In dit kort geding vorderen drie burgers dat de Staat een overeenkomst voor het technisch beheer van het Picard‑platform (o.a. DigiD en MijnOverheid) niet verlengt. Aanleiding is de voorgenomen overname van Solvinity door het Amerikaanse Kyndryl, waardoor volgens eisers persoonsgegevens onder Amerikaanse wetgeving kunnen vallen.
De Staat erkent dat risico’s bestaan, maar benadrukt dat de overeenkomst ziet op kritieke digitale overheidsinfrastructuur, waarvan de continuïteit moet worden gewaarborgd. De vorderingen worden afgewezen.
Centraal staat de vraag of de Staat onrechtmatig handelt door de overeenkomst te verlengen en mogelijk voort te zetten. De rechter toetst terughoudend: ingrijpen is alleen gerechtvaardigd bij evident (dreigend) onrechtmatig handelen, mede gezien de ruime beleidsvrijheid van de Staat bij vitale ICT‑voorzieningen.
De belangenafweging valt uit in het voordeel van de Staat. Doorslaggevend is dat beëindiging of niet‑verlenging op korte termijn onaanvaardbare risico’s oplevert voor de continuïteit en veiligheid van essentiële overheidsdiensten, terwijl een alternatief onvoldoende concreet is gemaakt. Privacyrisico’s worden erkend, maar zijn (nog) onvoldoende om onrechtmatigheid aan te nemen. Ten aanzien van een mogelijke ontbinding bij overname geldt dat artikel 30.3 ARBIT weliswaar een change‑of‑control‑ontbindingsbevoegdheid biedt, maar niet voorziet in gedeeltelijke ontbinding met voortzetting van de dienstverlening. De door eisers voorgestane constructie is daarom juridisch onzeker, afhankelijk van instemming van Solvinity en niet afdwingbaar. Daarnaast voert de Staat een risico gestuurd traject (driesporenbeleid) met Solvinity en Kyndryl.
Opvallend is dat de voorgenomen overname kort na deze uitspraak alsnog via het publiekrechtelijke spoor (WOZT/BTI) is verboden, de motivering hiervan is helaas niet openbaar. Waar de civiele rechter slechts marginaal toetst of sprake is van (dreigend) onrechtmatig handelen, en daarbij een hoge drempel hanteert, biedt de WOZT een zelfstandig, preventief toetsingskader waarin een overname vooraf kan worden beoordeeld op risico’s voor het publieke belang (zoals nationale veiligheid, continuïteit van vitale infrastructuur en dataveiligheid).
Dit betekent dat ingrijpen onder de WOZT al mogelijk is voordat concrete schade of onrechtmatigheid vaststaat, enkel op basis van een onderbouwde risico-inschatting. De casus laat daarmee zien dat waar de civielrechtelijke toets geen ruimte bood voor interventie, het publiekrechtelijke kader wél ruimte biedt voor ex ante ingrijpen bij potentiële risico’s. Tegelijkertijd rijst de vraag hoe consistent deze ingreep is, nu de Nederlandse overheid op grote schaal gebruik maakt van diensten van andere (met name Amerikaanse) IT‑leveranciers voor eveneens vitale infrastructuur. Tegen die achtergrond is het de vraag of het overnameverbod moet worden gezien als een structurele invulling van digitale soevereiniteit, of eerder als een casuïstische interventie waarbij vergelijkbare risico’s elders worden geaccepteerd.