De korpschef van politie heeft een verzoek om inzage in persoonsgegevens ten onrechte beoordeeld op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) in plaats van de Wet politiegegevens (Wpg). Dat oordeelt de rechtbank Overijssel. Omdat de verkeerde wettelijke grondslag is toegepast, vernietigt de rechtbank het besluit en moet de korpschef opnieuw op het verzoek beslissen.

De zaak begon met een verzoek van een burger om inzage in bevragingen van haar Burgerservicenummer (BSN) in de Basisregistratie Personen (BRP) over de periode 2016-2017. De korpschef twijfelde of het verzoek was gebaseerd op artikel 15 AVG of op artikel 25 Wpg en nam daarover telefonisch contact op met verzoekster.
Vervolgens beoordeelde de korpschef het verzoek op grond van de AVG en wees het af, omdat de betreffende persoonsgegevens volgens hem niet door de politie waren verwerkt. De verzoekster stelde echter dat vanaf het begin duidelijk was dat zij juist een verzoek op grond van de Wpg had ingediend. Zij verwees daarbij naar een eerder Wpg-verzoek waarop de politie al had beslist.
De rechtbank geeft verzoekster gelijk. Daarbij verwijst zij naar recente rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaruit volgt dat niet de naam die een verzoeker aan zijn verzoek geeft beslissend is, maar de inhoud en de context van het verzoek.
Volgens de rechtbank had de korpschef uit het verzoek moeten afleiden dat opnieuw werd gevraagd om een overzicht van politiegegevens over een andere periode. De verwijzing naar een eerder Wpg-verzoek maakte die bedoeling voldoende duidelijk. Bovendien was tijdens de procedure niet duidelijk geworden wat precies tijdens het telefoongesprek was besproken en waarom daaruit zou volgen dat verzoekster haar verzoek onder de AVG wilde laten beoordelen.
De rechtbank benadrukt daarnaast dat de verwerking van persoonsgegevens door de politie ten behoeve van haar politietaak niet onder de AVG valt, maar onder de Wpg. Die wet vormt voor dit soort verwerkingen een bijzondere regeling en gaat daarom voor op de meer algemene regels van de AVG.
Juist omdat er geen aanwijzingen waren dat verzoekster iets anders bedoelde, had de korpschef het verzoek volgens de rechtbank op grond van de Wpg moeten behandelen. Door dat niet te doen, is het besluit genomen op een onjuiste wettelijke grondslag.
Het beroep wordt daarom gegrond verklaard. De rechtbank vernietigt het besluit op bezwaar en herroept ook het oorspronkelijke besluit. Omdat tegen een beslissing op een Wpg-inzageverzoek geen bezwaar openstaat, moet de korpschef nu een nieuw primair besluit nemen, ditmaal met toepassing van de Wet politiegegevens en met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. Daarmee onderstreept de uitspraak dat bestuursorganen zorgvuldig moeten beoordelen welk juridisch regime op een inzageverzoek van toepassing is en niet uitsluitend mogen afgaan op de vermeende kwalificatie van de verzoeker.