Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft Privacy Company opdracht gegeven te onderzoeken of deelnemers aan twee grote internationale onderwijsonderzoeken herleidbaar zijn in de bijbehorende datasets. Het adviesrapport, uitgebracht op 8 april 2026, beantwoordt achttien concrete vragen en biedt een kader voor toekomstig beleid.

Nederland neemt deel aan PIAAC en TALIS, twee onderzoeken die door de OESO worden georganiseerd om internationale vergelijkingen mogelijk te maken. PIAAC meet de taal- en rekenvaardigheden van volwassenen, TALIS onderzoekt de werkomstandigheden van leraren en schoolleiders. De OESO publiceert de onderliggende datasets normaal gesproken als zogenoemde Public Use File (PUF), toegankelijk voor iedereen ter wereld.
Omdat de datasets naast antwoorden op surveysvragen ook toetsscores bevatten, ontstond de vraag of individuele deelnemers ondanks pseudonimisering toch herkenbaar zouden kunnen zijn. Op aandringen van het CBS en de Autoriteit Persoonsgegevens heeft OCW de publicatie van de Nederlandse PIAAC-data voorlopig uitgesteld.
Privacy Company analyseerde alle variabelen in beide datasets op twee factoren: de zogenoemde entropie (hoeveel informatie bevat een antwoord) en de koppelbaarheid (in hoeverre is een variabele terug te vinden in externe bronnen zoals LinkedIn of openbare registers). Variabelen kregen een koppelbaarheidsscore van 0, 1 of 2. Alleen variabelen met score 2 vormen een reëel risico, omdat ze mogelijk via openbare externe bronnen zijn te koppelen aan een specifiek persoon.
Het Kohnstamm Instituut van de UvA, dat de analyses uitvoert voor het ministerie, heeft op basis van dit advies in totaal 124 variabelen uit de TALIS-dataset verwijderd. Voor PIAAC staat een vergelijkbare opschoning gepland, waarbij 204 variabelen met koppelbaarheidsscore 2 worden onderdrukt.
Privacy Company concludeert dat de datasets na opschoning weliswaar geen anonieme gegevens bevatten in juridische zin, maar dat de kans op herleidbaarheid naar individuele personen verwaarloosbaar klein is. De gegevens gelden als pseudoniem: herleidbaarheid is niet volledig uitgesloten, maar vereist in de praktijk een buitensporige inspanning. Dat is voldoende onder de AVG, maar niet voldoende onder het strengere regime van de Wet op het Centraal Bureau voor de Statistiek. Juist die wet staat publicatie van de PIAAC-dataset als openbare PUF in de weg, omdat het CBS een steekproef heeft geleverd voor het onderzoek.
Voor de TALIS-dataset ligt dat anders: die dataset is inmiddels wél opgenomen in de internationale PUF van de OESO.
Privacy Company doet negen concrete aanbevelingen om herleidbaarheidsproblemen in de toekomst te voorkomen. Zo adviseert het bureau het ministerie aan te dringen op publicatie als Restricted Use File (RUF) in plaats van een vrij toegankelijke PUF. Onderzoekers zouden dan een aanvraag moeten indienen en zich moeten committeren aan verantwoord gebruik.
Verder wordt aanbevolen deelnemers voortaan niet langer te informeren dat hun gegevens “anoniem” worden verwerkt, maar duidelijk uit te leggen wat pseudonimisering inhoudt. Ook pleit het rapport voor het vermijden van vragen met hoge entropie, zoals exacte leeftijden of specifieke werkervaringen, en voor een strengere ethische toets bij toekomstig onderzoek onder minderjarigen (zoals het bekende PISA-onderzoek).
Het rapport biedt OCW daarmee niet alleen een oordeel over de lopende kwestie, maar ook bouwstenen voor een structureel privacybeleid bij toekomstig internationaal onderwijsonderzoek.
