Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:GHAMS:2026:199

Afwijzing gezag en omgang voor vader na te zijn vervolgd voor vervaardigen kinderpornografische afbeeldingen van zijn kinderen en ontucht met een van hen.

Gerechtshof Amsterdam 6 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:GHAMS:2026:199 text/xml public 2026-05-06T14:32:19 2026-01-27 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2026-01-27 200.355.224/01 Uitspraak Hoger beroep Beschikking NL Amsterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:199 text/html public 2026-05-06T14:29:45 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2026:199 Gerechtshof Amsterdam , 27-01-2026 / 200.355.224/01
Afwijzing gezag en omgang voor vader na te zijn vervolgd voor vervaardigen kinderpornografische afbeeldingen van zijn kinderen en ontucht met een van hen.
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.355.224/01

zaaknummer rechtbank: C/15/331787/FA RK 22-4224

beschikking van de meervoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak van

[de vader] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoeker in principaal hoger beroep,

verweerder in incidenteel hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. J.J.M. Kleiweg te Amsterdam,

en

[de moeder] ,

wonende te [plaats A] ,

verweerster in principaal hoger beroep,

verzoekster in incidenteel hoger beroep,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. M.E. Groot te Heerhugowaard.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );

- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ).

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

hierna: de raad.
1De zaak in het kort 1.1
De zaak gaat over het gezag over en omgang van de vader met [minderjarige 1] (9 jaar) en [minderjarige 2] (6 jaar) (hierna: de kinderen).
1.2
De rechtbank heeft het verzoek van de moeder om alleen het gezag te krijgen, toegewezen. Een beslissing over de omgangsregeling is aangehouden. De moeder wil in hoger beroep dat wordt bepaald dat de vader geen omgang met de kinderen heeft.

De vader is het daar niet mee eens en wil het gezamenlijke gezag behouden. Ook wil hij dat nader onderzoek wordt gedaan naar de mogelijkheden van een omgangsregeling met de kinderen.
2De procedure in hoger beroep 2.1
De vader is op 27 mei 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de bestreden beschikking) van 14 maart 2025.
2.2
De moeder heeft op 9 juli 2025 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De vader heeft op 11 augustus 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:

- een bericht van de vader van 13 juni 2025, met bijlagen;

- een bericht van de vader van 17 juni 2025;

- een bericht van de vader van 14 juli 2025 met bijlage;

- een bericht van de vader van 17 juli 2025;

- een bericht van de vader van 29 september 2025;

- een bericht van de moeder van 30 september 2025;

- een bericht van de raad van 30 september 2025;

- een bericht van de moeder van 9 oktober 2025, met bijlage;

- een bericht van de moeder van 27 november 2025, met bijlage;

- een bericht van de vader van 1 december 2025.
2.4
Het hof heeft [minderjarige 1] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat hij van de zaak vindt. Hij heeft per brief zijn mening kenbaar gemaakt. De voorzitter heeft op de zitting de inhoud van de brief kort en zakelijk weergegeven.
2.6
De zitting heeft op 12 december 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door V. Aelbers.

Beide advocaten hebben een pleitnotitie overgelegd.
3De feiten 3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] , geboren [in] 2016 te [plaats A] ;

- [minderjarige 2] , geboren [in] 2019 te [plaats B] .

De ouders zijn met elkaar getrouwd [in] 2013. Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is op 26 juni 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De ouders hadden tot aan de bestreden beschikking samen het gezag over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder.
3.2
De vader heeft van 22 juli 2022 tot 8 december 2022 in voorlopige hechtenis gezeten op verdenking van strafbare feiten op het gebied van zeden. Bij de schorsing van de voorlopige hechtenis is als voorwaarde opgelegd dat de vader op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal hebben of zoeken met zijn kinderen en zich niet binnen een straal van 50 meter rondom zijn huisadres in [plaats A] zal bevinden.
3.3
De vader is bij vonnis van de rechtbank van 7 november 2023 veroordeeld tot – voor zover hier van belang – een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaar, wegens bezit en vervaardiging van kinderporno, waaronder pornografisch materiaal van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , terwijl van deze misdrijven een gewoonte werd gemaakt, en wegens het plegen van ontucht met [minderjarige 2] . Ook is aan de vader, naast de bijzondere voorwaarden van reclasseringscontact en behandeling door De Waag, een contactverbod opgelegd met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en een locatieverbod met betrekking tot hun school voor de duur van één jaar. Deze voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard, zodat die periode van een jaar inmiddels al verstreken is. De vader heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
3.4
De raad heeft in zijn rapport van 14 december 2023 geadviseerd om de vader te verbieden contact te hebben met de kinderen omdat omgang ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de kinderen, de vader kennelijk ongeschikt moet worden geacht tot omgang en omgang anderszins in strijd met zwaarwegende belangen van de kinderen is.
3.5
Bij kort gedingvonnis van de rechtbank van 11 december 2024 is – op verzoek van de moeder – aan de vader een contactverbod opgelegd met de kinderen en de moeder en een locatieverbod met betrekking tot de school van de kinderen, totdat in de echtscheidingsprocedure onherroepelijk is beslist over het gezag en de omgang, echter maximaal voor de duur van twee jaar.
4De omvang van het hoger beroep 4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en de moeder voortaan met de uitoefening van het gezag over de kinderen belast. Verder is de raad verzocht onderzoek te verrichten ter beantwoording van de vraag of het belang van de minderjarigen zich tegen contactherstel verzet en zo dit niet het geval is, op welke manier het beste aan contactherstel kan worden gewerkt en de rechtbank daarover te adviseren. Daartoe is de procedure op dit onderdeel aangehouden.
4.2
De vader verzoekt in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag af te wijzen en het gezamenlijk gezag in stand te laten.
4.3
De moeder verzoekt in principaal hoger beroep het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

In incidenteel hoger beroep verzoekt de moeder te bepalen dat de vader het recht op omgang met de kinderen van partijen dient te worden ontzegd dan wel de door de vader verzochte zorgregeling tussen hem en de kinderen af te wijzen, althans een beslissing te nemen die het gerechtshof in het belang van de kinderen acht.
4.4
De vader verzoekt in incidenteel hoger beroep de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidenteel appel, dan wel haar verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen voor wat betreft de aanhouding van de beslissing over de zorgregeling, in afwachting van nader onderzoek door de raad.
5De motivering van de beslissing
In principaal hoger beroep: gezag

het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:251 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de ouders die gezamenlijk het gezag hebben na ontbinding van het huwelijk dit gezag gezamenlijk blijven uitoefenen.

Uit artikel 1:251a BW volgt dat de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van één van hen kan bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

de standpunten
5.2
De vader kan zich niet verenigen met de bestreden beschikking ten aanzien van de beslissing over het gezag. Hij is van mening dat de rechtbank ten onrechte de moeder heeft belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen van partijen en ten onrechte de raad niet heeft gevolgd in het advies om de kwestie van het gezag te onderzoeken in een nieuw te starten (verkort) onderzoek. Partijen hebben volgens de vader altijd een gelukkig huwelijk gehad. De vader had een groot aandeel in de zorg voor de kinderen tot aan zijn aanhouding in juli 2022. Er is geen sprake van dat de vader kinderpornografisch materiaal heeft verspreid en ook is onjuist dat hij onderdeel zou uitmaken van een kinderpornografienetwerk. De vader denkt dat het strafvonnis in eerste aanleg invloed heeft gehad op de beeldvorming bij zowel de moeder als de raad. Hij wijst er echter op dat het reclasseringsrapport en de brief van zijn behandelaar van december 2024 een genuanceerder en realistischer beeld geven van zijn persoon en intenties.

De vader wil heel graag contactherstel met de kinderen en staat open voor elke vorm van contact, dan wel elke vorm van begeleiding om dit mogelijk te maken. Ook wenst de vader mee te werken aan trajecten om ervoor te zorgen dat de moeder weer vertrouwen in de vader krijgt en partijen weer in staat zijn om, net als voor de aanhouding van de vader, met elkaar te communiceren in het belang van de kinderen. De vader herkent zich niet in het beeld dat de moeder van hem heeft geschetst tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank. De vader zal te allen tijde toestemming verlenen aan de moeder ten behoeve van de kinderen. Er heeft zich de afgelopen jaren nooit een situatie voorgedaan met betrekking tot de kinderen, waarbij de vader toestemming heeft geweigerd.
5.3
De moeder betwist de stelling van de vader dat sprake was van een gelukkig huwelijk. Volgens haar maakte de vader zich structureel schuldig aan verbaal geweld en gebruikte hij veel alcohol, waardoor sprake was van een onveilige en instabiele gezinssituatie. Binnen het huwelijk bestond een traditionele rolverdeling: de vader werkte fulltime, terwijl de moeder de zorg voor de kinderen en het huishouden op zich nam. De vader toonde daarbij weinig betrokkenheid bij de kinderen. De moeder wijst erop dat de vader is veroordeeld wegens seksueel misbruik van zijn eigen kinderen en het bezit en vervaardigen van kinderpornografisch materiaal. De vader blijft deze feiten ontkennen, wat volgens de moeder duidt op een gebrek aan erkenning en verantwoordelijkheid. Zij stelt dat het gezamenlijk gezag niet langer uitvoerbaar is vanwege het volledig ontbrekende vertrouwen en het feit dat de vader al ruim drie jaar geen rol meer speelt in het leven van de kinderen. Daarnaast gebruikt de vader zijn gezag volgens de moeder als machtsmiddel, door zonder redelijke grond zijn toestemming te weigeren voor onder meer de verlenging van identiteitsdocumenten en buitenlandse reizen van de kinderen. De moeder stelt dat het gezag bij de vader geen betekenis meer heeft en dat het, gelet op de bewezen ernstige schade die hij de kinderen heeft toegebracht, volstrekt onaanvaardbaar is dat hij medebeslissingsrecht behoudt.

het advies van de raad
5.4
Tijdens de zitting in hoger beroep heeft de raad zich gerefereerd aan het oordeel van het hof over het gezag. Hierbij werden de volgende aandachtspunten aangestipt. Gezag gaat over het mogen en moeten nemen van belangrijke beslissingen. Om die beslissingen te kunnen nemen is actuele informatie nodig, waarbij het van belang is aan te sluiten bij wat voor de kinderen belangrijk is. Zelfs al zou de vader genoeg informatie hebben, dan moet het ook nog mogelijk zijn voor de ouders om overleg met elkaar te hebben. De raad kan feitelijk vaststellen dat het krijgen en hebben van actuele informatie op dit moment niet mogelijk is, nu er geen contact tussen de ouders is en de informatieoverdracht van de moeder naar de vader niet plaatsvindt. De raad ziet daarom niet hoe overleg over gezagsbeslissingen ingevuld zou moeten worden.

de beoordeling door het hof
5.5
Het hof stelt vast dat er sinds de aanhouding van de vader op 22 juli 2022 geen enkel contact meer is tussen de vader en de moeder en tussen de vader en de kinderen. Er liep tot 7 november 2024 een strafrechtelijk contactverbod tussen de vader en de kinderen. Sindsdien geldt een door de civiele rechter opgelegd contactverbod: de vader mag voor een periode van maximaal twee jaar na 11 december 2024 geen contact hebben met de kinderen en de moeder. De reden voor het opleggen van dat verbod is enerzijds de nog altijd bestaande strafrechtelijke verdenking tegen de vader, en anderzijds de omstandigheid dat de vader er geen blijk van geeft het laakbare in te zien van de ook door hem toegegeven handelingen met betrekking tot het maken van bepaalde foto’s van de kinderen. Het hof is van oordeel dat hervatting van het contact met de vader onder de huidige omstandigheden niet van de moeder kan worden gevergd, nu zij geen enkel vertrouwen in hem heeft sinds het ontstaan van de verdenkingen. Gelet op de aard en de ernst van die omstandigheden kan niet verwacht worden dat deze situatie binnen afzienbare tijd verbetert, ook niet als de definitieve beslissing in de strafzaak van de vader anders zou uitvallen dan in eerste aanleg. Voor het gezamenlijk nemen van gezagsbeslissingen is de mogelijkheid van overleg en dus in elk geval enig contact tussen de ouders noodzakelijk. Nu die mogelijkheid er feitelijk niet is, is het nemen van gezamenlijke gezagsbeslissingen niet aan de orde.

Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat de rechtbank op goede grond, te weten het onaanvaardbare risico dat de kinderen klem en verloren zullen raken, wijziging van het gezag in het belang van de kinderen noodzakelijk heeft geacht, in die zin dat is bepaald dat het eenhoofdig gezag aan de moeder toekomt. Het hof zal de beschikking op dit punt bekrachtigen.

In incidenteel hoger beroep: omgang

het wettelijk kader
5.6
Uit artikel 1:377a, eerste en tweede lid, BW volgt dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel het recht op omgang ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd. Uit het derde lid volgt dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, ofc. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

de standpunten
5.7
De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte niet direct haar verzoek heeft toegewezen om de vader het recht op omgang te ontzeggen, maar aan de raad heeft verzocht onderzoek te verrichten ter beantwoording van de vraag of het belang van de kinderen zich tegen contactherstel verzet en als dit niet het geval is, op welke manier het beste aan contactherstel kan worden gewerkt en de rechtbank daarover te adviseren. De raad heeft immers al een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek verricht, dat meerdere maanden heeft geduurd. De conclusie van de raad is dat het recht op omgang van de vader met de kinderen moet worden ontzegd, ongeacht de uitkomst van de hoger beroepszaak. Het is volgens de moeder onbegrijpelijk dat de rechtbank heeft nagelaten hierover een eindbeschikking te geven. Zij wijst erop dat de reclassering en De Waag in hun positieve rapporten over de vader onvoldoende rekening houden met de langetermijngevolgen van mogelijk contactherstel, wat ernstige psychische schade bij de kinderen kan veroorzaken.
5.8
De vader voert aan dat nader onderzoek door de raad noodzakelijk is, gegeven de rapportage van de reclassering en De Waag die pas na het vorige raadsonderzoek is uitgebracht en waaruit geen contra-indicaties blijken voor herstel van het contact. Uit het raadsonderzoek blijkt dat Preventieve Jeugdbescherming (PJ) ernstige zorgen heeft over het feit dat de moeder de vader volledig buitensluit uit het leven van de kinderen en zich negatief over hem uitlaat naar de kinderen. De moeder weigert bovendien contact met de grootouders vaderszijde, die altijd substantieel hebben bijgedragen aan de zorg voor de kinderen. Volgens PJ leidt dit ertoe dat de kinderen een deel van zichzelf afwijzen, hetgeen schadelijke gevolgen kan hebben voor hun ontwikkeling. Verder acht de vader het onbegrijpelijk dat de raad heeft geconcludeerd dat hem het recht op omgang moet worden ontzegd, zelfs als hij in de strafzaak zou worden vrijgesproken. Daarom is het ook van belang dat andere raadsmedewerkers dit onderzoek uitvoeren. De vader stelt dat dit advies niet alleen hem tekortdoet, maar ook de belangen van de kinderen schaadt, die recht hebben op contact met hun vader. Sinds juli 2022 hebben de kinderen geen contact meer gehad met de vader, terwijl hij gedurende hun jonge levens een belangrijke rol heeft gespeeld in hun verzorging en opvoeding en er sprake was van een sterke hechtingsband. De vader staat open voor elke vorm van contactherstel en is bereid alle benodigde begeleiding te accepteren, mede met het doel het vertrouwen van de moeder terug te winnen en de communicatie in het belang van de kinderen te herstellen.
5.9
[minderjarige 1] heeft het hof in een brief laten weten dat hij geen omgang wil met de vader. Hij wil “de rust zoals het nu is.”

het advies van de raad
5.10
Tijdens de zitting in hoger beroep heeft de raad verwezen naar het rapport van 14 december 2023, waarin na uitgebreid onderzoek negatief werd geadviseerd over de omgang tussen de vader en de kinderen, ongeacht de uiteindelijke beslissing in de strafzaak. Recent intern overleg bij de raad heeft geleid tot de conclusie dat dit advies ook nu nog geldt; nader onderzoek wordt niet nodig geacht. Bij dat overleg is ook aandacht besteed aan de inhoud van de stukken van de reclassering en De Waag waarnaar de vader verwijst. Die stukken zien op de mogelijkheden tot contact voor de vader, maar niet op de specifieke belangen van de kinderen. Die zijn te jong om te begrijpen waarom ze nu al een tijd geen contact met de vader hebben. Dat contact kan nu ook niet hersteld worden. De raad acht het wel van belang dat zij uiteindelijk te horen krijgen waarom het contact is verbroken, op een leeftijd dat ze dat kunnen bevatten. Naar verwachting is dat zo rond hun dertiende of veertiende levensjaar.

de beoordeling door het hof
5.11
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat in dit stadium en op basis van de nu beschikbare gegevens al wel kan worden beslist over de omgang tussen de vader en de kinderen. De raad heeft het eerder gegeven schriftelijke advies van 14 december 2023 gehandhaafd en acht nader onderzoek niet nodig, ook al zijn er sindsdien rapporten verschenen van de reclassering en De Waag die een genuanceerder beeld van de actuele toestand van de vader schetsen. Voor het hof is van belang dat uit laatstgenoemde rapportages weliswaar een positievere indruk van de vader blijkt, en zijn belang bij contactherstel wordt benoemd. Daarbij wordt echter – op basis van hun specifieke expertise en invalshoek: logischerwijze – vooral aandacht besteed aan dat specifieke belang van de vader en niet in eerste instantie geredeneerd vanuit de invalshoek van het belang van de kinderen. Dat belang van de kinderen is door de raad in het rapport en in de heroverweging ervan wel meegewogen en dient voor het hof centraal te staan, gezien het beoordelingskader van artikel 1:377a BW. Uitgangspunt daarbij is het recht van de kinderen om met beide ouders omgang te hebben, maar ook moet worden beoordeeld of er reden is om het recht op omgang te ontzeggen. Het hof is van oordeel dat daar in dit geval reden voor is en overweegt daartoe als volgt.

In het raadsrapport van 14 december 2023 schrijft de raad (op pagina 24):

“De RvdK maakt zich (…) nog wel terdege zorgen over dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op zeer jonge leeftijd te maken hebben gekregen met seksueel misbruik door hun eigen vader, die had moeten fungeren als vertrouwenspersoon in hun leven. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn daardoor ook ineens geconfronteerd met het verlies van het contact met hun vader. En er wordt niet meer over vader gepraat thuis. De RvdK kan zich indenken dat dit (nog steeds) verwarrend voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is en maakt zich zorgen over het effect hiervan op de ontwikkeling van de kinderen op korte termijn en in de toekomst. (…) De RvdK maakt zich daarin wel zorgen over wat dat door vader is gedaan voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ’s zelfbeeld zal betekenen, en ook wat het betekent voor hun eigen seksuele ontwikkeling en het durven ontdekken van hun eigen seksualiteit als zij wat ouder zijn.”

De raad gaat er hier, naar het hof begrijpt, van uit dat hetgeen waarvan de vader wordt beschuldigd ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. In het rapport (op pagina 8) is daar ook wel een aanknopingspunt voor, nu de vader tijdens zijn gesprek met de raad verschillende foto’s aan de raadsonderzoekers heeft laten zien, waarop zijn beide kinderen ontbloot zijn afgebeeld. Het gaat klaarblijkelijk om foto’s waarop de strafrechtelijke beschuldigingen zijn gebaseerd en waarvan de vader zelf tegen de raadsonderzoekers heeft gezegd dat hij de foto’s heeft gemaakt. Hoewel de vader de strafrechtelijke implicaties anders interpreteert dan het openbaar ministerie en de rechter in eerste aanleg (vandaar zijn hoger beroep) borduurt de raad in zijn advies voort op de poses waarin de vader zijn kinderen ook naar eigen zeggen heeft vastgelegd en de implicaties van de omstandigheid dat de vader daar geen kwaad in ziet.

De raad vervolgt (pagina 25):

“De RvdK vindt het daarnaast een grote zorg dat vader nog steeds grensoverschrijdend in zijn gedrag blijft door blootfoto's van de kinderen te laten zien aan hulpverleners en ook aan de raadsonderzoekers, om de onschuld van de blootfoto's te bewijzen vanuit de zogenaamde "gezinscultuur". Vader geeft [er] hiermee geen blijk van dat hij beseft wat het maken en delen van dit soort foto's voor de kinderen kan betekenen.” (…)

“Een grote zorg blijft echter dat vaders reclasseerder aangeeft dat hij de indruk heeft dat vader zich (zelfs anderhalf jaar na de aanhouding) niet bewust is van de ernst van de situatie.”

Het hof deelt de zorgen van de raad. Los van de uiteindelijke beslissing in de strafzaak kan als vaststaand worden aangenomen dat de vader de kinderen veelvuldig heeft gefotografeerd, waaronder naakt en in de poses die in het raadsrapport worden beschreven, en deze foto’s bleef tonen aan anderen om zijn ‘gelijk’ aan te tonen. Ook zonder een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling hiervoor, is het hof van oordeel dat dit gedrag van de vader dermate grensoverschrijdend is dat omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de kinderen.

Daarnaast acht het hof van belang dat er sinds de aanhouding van de vader geen enkel contact tussen hem en de kinderen is geweest. Uit het raadsadvies volgt dat de beide kinderen nu nog niet op een leeftijd zijn waarop zij zich een afgewogen beeld kunnen vormen van de vader. Zij zijn na een turbulente tijd in een fase gekomen waarin zij rust hebben binnen het gezin en vriendjes maken. Die rust, ook door [minderjarige 1] genoemd in zijn brief aan het hof, moet nu niet worden verstoord. In de afweging van de belangen van de kinderen bij rust in hun opvoedingssituatie en een confrontatie met de vader en zijn problematiek op een moment dat past bij hun leeftijd enerzijds, en het belang van de vader bij contact met zijn kinderen anderzijds, laat het hof de belangen van de kinderen het zwaarst wegen. Omgang zou in strijd zijn met deze zwaarwegende belangen van de kinderen.

Het hof zal dan ook het raadsadvies volgen in die zin dat de vader het recht op omgang wordt ontzegd.
5.12
Het hof overweegt tot slot dat de rust die de kinderen nu ervaren gewaarborgd dient te zijn zo lang zij nog niet de leeftijd hebben waarop hun moeder ze, in het kader van haar verzorgende taken, kan vertellen over de persoon die hun vader is. Het hof gaat ervan uit dat zij dit te zijner tijd zal doen op een neutrale manier, waarbij de kinderen zich op basis van deze informatie zelf een beeld van hun vader kunnen vormen en als zij dat willen contact met hun vader kunnen zoeken.

aanhoudingsverzoek
5.13
De vader heeft het voor de zitting in hoger beroep gedane aanhoudingsverzoek tijdens de zitting van 12 december 2025 herhaald. Hij verzoekt deze zaak aan te houden, aangezien de uitkomst van het hoger beroep in de strafzaak tegen hem van grote invloed is op de uitkomst van het hoger beroep in de familiezaak.

De moeder heeft zich verzet tegen aanhouding. Het is volgens haar van groot belang dat aan deze familierechtszaak op korte termijn een eind komt.

Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over het principaal en het incidenteel appel volgt dat het ontbreken van een onherroepelijke beslissing in de strafzaak van de vader niet in de weg staat aan de beoordeling van deze zaak. Het aanhoudingsverzoek wordt dan ook afgewezen.

De beslissing

Het hof:

in principaal appel:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank, voor zover daarin is bepaald dat het gezag over de kinderen van partijen:

[minderjarige 1] , geboren [in] 2016 te [plaats A] en

[minderjarige 2] , geboren [in] 2019 te [plaats B] ,

alleen toekomt aan de moeder;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het openbaar register;

in incidenteel appel:

vernietigt de (tussen)beschikking van de rechtbank voor zover daarbij is bepaald dat de beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt aangehouden,

en in zoverre opnieuw recht doende:

ontzegt de vader het recht op omgang met de kinderen;

in principaal en in incidenteel appel:

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht in hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. van Baardewijk, P.F.E. Geerlings en J.M.I. Vink, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 27 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Artikel delen