De minister van Asiel en Migratie mag individuele dossiers van vreemdelingen niet zomaar in hun geheel weigeren openbaar te maken — zeker niet als hij die dossiers zelf nooit heeft ingezien. Dat heeft de rechtbank Gelderland geoordeeld. De rechtbank verklaart het beroep van de eiser gegrond en geeft de minister twaalf weken de tijd om een nieuw besluit te nemen.

De kwestie draait om een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). De eiser vroeg begin 2024 om informatie over de manier waarop de minister omgaat met verzoeken tot opheffing van inreisverboden voor een specifieke groep: vreemdelingen op wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. Dit artikel sluit personen uit van vluchtelingenbescherming als er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan bijvoorbeeld oorlogsmisdaden of misdaden tegen de menselijkheid. Een inreisverbod dat op die grond is opgelegd, kan onder zeer bijzondere omstandigheden toch worden opgeheven — en over die specifieke praktijk ging het informatieverzoek.
De minister maakte in mei 2024 een deel van de gevraagde informatie openbaar, maar weigerde de onderliggende individuele dossiers van vreemdelingen vrij te geven. Ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het goed functioneren van de staat mochten die documenten niet op straat komen te liggen, zo luidde het verweer. Vreemdelingen die een procedure voeren bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) moeten erop kunnen vertrouwen dat hun gegevens vertrouwelijk worden behandeld.
De rechtbank maakt echter korte metten met die redenering. Het fundamentele probleem is dat de minister de dossiers heeft geweigerd zonder ze daadwerkelijk te hebben bekeken. Daardie blinde weigering kan hij niet deugdelijk beoordelen welke specifieke delen van de dossiers nu echt privacygevoelig zijn en welke delen wellicht wel openbaar kunnen worden gemaakt, bijvoorbeeld na anonimisering.
De rechtbank benadrukt dat het hier gaat om een zeer beperkt aantal dossiers, namelijk alleen de zaken waarin een verzoek tot opheffing van het inreisverbod daadwerkelijk is ingewilligd. Juist omdat het om zo’n selecte groep gaat, mag van de minister worden verwacht dat hij deze dossiers stuk voor stuk doorneemt en per document beoordeelt wat wel en niet openbaar kan. Bovendien moet een rechter in een eventuele beroepsprocedure kunnen toetsen of een weigering terecht is. Dat is onmogelijk als het bestuursorgaan al bij voorbaat, zonder inhoudelijke beoordeling, de volledige ordners gesloten houdt.
Op één punt krijgt de eiser geen gelijk. Hij stelde dat de minister onvoldoende inzichtelijk had gemaakt hóé er precies naar de documenten was gezocht. De rechtbank oordeelt dat de minister die zoekslag wel voldoende heeft toegelicht — zowel in het besluit als tijdens de zitting. De eiser kon niet aannemelijk maken dat er achter de schermen nóg meer documenten over dit onderwerp hadden moeten liggen.
De rechtbank vernietigt het besluit van de minister voor zover het de algehele weigering van de individuele dossiers betreft. De minister moet nu binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen en de dossiers ditmaal wél daadwerkelijk inhoudelijk beoordelen.
Tegen de uitspraak kan nog binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.