Wie gebruik wil maken van zijn privacyrechten, moet wel kunnen aantonen dat hij daadwerkelijk degene is die het verzoek indient. De rechtbank Amsterdam heeft een beroep tegen de gemeente Diemen niet-ontvankelijk verklaard omdat ernstige twijfel bestond over de identiteit van de verzoeker. Daardoor kwam de rechtbank niet eens toe aan een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep op het AVG-inzagerecht.

De zaak begon met een verzoek van een inwoner om inzage te krijgen in persoonsgegevens die de gemeente Diemen over hem zou verwerken. De gemeente weigerde het verzoek in behandeling te nemen nadat was vastgesteld dat de handtekening onder het verzoek afweek van de handtekening op het meegestuurde identiteitsbewijs.
Om de identiteit van de verzoeker vast te stellen vroeg de gemeente hem om zich persoonlijk te identificeren op het gemeentehuis, het verzoek via DigiD in te dienen of een gewaarmerkte kopie van zijn identiteitsbewijs te verstrekken. Aan geen van deze verzoeken werd gehoor gegeven.
In beroep ontstond nog meer twijfel over de identiteit van de verzoeker. Volgens de rechtbank verschilden de handtekeningen op het bezwaarschrift, een latere brief en de machtiging aan zijn gemachtigde aanzienlijk van elkaar.
De rechtbank constateerde dat sprake was van drie verschillende handtekeningen. Omdat zowel de verzoeker als zijn gemachtigde zonder bericht niet verschenen op de zitting, bleef de twijfel bestaan.
De rechter ging zelfs zo ver om in de uitspraak te spreken van een “beweerdelijk gemachtigde”, omdat ook de authenticiteit van de machtiging niet kon worden vastgesteld.
Volgens de rechtbank kon niet worden vastgesteld dat het beroep daadwerkelijk was ingesteld door de persoon op wiens naam het stond. Daardoor kon evenmin worden vastgesteld dat sprake was van een belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
Dat had verstrekkende gevolgen. Omdat de identiteit van de indiener niet vaststond, werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank kwam daardoor niet toe aan de vraag of de gemeente het inzageverzoek terecht buiten behandeling had gesteld.
De uitspraak onderstreept dat organisaties bij AVG-verzoeken aanvullende verificatiemaatregelen mogen treffen wanneer er redelijke twijfel bestaat over de identiteit van de verzoeker. Artikel 12 lid 6 AVG biedt hiervoor expliciet ruimte.
Tegelijkertijd laat de zaak zien dat identiteitsvaststelling niet alleen een rol speelt bij de behandeling van AVG-verzoeken door organisaties, maar ook bij procedures voor de bestuursrechter. Zonder voldoende zekerheid over de identiteit van de verzoeker kan een beroep op privacyrechten stranden voordat de inhoud van de zaak wordt beoordeeld.