Een man die meerdere keren Turkije niet binnenkwam, wilde weten of door Nederland verwerkte passagiersgegevens daarbij een rol speelden. De minister gaf hem inzage in zijn PNR-gegevens, maar volgens de man ontbrak informatie. De Raad van State oordeelt dat de minister voldoende heeft gezocht: wie stelt dat er toch meer gegevens zijn, moet dat aannemelijk kunnen maken.

De man ondervindt problemen wanneer hij naar het buitenland reist. Zo is hem meerdere keren de toegang tot Turkije geweigerd, waardoor hij zijn schoonfamilie niet kan bezoeken. Om te achterhalen of de Nederlandse overheid daarbij een rol speelt, vroeg hij de minister van Justitie en Veiligheid om inzage in zijn Passenger Name Records (PNR-gegevens).
De Passagiersinformatie-eenheid Nederland (Pi-NL) verwerkt dergelijke gegevens voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische en ernstige misdrijven. Op de verwerking zijn delen van de Wet politiegegevens (Wpg) van toepassing. Artikel 25 Wpg geeft betrokkenen onder meer het recht om te weten welke gegevens over hen worden verwerkt, waar die gegevens vandaan komen en of ze aan andere instanties zijn verstrekt.
De minister wees het inzageverzoek toe en verstrekte een overzicht van de registraties en meldingen waarin de PNR-gegevens van de man waren verwerkt. Volgens de registers waren zijn gegevens niet aan andere bevoegde instanties verstrekt.
De man vond dat niet voldoende. In het verstrekte overzicht ontbraken onder meer de PNR-gegevens van één vlucht. Ook stelde hij dat de oorspronkelijke zoekslag niet zorgvuldig was uitgevoerd, omdat de minister pas tijdens de beroepsprocedure aanvullende informatie bij hem had opgevraagd en daarmee opnieuw had gezocht.
Die aanvullende zoekslagen leverden echter geen nieuwe PNR-gegevens op. Volgens de minister zijn de gegevens van de ontbrekende vlucht mogelijk nooit in het systeem terechtgekomen. Rond de omzetting van de Europese PNR-richtlijn naar de Nederlandse PNR-wet zouden fouten zijn gemaakt, waardoor gegevens van deze vlucht mogelijk niet zijn verwerkt.
De Raad van State oordeelt dat dit niet betekent dat de minister het inzageverzoek onzorgvuldig heeft behandeld. Het oorspronkelijke verzoek bevatte voldoende informatie om in het systeem te kunnen zoeken. De minister hoefde daarom niet eerst aanvullende gegevens bij de man op te vragen.
Daarbij sluit de Raad van State aan bij eerdere rechtspraak over inzageverzoeken op grond van de Wpg. Als een bestuursorgaan na onderzoek stelt dat bepaalde persoonsgegevens niet of niet meer bij hem aanwezig zijn en die mededeling geloofwaardig is, ligt het in beginsel bij de verzoeker om aannemelijk te maken dat de gegevens er toch zijn.
Die regel geldt volgens de Raad van State ook voor PNR-gegevens. De man heeft geen concrete aanwijzingen aangedragen waaruit blijkt dat de minister over meer PNR-gegevens beschikt dan uit de zoekslagen naar voren zijn gekomen.
Dat de gegevens van één vlucht mogelijk door fouten bij de omzetting van de PNR-richtlijn nooit zijn verwerkt, verandert dat niet. De Raad van State formuleert het praktisch: de minister kan geen inzage geven in PNR-gegevens die hij niet heeft.
Ook de motivering van het oorspronkelijke besluit hield stand. Daarin stond dat de bestanden van Pi-NL waren geraadpleegd en dat uit de registers niet bleek dat de PNR-gegevens van de man aan andere bevoegde instanties waren verstrekt.
De Raad van State noemt die uitleg over de zoekslag weliswaar summier, maar vindt haar in deze zaak voldoende. Daarbij speelt mee dat de PNR-gegevens in één digitaal systeem worden verwerkt, de man voldoende informatie had verstrekt om daarin te zoeken en de latere zoekslagen evenmin aanvullende gegevens opleverden.
Het hoger beroep is daarom ongegrond. De uitspraak van de rechtbank Den Haag blijft in stand.