1 INLEIDING
1. Deze richtsnoeren verschaffen een gedegen analyse van het begrip “toestemming” in de AVG. Het in de richtlijn gegevensbescherming (Richtlijn 95/46/EG) en in de e-privacyrichtlijn gehanteerde begrip “toestemming” is geëvolueerd. In de AVG zijn de vereisten voor het verkrijgen en aantonen van geldige toestemming nader toegelicht en gespecificeerd. Deze richtsnoeren gaan op die veranderingen in. Ze bieden een praktische leidraad om te zorgen voor naleving van de AVG en bouwen voort op Advies 15/2011 over de definitie van “toestemming” van de Groep artikel 29. Verwerkingsverantwoordelijken moeten nieuwe oplossingen vinden die met de wetgeving stroken en de bescherming van persoonsgegevens en de belangen van de betrokkenen beter ondersteunen.
2. Toestemming blijft een van de zes rechtsgronden voor de verwerking van persoonsgegevens, zoals beschreven in artikel 6 AVG2 . Bij het opzetten van activiteiten die verwerking van persoonsgegevens omvatten, moet een verwerkingsverantwoordelijke altijd de tijd nemen om na te gaan wat de passende rechtsgrond is voor de geplande verwerking.
3. In het algemeen kan toestemming alleen een passende rechtsgrond zijn als een betrokkene controle kan uitoefenen en echt een keuze heeft met betrekking tot het accepteren of afwijzen van de aangeboden voorwaarden of het afwijzen ervan zonder nadeel. Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke om toestemming verzoekt, heeft hij de plicht om na te gaan aan alle vereisten voor het verkrijgen van geldige toestemming is voldaan. Indien de toestemming geheel overeenkomstig de AVG wordt verkregen, is toestemming een instrument dat de betrokkenen controle geeft over het al dan niet verwerken van hun persoonsgegevens. Indien dit niet het geval is, is deze controle van de betrokkene slechts schijn, en geen geldige grond voor verwerking, waardoor de verwerkingsactiviteiten onrechtmatig worden.
Lees verder: Richtsnoeren 05/2020 inzake toestemming overeenkomstig Verordening 2016/679
.
