Een man die bij het ministerie van Financiën had gesolliciteerd en de naam wilde weten van de ambtenaar die zijn sollicitatie had afgewezen, vangt bot bij de rechtbank Rotterdam. In een uitspraak van 6 mei 2026 oordeelt de rechtbank dat het recht op inzage onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) daar geen grondslag voor biedt.

De eiser had in januari 2023 een verzoek ingediend op grond van artikel 15, derde lid van de AVG. Zijn doel was helder: hij wilde weten wie bij het ministerie verantwoordelijk was voor de afwijzing van zijn sollicitaties. Het ministerie weigerde die informatie aanvankelijk zelfs inhoudelijk te behandelen, maar keerde na bezwaar terug op die beslissing. Alsnog werd het verzoek afgewezen, ditmaal met een inhoudelijke motivering: de naam van de betreffende medewerker is geen persoonsgegeven van de eiser, en valt daarmee buiten het bereik van het inzagerecht.
De rechtbank volgt die redenering. Artikel 15, eerste lid van de AVG geeft betrokkenen het recht om inzage te krijgen in hun eigen persoonsgegevens en niet in die van anderen. De naam van een medewerker is een persoonsgegeven van dié medewerker, niet van de sollicitant. De AVG biedt simpelweg geen grondslag om persoonsgegevens van derden te verstrekken via een inzageverzoek.
De eiser had zich ook beroepen op een arrest van het Europese Hof van Justitie van 12 januari 2023, maar de rechtbank ziet daarin geen aanleiding voor een ander oordeel. Ook het argument dat hij zonder de naam van de ambtenaar niet kan controleren of zijn persoonsgegevens rechtmatig zijn verwerkt, snijdt geen hout. De rechtbank stelt vast dat de naam en functie van de beslisser gewoon onderaan het primaire besluit stonden vermeld, en dat in de bezwaarprocedure ook duidelijkheid is gegeven over de samenstelling van de hoorcommissie.
Opmerkelijk is dat de eiser in zijn beroepschrift ook aanvoerde dat afwijzingsmails en beoordelingsaantekeningen persoonsgegevens in de zin van de AVG zijn. Een stelling die juridisch wel degelijk interessant is. De rechtbank laat die vraag echter onbeantwoord, omdat eisers oorspronkelijke verzoek daar niet op zag. Die kwestie wordt in een aparte procedure behandeld.
Het beroep wordt ongegrond verklaard. De eiser krijgt het griffierecht niet terug en ontvangt geen proceskostenvergoeding. Hij heeft zes weken de tijd om hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.