Het ministerie van VWS maakt in het BIG-register bij sommige zorgverleners niet alleen een beroepsbeperkende maatregel openbaar, maar vermeldt ook dat deze bijvoorbeeld is opgelegd vanwege alcohol- of drugsgebruik. Daarmee kan gevoelige informatie over de gezondheid van individuele zorgverleners voor iedereen zichtbaar worden. De Autoriteit Persoonsgegevens zet vraagtekens bij de noodzaak van die werkwijze en gaat hierover met het ministerie in gesprek.

Dat blijkt uit onderzoek van Follow the Money (FTM) naar de openbaarmaking van maatregelen tegen zorgverleners. Het BIG-register maakt zichtbaar of een zorgverlener bevoegd is om een bepaald beroep uit te oefenen. Ook worden bepaalde maatregelen tegen zorgverleners openbaar gemaakt.
De discussie gaat niet zozeer over het publiceren van de maatregel zelf, maar over de informatie die daarbij over de achterliggende reden wordt vermeld.
Bij sommige zorgverleners staat in het openbare register bijvoorbeeld dat een maatregel is opgelegd vanwege ‘alcoholmisbruik’. Volgens FTM worden ook categorieën gebruikt voor drugsgebruik en bepaalde lichamelijke of geestelijke omstandigheden. Sinds 2020 telde FTM ten minste 32 zorgverleners bij wie een maatregel verband hield met hun gezondheid.
Daarmee kan de reden voor een beroepsbeperking informatie prijsgeven over iemands gezondheid. Gezondheidsgegevens behoren onder de AVG tot de bijzondere categorieën persoonsgegevens, waarvoor extra strenge regels gelden.
Het onderscheid tussen de maatregel en de reden voor de maatregel is daarbij belangrijk. De Wet BIG schrijft voor dat bepaalde maatregelen openbaar worden gemaakt. Beroepsbeperkende maatregelen, waardoor een zorgverlener zijn beroep bijvoorbeeld gedeeltelijk of volledig niet meer mag uitoefenen, worden altijd gepubliceerd. Zo kunnen patiënten controleren of een zorgverlener bevoegd is om het beroep uit te oefenen.
De vraag is of het voor dat doel ook noodzakelijk is om informatie over een onderliggende verslaving of gezondheidstoestand openbaar te maken.
De Wet BIG schrijft volgens FTM niet precies voor op welke manier de achterliggende reden voor een maatregel moet worden omschreven. Het CIBG, dat het BIG-register namens VWS beheert, laat weten dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, de tuchtcolleges en het CIBG gezamenlijk een beperkt aantal categorieën hebben vastgesteld om de aard van het verwijt weer te geven.
Een aantal daarvan kan rechtstreeks iets zeggen over de gezondheid van de betrokken zorgverlener. Dat roept de vraag op hoeveel ruimte uitvoeringsorganisaties hebben om naast wettelijk verplichte informatie aanvullende gevoelige persoonsgegevens openbaar te maken.
VWS stelt dat vermelding van de aard van het verwijt noodzakelijk is om patiënten goed te informeren. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft deze specifieke werkwijze nog niet eerder getoetst en gaat hierover nu met het ministerie in gesprek.
De AP trekt de grondslag voor het openbaar maken van de maatregelen niet in twijfel, maar vraagt zich wel af of VWS met de huidige werkwijze de geringst mogelijke inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens maakt.
Daarmee draait de discussie vooral om noodzakelijkheid en proportionaliteit. Een wettelijke grondslag om een maatregel openbaar te maken, betekent niet automatisch dat ook iedere achterliggende bijzonderheid gepubliceerd moet worden.
Daarnaast kan de informatie in het BIG-register in combinatie met andere openbare bronnen méér prijsgeven dan afzonderlijk de bedoeling is.
Uitspraken van tuchtcolleges worden in beginsel gepubliceerd zonder dat de betrokken zorgverlener rechtstreeks herkenbaar is. In het BIG-register kunnen echter de naam van de zorgverlener, de datum van een uitspraak en de aard van het verwijt worden vermeld. Door die informatie te combineren, kan het volgens FTM in bepaalde gevallen mogelijk zijn om een gepubliceerde tuchtuitspraak alsnog aan een specifieke zorgverlener te koppelen.
Dat maakt de kwestie breder relevant dan alleen voor het BIG-register. Bij actieve openbaarmaking moeten overheidsorganisaties niet alleen kijken naar de persoonsgegevens die zij zelf publiceren, maar ook naar de informatie die kan ontstaan wanneer verschillende openbare bronnen met elkaar worden gecombineerd.
De kernvraag is uiteindelijk hoeveel informatie nodig is om patiënten te beschermen. Dat iemand zijn beroep niet of slechts beperkt mag uitoefenen, is voor een patiënt duidelijk relevant. Minder vanzelfsprekend is dat daarvoor ook bekend moet zijn welke medische of persoonlijke omstandigheden aan die beperking ten grondslag liggen.
Het gesprek tussen de AP en VWS moet meer duidelijkheid geven over waar die grens bij het BIG-register ligt.
