Gegevens over een bedrijf kunnen óók als politiegegevens worden aangemerkt wanneer zij rechtstreeks te herleiden zijn tot een natuurlijke persoon. Dat oordeelde de Rechtbank Amsterdam. Toch leidde die conclusie in deze zaak niet tot verwijdering van de gegevens: de betrokkene kon niet aantonen dat de informatie feitelijk onjuist was.

De zaak draaide om een horecaondernemer die een Drank- en Horecavergunning had aangevraagd. In opdracht van de gemeente stelde de politie hiervoor een persoonsscreeningsrapport op. Daarin stond een passage over een observatie bij zijn zaak: er zouden pakketjes zijn overgedragen aan een taxichauffeur, die later werd aangehouden voor drugshandel.
De ondernemer wilde deze passage laten verwijderen op grond van artikel 28 Wpg, dat betrokkenen onder voorwaarden het recht geeft om onjuiste politiegegevens te laten verwijderen. De korpschef wees dat verzoek af met het argument dat de passage alleen ging over de onderneming en de taxichauffeur, niet over persoonsgegevens van de ondernemer zelf. Artikel 28 Wpg zou daarom niet van toepassing zijn.
De rechtbank ging niet mee in het standpunt van de korpschef. Volgens de rechter viel het verwijderingsverzoek wél onder artikel 28 Wpg, omdat de gegevens ondanks hun betrekking op een bedrijf rechtstreeks naar de ondernemer waren te herleiden.
Met een verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de Wpg verduidelijkte de rechtbank dat gegevens over een rechtspersoon ook onder de Wpg kunnen vallen als zij herleidbaar zijn tot een natuurlijk persoon.
Hoewel de ondernemer in de specifieke zin over de observatie niet bij naam werd genoemd, bleek uit de rest van de alinea dat de passage onderdeel uitmaakte van een beschrijving van de verdenkingen tegen hem, waaronder het aansturen van straatdealers en een dubieuze financiering van de verbouwing van zijn zaak. Door deze context waren de gegevens rechtstreeks naar hem te herleiden.
Dat betekende echter niet dat de gegevens ook moesten worden verwijderd. Hoewel de rechtbank oordeelde dat artikel 28 Wpg van toepassing was, moest de ondernemer nog wel aannemelijk maken dat de politiegegevens feitelijk onjuist waren. Daarin slaagde hij niet.
De ondernemer voerde aan dat de observatie niet in zijn strafdossier stond en dus nooit had plaatsgevonden. Volgens de rechtbank is die enkele stelling onvoldoende. De politie mag in beginsel uitgaan van de juistheid van informatie die in een officieel proces-verbaal is vastgelegd. Wie stelt dat die informatie onjuist is, moet dat onderbouwen met objectief verifieerbaar bewijs. Omdat de ondernemer dat niet deed, bleef de afwijzing van zijn verwijderingsverzoek in stand.