Een man die door veiligheidsregistraties naar eigen zeggen problemen ondervindt bij internationale reizen, krijgt geen extra informatie van de Passagiersinformatie-eenheid Nederland (Pi-NL). Dat heeft de rechtbank Amsterdam beslist. De rechter erkent dat zijn situatie ernstig is, maar oordeelt dat niet is gebleken dat Pi-NL meer persoonsgegevens van hem heeft dan de organisatie al heeft laten zien.

De zaak draait om een man die wilde weten welke persoons- en politiegegevens er over hem worden bijgehouden. Hij vroeg onder meer om inzage in mogelijke registraties voor terrorismebestrijding, signaleringen in het Europese veiligheidssysteem (SIS) en de uitwisseling van zijn gegevens met Nederlandse en buitenlandse instanties.
De man stelde dat hij, hoewel hij nergens formeel van wordt verdacht, ernstige problemen ondervindt als hij naar het buitenland reist. Zo mag hij Turkije niet in, staat hij op een Amerikaanse vliegverbodslijst (no fly list) en werd hij eerder door de gemeente Amsterdam extra in de gaten gehouden.
Hij vermoedt dat Nederlandse informatie hierin een rol speelt. Door te achterhalen welke instanties gegevens over hem verwerken, wil hij eventuele foutieve registraties laten corrigeren of wissen.
De minister van Justitie en Veiligheid gaf hem een overzicht van de passagiersgegevens die reisdata-eenheid Pi-NL over hem verwerkt. Volgens de minister zijn die gegevens niet met andere instanties gedeeld. Pi-NL heeft bovendien geen zicht op eventuele opname van de man in andere registers, zoals de antiterreur-registratie (CTER) of het Landelijk Overzicht Politie Jihadgang (LOP).
De rechtbank benadrukt dat de zaak raakt aan belangrijke grondrechten. Zij verwijst daarbij naar kritiek van de Nationale ombudsman op geheime antiterreurlijsten. Juist wanneer de overheid vanwege de nationale veiligheid niet volledig openheid van zaken kan geven, moeten de controle en de rechten van de burger volgens de ombudsman extra goed geregeld zijn.
Ook de rechtbank ziet dat de problemen van de man met het verstrekte overzicht niet zijn opgelost. Zij sluit niet uit dat Nederlandse informatie meeweegt bij zijn problemen in het buitenland. Het is ook mogelijk dat hij op een antiterreurlijst heeft gestaan en dat die informatie bij buitenlandse autoriteiten terecht is gekomen.
Dat betekent volgens de rechtbank echter niet dat de minister in deze specifieke zaak verder onderzoek moet doen. Pi-NL heeft een beperkte wettelijke taak en de minister heeft helder onderbouwd dat deze eenheid simpelweg niet over de gezochte informatie beschikt.
Volgens de vaste regels in het recht is het in zo’n geval aan de burger om aannemelijk te maken dat er tóch meer gegevens zijn verwerkt. Daarin is de man volgens de rechtbank niet geslaagd; er zijn geen concrete aanwijzingen dat Pi-NL meer gegevens over hem heeft.
De man krijgt daardoor geen gelijk. De uitspraak legt wel een dieper liggend probleem bloot: een burger kan erg veel last hebben van veiligheidsregistraties, terwijl het extreem lastig is om te achterhalen bij welke instantie de gegevens precies liggen en waar hij zijn recht kan halen.