en in de periode van juli tot en met december 2025 € 2.367,70. De vrijstellingsgrens ligt onder het berekende inkomen. Hierdoor komt eiser niet in aanmerking voor vrijstelling van de lage eigen bijdrage. Het CAK heeft ook gekeken of kan worden gesproken van bijzondere omstandigheden, waardoor een eigen bijdrage niet van toepassing zou zijn. Het CAK stelt in dit kader vast dat het besteedbaar inkomen van eiser hoger is dan de zak- en kleedgeldnorm voor gehuwden. Hierdoor is geen sprake van een bijzonder geval en moeten de regels uit het Blz gevolgd worden. Eisers eigen bijdrage wordt dus niet aangepast.
3. Eiser stelt dat de opgelegde eigen bijdrage niet redelijk is. De hoogte van de eigen bijdrage leidt voor eiser tot financiële problemen. Het gezamenlijk inkomen is namelijk niet hoger dan de bijstandsnorm. Hierdoor kan eiser de eigen bijdrage niet voldoen. Er is in ieder geval sprake van een bijzonder geval, waardoor de eigen bijdrage op nihil dan wel een lager bedrag vastgesteld dient te worden.
4. In het Blz en de Regeling langdurige zorg (hierna: Rlz) is bepaald hoe het CAK de eigen bijdrage voor zorg vanuit de Wlz moet berekenen en vaststellen. De rechtbank stelt vast dat de juistheid van de door het CAK toegepaste berekening en de daarvoor gebruikte inkomensgegevens niet betwist zijn. De rechtbank gaat daarom uit van deze gegevens.
4.1.
Voor zover eiser een beroep heeft gedaan op de mogelijkheid van vrijstelling op grond van artikel 3.3.2.2, negende lid, van het Blz, stuit dit af op het feit dat het CAK heeft berekend en vastgesteld dat het inkomen van eiser en zijn partner hoger is dan de vrijstellingsgrens, waardoor eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van de eigen bijdrage.
4.2.
De bepalingen over de eigen bijdrage zoals de wetgever deze heeft vastgelegd in de Wlz en de Blz zijn dwingend en limitatief van karakter. Dit volgt uit vaste rechtspraak. De regeling bepaalt dat de lage eigen bijdrage moet worden berekend op basis van het inkomen en biedt geen mogelijkheid om de eigen bijdrage lager vast te stellen dan het minimum van € 205,00 (in 2025). De regels bevatten geen hardheidsclausule en bieden geen ruimte om rekening te houden met bijzondere omstandigheden. Er kunnen echter omstandigheden zijn die maken dat in een voorliggend geval toepassing van het wettelijk voorschrift voor betrokkene zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit is het geval als het besluit in de gegeven omstandigheden voor betrokkene onredelijk bezwarend is.
4.3.
De rechtbank ziet in hetgeen door eiser is aangevoerd geen aanleiding om uit te gaan van bijzondere omstandigheden waaruit blijkt dat het besluit onredelijk bezwarend is. Daarbij is van belang dat het CAK heeft gekeken naar de uitgaven en het besteedbaar inkomen van eiser en zijn echtgenote. Hieruit blijkt dat het besteedbaar inkomen van eiser hoger ligt dan de norm voor zak- en kleedgeld voor gehuwden. Bovendien heeft eiser onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat hij zich in financiële moeilijkheden bevindt door de vastgestelde eigen bijdrage.
4.4.
Nu vast is komen te staan dat het CAK de eigen bijdrage volgens de bepalingen van het Blz en Rlz heeft berekend en er onvoldoende aanleiding was om hiervan af te wijken, heeft het CAK de eigen bedrage voor het jaar 2025 naar het oordeel van de rechtbank terecht niet kwijtgescholden of verlaagd.
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.S. Obispo, rechter, in aanwezigheid van V. Wuijten, griffier, op 27 juli 2026 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in staat om de uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Wet langdurige zorg
Artikel 3.2.5, eerste lid
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het recht op zorg slechts tot gelding kan worden gebracht indien de verzekerde de kosten daarvan gedeeltelijk draagt. De eigen bijdrage kan verschillen naar gelang de groep waartoe de verzekerde behoort, de zorg die verstrekt wordt en de wijze waarop het recht op zorg tot gelding wordt gebracht, en kan mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen en vermogen van de verzekerde en diens echtgenoot.
Artikel 6.1.2, aanhef en onder a en onder c
Het CAK is belast met:
de vaststelling en de inning van de eigen bijdragen, bedoeld in artikel 3.2.5;
Besluit langdurige zorg (per 1-7-2025)
Artikel 3.3.1.3, eerste lid
De verzekerde is de eigen bijdrage verschuldigd aan het CAK.
Artikel 3.3.2.2
2. De eigen bijdrage bedraagt voorts per maand een twaalfde deel van 10% van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.3.2.4 voor:
a. de gehuwde verzekerde die in een instelling verblijft, een volledig pakket thuis, een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget ontvangt, en wiens echtgenoot geen zorg in natura of persoonsgebonden budget ontvangt;
3. De eigen bijdrage, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt ten minste € 205,00 en niet meer dan € 1.076,60 per maand.
(…)
9. Uit eigen beweging door het CAK of op aanvraag van de verzekerde is de eigen bijdrage niet verschuldigd indien de verzekerde die in een instelling verblijft, een volledig pakket thuis, een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget ontvangt:
a. een inkomen heeft dat gelijk is aan of lager is dan de in artikel 23, eerste en tweede lid, van de Participatiewet, genoemde normbedragen, die gelden voor de verzekerden in de daarbij genoemde burgerlijke staat, waarbij die normbedragen opgehoogd worden met de voor de verzekerde op grond van het derde, vierde of vijfde lid, vastgestelde minimale eigen bijdrage; of
b. op grond van artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet geen uitkering ontvangt.
Artikel 3.3.2.4
Voor de berekening van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 3.3.2.2, eerste en tweede lid, bestaat het bijdrageplichtig inkomen uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde, onderscheidenlijk van de gehuwde verzekerden tezamen, vermeerderd met de vermogensinkomensbijtelling. Dit bijdrageplichtig inkomen wordt verminderd met € 7.727,60, indien een verzekerde een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget ontvangt.
Op aanvraag van de verzekerde stelt het CAK, in afwijking van het eerste lid, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op grond van het inkomen en het vermogen van het lopende jaar, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 3.293,60 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, dan wel indien de verzekerde algemene bijstand op grond van de Participatiewet ontvangt.
De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan uiterlijk vier maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft of uiterlijk vier maanden na de datum waarop de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld.
Indien het tweede lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar en na ontvangst van de definitieve inkomens- en vermogensgegevens definitieve vaststelling plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen over het lopende jaar minder dan € 3.293,60 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.
Inkomen dat in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen. Op aanvraag van de verzekerde wordt daarop de in het buitenland verschuldigde belasting in mindering gebracht.
Regeling langdurige zorg
Artikel 4.2
Ingevolge artikel 3.3.2.3, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het Besluit worden op het bedrag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van dat artikel, in mindering gebracht:
een bedrag voor zak- en kleedgeld, genoemd in artikel 4.3;
een bedrag in verband met de premie zorgverzekering, genoemd in artikel 4.4;
een aftrekpost, genoemd in artikel 4.5, en
een extra vrijlating, genoemd in artikel 4.6.