ECLI:NL:GHDHA:2026:664
Gerechtshof Den Haag 15 May 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:GHDHA:2026:664
text/xml
public
2026-05-15T13:50:00
2026-04-16
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerechtshof Den Haag
2026-04-28
200.340.622/01
Uitspraak
Hoger beroep
Tussenuitspraak
NL
Den Haag
Civiel recht
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2023:9070, Overig
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:664
text/html
public
2026-05-15T13:45:41
2026-05-15
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:GHDHA:2026:664 Gerechtshof Den Haag , 28-04-2026 / 200.340.622/01
is het mee laten lopen van een documentairemaker tijdens het opsporingsonderzoek van de FIOD onrechtmatig? strijd met de geheimhoudingsplicht ex art. 7 lid 1 Wpg, van 'verwerkte' politiegegevens is ook sprake als deze enkel worden 'verzameld' (art. 1 aanhef en onder c Wpg), schending geheimhoudingsplicht ex art. 7 lid 1 Wpg vergt een andere toetsing dan schending ambtsgeheim ex art. 272 Sr, geen rechtvaardigingsgrond ex art. 19 aanhef en onder a Wpg, art. 10 EVRM niet aan de orde in voorfase van uitzending, verplichting tot schadebegroting ex art. 612 Rv ook als verwijzing naar schadestaatprocedure is gevorderd, geen naar inhoud en/of strekking nietig Mediacontract ex art. 3:40 lid 1 BW.
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.340.622/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/612123 / HA Za 21-83
Arrest van 28 april 2026
in de zaak van
Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid),
zetel houdend in Den Haag,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J. Perenboom, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
1 [geïntimeerde 1] ,
wonend in [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde 2],
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerden in principaal hoger beroep,
appellanten in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.Ch. Kaaks, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna de Staat en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .
1De zaak in het kort
1.1
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn als (voormalig) feitelijk leidinggevenden van een landelijke keten van sushirestaurants betrokken geweest in een strafzaak (belastingfraude). In de opsporingsfase die daaraan voorafging had het openbaar ministerie (hierna ook: het OM) een contract gesloten met een documentairemaker. Op grond daarvan was het de documentairemaker toegestaan om in die fase met de FIOD ‘mee te lopen’ en te filmen ten behoeve van een later uit te zenden documentaire over het werk van de FIOD.
1.2
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] vinden dat het OM daarmee opsporingsinformatie over hen heeft prijsgegeven waarvoor een geheimhoudingsverplichting gold. Zij hebben in deze procedure daarom gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de Staat jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld en dat de Staat wordt veroordeeld tot schadevergoeding, op te maken bij staat.
1.3
De rechtbank heeft de vorderingen toegewezen. Het hof is het daarmee eens, maar wil op de voet van art. 612 Rv eerst onderzoeken of de omvang van de schade al in dit arrest kan worden begroot nu de strafzaak inmiddels is afgerond. Partijen krijgen daarom de gelegenheid nog een akte te nemen.
2Procesverloop in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 4 januari 2024, waarmee de Staat in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 oktober 2023;
de memorie van grieven van de Staat;
de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel, met bijlagen;
de memorie van antwoord in incidenteel appel van de Staat.
2.2
Op 12 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De Staat heeft de zaak laten toelichten door mr. M.M.C. van Graafeiland en mr. T.J. Crom, kantoorgenoten van mr. Perenboom voornoemd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben de zaak laten toelichten door mr. O.M.B.J. Volgenant, kantoorgenoot van mr. Kaaks voornoemd. De advocaten hebben hun pleitaantekeningen overgelegd.
3Feitelijke achtergrond
3.1
[geïntimeerde 1] is grootaandeelhouder en leidinggevende geweest van de landelijke keten van sushirestaurants met de naam SUMO. [geïntimeerde 2] was toen mede-(groot)aandeelhouder in die keten. De SUMO restaurants worden thans door andere ondernemers geëxploiteerd.
3.2
In 2013 is de FIOD vanwege een verdenking van omzetbelastingfraude / belastingontduiking een opsporingsonderzoek begonnen met betrekking tot de SUMO restaurants.
3.3
Op enig moment is het openbaar ministerie (OM) een vervolging aangevangen tegen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] wegens verdenking van het leiding geven aan omzetbelastingfraude / belastingontduiking binnen de SUMO restaurants. De strafzaak waaronder de opsporing en vervolging van deze strafbare feiten plaatsvond is aangeduid als ‘operatie FUJI’.
3.4
In de aanloop naar de strafzaak hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bekend dat zij zich als leidinggevenden van het SUMO-concern schuldig hebben gemaakt aan belastingfraude die door vennootschappen binnen dit concern is gepleegd. Het SUMO-concern heeft de ontstane belastingschulden alsnog volledig voldaan en heeft daarnaast een bestuurlijke boete betaald.
3.5
In oktober 2014 heeft het OM een zogenoemd ‘Mediacontract’ afgesloten met ‘Selfmade Films’, een productiebedrijf voor films en documentaires. In het Mediacontract zijn de afspraken neergelegd die partijen hebben gemaakt over (de voorwaarden voor) een door Selfmade Films te maken documentaire over het werk van de FIOD. Het doel van de documentaire was om een (realistisch) beeld te geven van het werk van de FIOD bij de bestrijding van grootschalige fraude in Nederland. In het Mediacontract is onder meer vastgelegd dat ter bescherming van de privacy en ter voorkoming van trial by media geen (herkenbare) beeldopnames worden gemaakt van verdachte personen of rechtspersonen en dat de documentaire niet zal worden uitgezonden voor de uitspraak in de desbetreffende strafzaak.
3.6
Vanaf oktober 2014 en in 2015 hebben de documentairemakers van Selfmade Films meegelopen en meegekeken met FIOD-rechercheurs tijdens het opsporingsonderzoek in de FUJI-zaak. Zij hebben daarbij beeld- en geluidsopnamen gemaakt van de voorbereiding van het onderzoek, de zogenoemde ‘actiedag’ (waarop diverse restaurants uit de SUMO-keten door opsporingsambtenaren zijn binnengetreden) en diverse overlegvormen (waaronder met het OM).
3.7
In juli 2019 heeft de rechtbank Rotterdam de FUJI-strafzaak behandeld. Na afloop van de zitting, maar vóór de sluiting van het onderzoek en de geplande uitspraak vernam de rechtbank (met de verdachten en hun raadslieden) vanuit de pers dat journalisten het opsporingsonderzoek in de FUJI-zaak van nabij hadden gevolgd ten behoeve van het maken van een documentaire, die na de uitspraak op televisie zou worden uitgezonden. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens aangehouden.
3.8
De behandelend zaaksofficier van justitie heeft op 25 juli 2019 op vragen van de rechtbank een “proces-verbaal van bevindingen inzake documentaire betreffende de FIOD” (hierna: PV bevindingen) aan het strafdossier toegevoegd. Op pagina 16 en 17 van dit proces-verbaal staat onder meer vermeld:
“(…) volgt op 28 juni 2019 (…) een terugkoppeling door de persvoorlichting van het FP aan de Producent met de tekst:
Behalve de eerdere opmerking over uitzenddatum, moeten er nog een aantal punten worden aangepast, wil het OM akkoord gaan met de uitzending van de documentaire. (…):
- De verdachten mogen niet herkenbaar of herleidbaar in beeld komen. (…) Er zijn nog wat kleine dingen: het logo van de keten laten jullie steeds in beeld zichtbaar. Dat is te herleidbaar. Verder is de naam van keten hier en daar nog zichtbaar: bv op jasje personeelsleden, bij de bar, op het raam. (…) Verder noemen jullie van de locatie in Breda het adres, dat is te herleidbaar, en het logo is daar ook heel zichtbaar. (…)
-De naam [geïntimeerde 2] is niet overal goed weggepiept. Soms is het nog vergeten. Ook junior en senior is te herleidbaar. (…)
-Personeelsleden van Sumo zijn soms nog behoorlijk zichtbaar en niet geblurd.(…)
-(…)
De tapgesprekken blijven inhoud strafdossier en ze mogen niet uitgezonden worden. (…)
-De beelden mbt het pinnen zijn op zich vrij goed geblurd dus het is niet zichtbaar wie het zijn. Alleen dat praten over (…) is een te herleidbaar detail (..) dus moet eruit.
-De (..) is echt te herleidbaar.
(…)”.
3.9
In februari 2020 hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bij de rechtbank Amsterdam een kort geding gestart tegen Selfmade Films en KRO-NCRV. In dat kort geding hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] kort gezegd gevorderd dat Selfmade Films en KRO-NCRV wordt bevolen om over te gaan tot afgifte van, althans inzage in, al het materiaal dat zij ten behoeve van de totstandkoming van de documentaire hebben verzameld. Bij vonnis van 13 maart 2020 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen afgewezen. In het vonnis is voorshands geoordeeld dat Selfmade Films en KRO-NCRV door het maken van de documentaire geen onrechtmatige inbreuk hebben gemaakt op de privacy van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] en/of hun reputatie hebben geschonden, zodat voor een rechterlijk ingrijpen op die grond geen plaats is. Ook heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de omstandigheid dat Selfmade Films en KRO-NCRV bij de totstandkoming van de documentaire wellicht gebruik hebben gemaakt van informatie waarvan de verkrijging op gespannen voet staat met in acht te nemen ambtsgeheimen, onvoldoende is om op voorhand tot inperking van de journalistieke vrijheden over te gaan.
3.10
Op 23 juli 2020 heeft de rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan in de FUJI-strafzaak tegen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . Daarbij zijn [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] schuldig bevonden aan het feitelijk leiding geven aan belastingfraude gepleegd door vennootschappen binnen het SUMO-concern, meermalen gepleegd, en aan deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank overwoog dat een forse gevangenisstraf op zijn plaats zou zijn “ware het niet dat het openbaar ministerie de integriteit van het geding in gevaar heeft gebracht door te trachten de verdediging te weerhouden van het voeren van verweren omtrent de documentaire (…)”. Gezien deze gevaarzetting en vanwege een aantal andere strafverminderende omstandigheden (de rechtbank noemt daarbij in het geval van [geïntimeerde 1] (1) het feit dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, (2) het feit dat hij samen met [geïntimeerde 2] de door de Sumo-vennootschappen verschuldigde belasting alsnog heeft betaald vermeerderd met een boete van € 1,5 miljoen, (3) het feit dat hij hard is getroffen door de Bibob-procedures en de daarmee gepaard gaande negatieve aandacht in de (Chinese) media en (4) de overschrijding van de redelijke termijn) is aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel opgelegd. Het OM en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn beide in hoger beroep gegaan.
3.11
In oktober 2020 hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in kort geding gevorderd dat Selfmade Films en KRO-NCRV wordt verboden de documentaire uit te zenden. Bij vonnis van 9 oktober 2020 is die vordering toegewezen, maar in hoger beroep alsnog afgewezen. In zijn arrest van 5 oktober 2021 overwoog het hof dat het algemeen belang gediend is door het aan de orde stellen van mogelijke belastingfraude en door informatie te geven over de wijze waarop daartegen door de FIOD wordt opgetreden. Nu anderzijds bij uitzending van de documentaire slechts een (zeer) beperkte aantasting van de persoonlijke levenssfeer en de reputatie van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] is te verwachten is een preventieve beperking van de vrijheid van meningsuiting niet gerechtvaardigd, aldus het hof in zijn arrest. De documentaire is op 5 januari 2022 onder de naam ‘Nederland Fraudeland’ uitgezonden.
3.12
Op 1 oktober 2019 hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tegen degenen die binnen het OM direct bij het Mediacontract betrokken waren, onder wie de zaaksofficier van justitie, aangifte gedaan wegens schending van een ambtsgeheim. Na onderzoek van de Rijksrecherche heeft het OM in zijn afloopbericht van 17 maart 2021 laten weten niet tot vervolging over te gaan. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben tegen die beslissing op de voet van art. 12 Sv een klacht ingediend. Bij beschikking van 7 februari 2023 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de klacht afgewezen. Het hof overwoog onder meer dat het geven van voorlichting aan het algemene publiek over onderzoeken die onder de verantwoordelijkheid van de officier van justitie hebben plaatsgevonden behoort tot de publieke taak van het OM. Volgens het hof kan daaronder mede worden begrepen het meewerken aan de totstandkoming van een documentaire. Uitgangspunt daarbij is wel dat een eventuele inbreuk op de privacy zo beperkt mogelijk wordt gehouden. In dit geval heeft het OM de privacy van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] daadwerkelijk bewaakt door na de viewings telkenmale aanpassingen te eisen, waardoor de uitgezonden documentaire geen geheime tot [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] herleidbare gegevens bevatte, aldus het hof.
3.13
Bij (onherroepelijk geworden) arrest van 20 november 2023 heeft de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Den Haag [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ook in hoger beroep veroordeeld voor het feitelijk leiding geven aan belastingfraude door vennootschappen binnen het SUMO-concern, meermalen gepleegd, en aan deelname aan een criminele organisatie. Ook het hof heeft met toepassing van art. 9a Sv geen straf of maatregel opgelegd. Daartoe overwoog het hof in de zaak van [geïntimeerde 1] onder meer:
“Dit zijn ernstige feiten die oplegging van in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur zonder meer rechtvaardigen. (…)
In het onderhavige geval zal het hof echter niet overgaan tot oplegging van enige straf of maatregel.
De volgende argumenten zijn voor dat oordeel dragend: (…)
(…) dat het openbaar ministerie met de beslissingen om een documentairemaker vrijwel ongeclausuleerd toegang te geven tot de persoonlijke gegevens van de verdachte, zijn medeverdachte en personeel en gericht het onderzoek naar hem/haar te volgen, zonder enige noodzaak de privacy van de verdachte heeft geschonden en ook de op haar rustende geheimhoudingspicht als bedoeld in de Wpg heeft geschonden. (…) Het lichtzinnige optreden van het openbaar ministerie heeft echter wel tot forse (reputatie)schade voor de verdachte geleid. Door het bekend worden van het bestaan van de documentaire ten tijde van het strafproces werd onvermijdelijk het verband tussen de verdachte en het onderwerp van de documentaire zichtbaar, in weerwil van de inspanningen die zijn gepleegd om de identiteit van personen en bedrijven in de documentaire zoveel mogelijk te verhullen.(…).”
4Procedure bij de rechtbank
4.1
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben de Staat en Selfmade Films gedagvaard en onder meer gevorderd, zakelijk weergegeven, (1) dat het Mediacontract nietig wordt verklaard, althans dat voor recht wordt verklaard dat dit contract geheel of gedeeltelijk nietig is voor zover het heeft gestrekt tot, althans de basis vormde voor de verstrekking van politie- en /of strafvorderlijke gegevens en/of (bijzondere) persoonsgegevens die tot [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] te herleiden zijn, (2) dat voor recht wordt verklaard dat de Staat en Selfmade Films jegens hen onrechtmatig hebben gehandeld (onder meer) door de verstrekking van politiegegevens die tot [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] herleidbaar zijn en (3) dat de Staat en Selfmade Films hoofdelijk worden veroordeeld tot schadevergoeding, op te maken bij staat.
4.2
De rechtbank heeft de vorderingen voor zover gericht tegen Selfmade Films afgewezen. De vorderingen tegen de Staat zijn gedeeltelijk toegewezen. De rechtbank heeft voor recht verklaard dat de Staat jegens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] onrechtmatig heeft gehandeld door de verstrekking door de Staat van strafvorderlijke gegevens c.q. politiegegevens c.q. (bijzondere) persoonsgegevens die tot [geïntimeerde 1] en/of [geïntimeerde 2] te herleiden zijn en de Staat veroordeeld tot vergoeding van de dientengevolge door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat.
4.3
De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de documentairemakers, via eigen waarneming dan wel via rechercheurs van de FIOD, inzage hebben gekregen in politiegegevens van het FUJI onderzoek, welke gegevens mede betrekking hadden op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . Doordat de documentairemakers in de gelegenheid zijn gesteld mee te kijken werden die politiegegevens aan hen verstrekt op het moment dat zij werden verzameld. Volgens de rechtbank kon daardoor geen afzonderlijke afweging plaatsvinden of die gegevens wel geschikt waren om aan derden te worden verstrekt en of voldaan was aan de eisen van ‘zwaarwegend algemeen belang’ als bedoeld in artt. 19 en 20 van de Wet politiegegevens (Wpg). De Staat heeft dan ook zonder geldige rechtsgrond politiegegevens aan derden verstrekt en daarmee zijn geheimhoudingsplicht ex art. 7 Wpg geschonden. Dat is, mede gelet op de inbreuk die hiermee werd gemaakt op het recht van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer, jegens hen onrechtmatig, aldus de rechtbank.
5Vorderingen in hoger beroep
5.1
De Staat heeft in hoger beroep gevorderd dat het vonnis wordt vernietigd en de vorderingen tegen de Staat alsnog worden afgewezen, met de veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de proceskosten, met rente.
5.2
Volgens de Staat is de Wpg in dit geval niet (integraal) van toepassing en was het handelen van de FIOD in het licht van de voorlichtingsplicht van de Staat overigens gerechtvaardigd (grief 1). De rechtbank heeft ten onrechte verwezen naar de schadestaatprocedure, nu de mogelijkheid van schade ten gevolge van de medewerking van de Staat aan de documentaire volgens de Staat niet voldoende aannemelijk is (grief 2). De Staat heeft zijn derde grief gericht tegen de proceskostenveroordeling.
5.3
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben verweer gevoerd en op hun beurt in incidenteel beroep gevorderd dat het vonnis gedeeltelijk wordt vernietigd, namelijk voor zover onderdeel (1) van hun vordering (over de nietigverklaring van het Mediacontract) daarin is afgewezen, en dat die vordering alsnog wordt toegewezen, met de veroordeling van de Staat in de proceskosten van het incidenteel en principaal hoger beroep, uitvoerbaar te verklaren bij voorraad.
5.4
De Staat heeft zich tegen de incidentele grief verweerd en geconcludeerd tot verwerping ervan met de veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de kosten van het incidenteel appel, met rente en uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
6Beoordeling in hoger beroep
Inzet van het (principaal) appel
6.1
In het hoger beroep van de Staat staat de vraag centraal of het OM jegens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] onrechtmatig heeft gehandeld door de documentairemakers mee te laten lopen tijdens het FUJI-onderzoek en van een aantal momenten binnen dat onderzoek opnames te laten maken. Wat betreft de verweten onrechtmatigheid gaat het niet zozeer om de (inhoud van de) uiteindelijk uitgezonden documentaire (en de in dat kader mee te wegen persvrijheid van Selfmade Films), maar om het daaraan voorafgaande opname- en totstandkomingsproces van de documentaire.
6.2
De rechtbank heeft geoordeeld dat de Staat in dat proces zijn geheimhoudingsplicht ex art. 7 lid 1 Wpg heeft geschonden en daarmee jegens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] onrechtmatig heeft gehandeld. Op die grond heeft de rechtbank de door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] onder (2) gevorderde verklaring voor recht toegewezen.
Verstrekking van politiegegevens als bedoeld in de Wpg (grief 1, eerste onderdeel)
6.3
De Wpg is blijkens art. 2 lid 1 van die wet van toepassing op de ‘verwerking van politiegegevens’ door een bevoegde autoriteit ‘die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn daarin te worden opgenomen’. In art. 7 lid 1 Wpg is kort gezegd bepaald dat de ambtenaar van politie (of FIOD) aan wie ‘politiegegevens’ ter beschikking zijn gesteld, behoudens enkele daarin nader omschreven gevallen, verplicht is tot geheimhouding daarvan. Een ‘politiegegeven’ in de zin van die wet is blijkens art. 1, aanhef en onder a elk ‘persoonsgegeven’ dat wordt ‘verwerkt’ in het kader van de uitvoering van de politietaak. Een ‘persoonsgegeven’ betreft alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (art. 1, aanhef en onder b Wpg) en bij ‘verwerking’ van politiegegevens moet het gaan om een bewerking of geheel van bewerkingen, al dan niet uitgevoerd op geautomatiseerde wijze, ‘zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken’ e.d. van die gegevens (art. 1, aanhef en onder c Wpg). Politiegegevens worden geacht te zijn ‘verstrekt’ als ze zijn bekend gemaakt of ter beschikking gesteld (art. 1, aanhef en onder d Wpg).
6.4
De Staat heeft bestreden dat de Wpg blijkens de voornoemde, in artt. 1 en 2 van die wet gegeven definities (in algemene zin) van toepassing is in deze zaak. Volgens de Staat was ten tijde van het filmen door de documentairemakers (nog) geen sprake van ‘politiegegevens’ als in de Wpg bedoeld. De gegevens waarvan de documentairemakers kennis namen waren niet tot [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] herleidbaar en waren bovendien op dat moment (nog) niet bewerkt of opgeslagen door de FIOD, zodat deze (nog) niet waren ‘verwerkt’ in de zin van art. 1 aanhef en onder c Wpg. Omdat het tijdens het filmen (nog) niet ging om ‘verwerkte’ gegevens, en dus niet om ‘politiegegevens’ ex art. 1 aanhef en onder a Wpg, konden deze ook niet (onrechtmatig aan de documentairemakers) worden ‘verstrekt’ als bedoeld in art. 1 aanhef en onder d Wpg. Slechts in twee specifieke gevallen hebben de documentairemakers op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] betrekking hebbende ‘politiegegevens’ gezien (en op film opgenomen). Het ging daarbij om de camerabeelden van het afstorten door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] van geld bij geldautomaten en om een interne PowerPointpresentatie van de FIOD waarin gegevens over [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] stonden opgenomen. Alleen in die twee specifieke gevallen (hierna: de twee erkende gevallen) zijn de documentairemakers bekend geraakt met ‘politiegegevens’ over [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , maar daarvoor bestond een rechtvaardigingsgrond, aldus de Staat.
6.5
Volgens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ging het in meer dan de twee erkende gevallen om een ontoelaatbare verstrekking van ‘politiegegevens’. Zij hebben erop gewezen dat de documentairemakers beeld- en geluidsopnamen hebben gemaakt gedurende twintig draaidagen en dat vijf cameraploegen hebben ‘meegelopen’ bij de vijf gelijktijdige invallen op 2 december 2014. De documentairemakers hebben getuigenverhoren en tapgesprekken gefilmd en (heimelijk) beeld- en geluidsopnamen gemaakt van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] . Ter onderbouwing van hun standpunt hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] verwezen naar de filmfragmenten met transcriptie die zij in eerste aanleg bij hun akte van 16 februari 2022 als productie 20 in het geding hebben gebracht. Volgens hen gaat het daarbij om concrete voorbeelden van beeldmateriaal van een geheime observatie, om opnames met een verborgen camera, om overleggen van FIOD medewerkers met de officier van justitie, om beelden van geldopnames door en foto’s van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , om verhoren van getuigen en om in beslag genomen documenten en administratie. Twee fragmenten daarvan hebben zij opnieuw aan de orde gesteld bij pleidooi in hoger beroep. In het eerste fragment wordt in beeld gebracht dat achtereenvolgende cashstortingen van ongeveer € 10.000,- worden gedaan bij pinautomaten. In het tweede fragment deelt een FIOD-ambtenaar het ‘goede nieuws’ dat er zakken met geld, ‘twee ton minimaal’, zijn aangetroffen “in het pand van meneer [weggepiept]”. Volgens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ging het in beide gevallen om legaal verkregen (dag)omzet en heeft het OM de in strafrechtelijk beslag genomen gelden overeenkomstig de einduitspraak in de strafzaak ook aan hen geretourneerd.
6.6
De Staat heeft niet weersproken dat de documentairemakers gedurende meerdere dagen hebben ‘meegelopen’ met het politieonderzoek in de FUJI -zaak en dat zij aanwezig zijn geweest bij diverse overleggen. De Staat heeft erkend dat de documentairemakers hebben gefilmd bij gelegenheid van bijvoorbeeld de doorzoeking van diverse restaurants op 2 december 2014. Volgens de Staat was de informatie die de documentairemakers hebben gezien en/of gehoord op dat moment echter (nog) niet bewerkt, zodat de Wpg toen (nog) niet van toepassing was. De door de documentairemakers verkregen (en gefilmde) opsporingsinformatie ging bovendien niet (identificeerbaar) over [geïntimeerde 1] of [geïntimeerde 2] . Daarnaast gebeurde het meelopen van de documentairemakers binnen de strikte kaders van het Mediacontract, waarin de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachten en andere betrokkenen centraal stond. De waarborgen die daarin waren neergelegd zagen zowel op het opname- en totstandkomingsproces, als op de inhoud van de uiteindelijk openbaar te maken documentaire. Nadat het OM (de ruwe versie van) de documentaire heeft ingezien zijn er op zijn uitdrukkelijke verzoek ook diverse wijzigingen doorgevoerd ter (verdere) anonimisering van afgebeelde personen. De Staat heeft daarbij onder meer verwezen naar zijn wijzigingsvoorstellen als genoemd in de e-mail van 28 juni 2019 aan de producent van de documentaire, zoals aangehaald in het PV bevindingen (zie rov. 3.7).
6.7
Het hof stelt voorop dat het enkel mee laten lopen van documentairemakers tijdens een opsporingsonderzoek van de FIOD niet noodzakelijkerwijs meebrengt dat aan hen dan ook (door de FIOD) ‘verwerkte’, tot natuurlijke personen herleidbare politiegegevens bekend worden gemaakt. Uit het arrest van 20 november 2023 van de strafkamer van het hof blijkt echter dat de documentairemakers op meerdere momenten kennis hebben gekregen van, of de beschikking hebben gehad over, opsporingsgegevens die tot [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] herleidbaar waren. Het hof overwoog daarover: “Door het laten meelopen van de documentairemaker en de filmploeg met het opsporingsonderzoek werden deze bekend met informatie uit de opsporing in de zaken tegen de verdachte natuurlijke personen en rechtspersonen. Uit het dossier kan worden afgeleid dat men bekend werd met naam, adres, woon- of vestigingsplaats, aard van de verdenkingen en herkenbare beelden van de verdachte natuurlijke personen, werknemers van de verdachte rechtspersonen en locaties van de restaurants.”
6.8
Het vorenstaande vindt zijn bevestiging in de door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] overgelegde filmfragmenten en het PV bevindingen. Tussen partijen is immers niet in geschil dat de beelden die tot [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] herleidbaar waren en de audiofragmenten waarin (de sushiketen van) [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] werden genoemd pas ná de opname door de documentairemakers, (al dan niet op verzoek van het OM) zijn ‘geblurd’, respectievelijk zijn ‘weggepiept’. Uit de door de Staat genoemde wijzigingsvoorstellen in de e-mail van 28 juni 2019 blijkt dat in de ‘ongekuiste’ versie van de documentaire het logo van de sushiketen (nog) in beeld was gebracht, de naam van de keten (nog) zichtbaar was op het jasje van personeelsleden, het adres van de keten in Breda (nog) werd genoemd, de naam [geïntimeerde 2] (nog) niet overal goed was ‘weggepiept’, personeelsleden van Sumo (nog) “behoorlijk zichtbaar” waren en niet waren ‘geblurd’ en ook verder sprake was van (“te”) herleidbare details. Blijkens (de transcriptie behorende bij) de door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] overgelegde fragmenten van de uitgezonden documentaire zijn de namen van (de sushiketen van) [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] op diverse momenten ‘weggepiept’ en zijn de beelden van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] of hun sushiketen op meerdere plaatsen ‘geblurd’. Zo luidt de transcriptie bij het beeldfragment op pagina 19: “Meneer [weggepiept] heeft zijn woning in april gekocht voor 1,3 miljoen 50 duizend gulden, euro. Zonder hypotheek.”, op pagina 20: “…dan moet die ook eerst naar het pand waar de grootste hit op geld, en dat is bij [weggepiep]”, op pagina 31: “[weggepiept] is om 22.10 uur thuis. (…) Nou dan zijn ze bijna thuis allebei. (…) En [ weggepiept] zit op 10 kilometer.”, op pagina 35: “(…) [naam] zit in het pand van meneer [weggepiept] en achter een schot: zakken met geld (…)”, op pagina 45: “(…) ik sta in Breda in het [weggepiept] restaurant”, op pagina 47: “(…) beschikt meneer [ weggepiept] over codes en/of sleutels van die kluizen (…)” en op pagina 60: ”(…) doorzoekingen gedaan in de woningen. En bij [ weggepiept] vinden we in een doos allemaal losse kasstaten (…)”.
6.9
Ter zitting in hoger beroep heeft de Staat betoogd dat het toen opnieuw besproken fragment (op pagina 15, 16, 17 en 18 van de bij de akte van 16 februari 2022 overgelegde filmfragmenten) betrekking heeft op het door de Staat als strijdig met de geheimhoudingsplicht van de Wpg ‘erkende’ geval van het afstorten van geld door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] bij geldautomaten. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben dat niet weersproken, maar ook zonder dit fragment blijven er blijkens de vele ‘weggepiepte’ momenten en de in het PV bevindingen genoemde wijzigingsvoorstellen nog vele fragmenten/momenten over waarin de documentairemakers klaarblijkelijk tijdens het filmen politiegegevens hebben gehoord of gezien, en op film hebben vastgelegd, die tot [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] herleidbaar waren. Dat is dus ook gebeurd op momenten buiten de twee erkende gevallen.
6.10
Het hof volgt de Staat niet in zijn betoog dat de gegevens waarvan de documentairemakers tijdens het filmen kennis kregen niet zijn aan te merken als ‘politiegegevens’ op de grond dat deze toen nog niet waren ‘verwerkt’. Van ‘verwerking’ als bedoeld in art. 1 aanhef en onder c Wpg is namelijk niet alleen sprake als de (voor opname in een bestand bestemde) politiegegevens worden of zijn vastgelegd, opgeslagen of gewijzigd, maar ook als deze gegevens worden gestructureerd, geordend of enkel worden ‘verzameld’. Dat de documentairemakers aanwezig zijn geweest (en hebben gefilmd) op de momenten dat het OM (bijvoorbeeld ten tijde van de doorzoekingen op 2 december 2014) bezig was met het ‘verzamelen’ van op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] betrekking hebbende opsporingsgegevens is tussen partijen niet in geschil.
6.11
Het beroep van de Staat op de overweging van het gerechtshof Arnhem/Leeuwarden in de art. 12 Sv zaak dat niet aannemelijk is gemaakt dat geheime gegevens in fysieke of digitale vorm aan de documentairemakers zijn verstrekt, wordt door het hof gepasseerd. Aan het begrip ‘verstrekken’ komt op grond van (art. 1 onder d van) de Wpg een zelfstandige betekenis toe waaraan in het onderhavige geval moet worden getoetst, omdat het hier gaat om de rechtmatigheid van de ‘verwerking’ en niet over de eventuele (opzet op) schending van het ambtsgeheim ex art. 272 Sr door de betrokken officieren van justitie. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt voorts niet in te zien waarom de (geheimhoudingsplicht van art. 7 lid 1) Wpg van toepassing zou zijn in het kader van de door de strafrechter te maken beoordeling of al dan niet (verdere) vervolging had moeten plaatshebben ter zake van het in art. 272 Sr strafbaar gestelde feit. Toetsing aan de (geheimhoudingsplicht van art. 7 lid 1) Wpg heeft in de beschikking van 7 februari 2023 ook niet plaatsgevonden.
6.12
Dat in de uitgezonden versie van de documentaire geen sprake (meer) was van tot [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] herleidbare persoonsgegevens en het hof Den Haag het door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] gevorderde uitzendverbod in zijn arrest van 5 oktober 2021 (mede) daarom heeft afgewezen is hierbij niet relevant. Het gaat er om dat de documentairemakers voorafgaand aan die uitzending kennis hebben gekregen van (privacygevoelige) politiegegevens, terwijl het OM op grond van art. 7 lid 1 Wpg, bijzondere gevallen daargelaten (waarover hierna meer), tot geheimhouding daarvan was verplicht.
6.13
Dit onderdeel van de grief faalt.
Rechtvaardigingsgrond? (grief 1, tweede onderdeel)
6.14
Met betrekking tot het beroep van de Staat op een rechtvaardigingsgrond overweegt het hof als volgt.
6.15
Van de geheimhoudingsplicht van art. 7 lid 1 Wpg kan worden afgeweken als, voor zover hier van belang, de bepalingen in artt. 16 – 24 Wpg verstrekking van die politiegegevens toelaten. De Staat heeft zich beroepen op de uitzonderingssituatie van art. 19, aanhef en onder a Wpg. Die bepaling luidt als volgt:
“In bijzondere gevallen kan de verwerkingsverantwoordelijke, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, (…), beslissen tot het verstrekken van politiegegevens aan personen of instanties voor de volgende doeleinden:
a.. het voorkomen en opsporen van strafbare feiten;
(…).”
6.16
De Staat heeft in dit verband gewezen op de verplichting van het OM om het publiek voor te lichten over strafrechtelijke onderzoeken, niet alleen met het oog op het zwaarwegende publieke belang om tegenover de samenleving verantwoording af te leggen over de opsporing door de FIOD van grootschalige fraude/belastingontduiking, maar ook in verband met het zwaarwegende publieke belang om het publiek ervan te weerhouden of te ontmoedigen om ook dergelijke fraude te plegen. Door een onafhankelijke journalist gelegenheid te bieden de verrichtingen van het OM en opsporingsinstanties als de FIOD te volgen is gegarandeerd dat het publiek op objectieve wijze wordt voorgelicht, aldus de Staat.
6.17
Dit betoog wordt verworpen. Uit het bepaalde in art. 19, aanhef en onder a Wpg blijkt dat van de geheimhoudingsplicht van art. 7 lid 1 Wpg slechts kan worden afgeweken “in bijzondere gevallen”, wanneer dat bovendien “noodzakelijk” is met het oog op een “zwaarwegend algemeen belang” (hierna: noodzakelijkheidscriterium). Uit de wetsgeschiedenis van dit artikel blijkt dat met deze formulering wordt aangegeven dat de verstrekking voor de samenleving van méér dan gewone betekenis moet zijn. Dit belang dient dermate zwaarwegend te zijn dat het belang van verstrekking aan derden zwaarder dient te wegen dan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van degene op wie de politiegegevens betrekking hebben.
6.18
De Staat heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat de sushiketen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zou zijn aan te merken als een ‘bijzonder geval’ zoals in art. 19 Wpg is bedoeld. Waarin het geval van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zich onderscheidt van andere fraudezaken heeft de Staat niet toegelicht. Zelfs als het het OM alleen te doen zou zijn geweest om het aan de kaak stellen van belastingfraude in restaurants valt niet in te zien waarom alle pijlen van het OM juist op (de sushiketen van) [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] waren gericht.
6.19
Evenmin is gebleken dat de verstrekking van politiegegevens over [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aan de documentairemakers noodzakelijk was met het oog op het gestelde publieke belang om te worden voorgelicht over strafrechtelijke onderzoeken (onder meer) ter voorkoming of opsporing van strafbare feiten. De toepassing van het noodzakelijkheidscriterium impliceert dat vooraf een belangenafweging – in de woorden van art. 19 Wpg: beslissen - op lokaal niveau moet worden gemaakt. Het belang dat gediend wordt met de verstrekking van de gegevens moet in het concrete geval immers worden afgewogen tegen het belang van de persoonlijke levenssfeer van degenen op wie de politiegegevens betrekking hebben. Dat die afweging hier telkens is gemaakt toen de documentairemakers met de FIOD meeliepen is niet gebleken, ook niet in de twee erkende gevallen. Weliswaar heeft het OM de privacy van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] daadwerkelijk bewaakt door in het kader van het met Selfmade Films afgesloten Mediacontract na de viewings telkenmale aanpassingen te eisen, maar dat heeft niet kunnen voorkomen dat in elk geval de documentairemakers zonder noodzaak kennis hebben gekregen van politiegegevens over [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] die bij uitsluiting tot het domein van de opsporing hadden behoren te blijven. Door de afgesproken controle achteraf kon de schending van de in art. 7 lid 1 Wpg neergelegde geheimhoudingsplicht niet meer ongedaan worden gemaakt.
6.20
Daarbij komt dat niet valt in te zien dat het OM hetzelfde doel (voorlichting van en verantwoording aan het publiek) niet ook had kunnen bereiken zonder prijsgave van de op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] betrekking hebbende opsporingsgegevens aan de documentairemakers. De Staat heeft meer in het bijzonder niet gesteld dat het vanuit de voorlichtingstaak van het OM noodzakelijk was om de documentairemakers al bij het ‘verzamelen’ van politiegegevens over [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in het opsporingsonderzoek te betrekken. Ook daarom kan niet worden aangenomen dat de gemaakte inbreuk op de privacy van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] noodzakelijk is geweest voor het (voorlichtings- en preventie-) doel dat het OM ermee voor ogen heeft gehad.
6.21
Ook de verwijzing van de Staat naar de jurisprudentie van het EHRM over het door art. 10 EVRM beschermde publieke belang om objectieve voorlichting te ontvangen over het optreden van opsporingsautoriteiten als de FIOD baat hem hier niet. Dit belang is zoals gezegd pas aan de orde als tot uitzending wordt overgegaan en het geeft het OM geen vrijbrief om in de fase daarvóór aan documentairemakers politiegegevens te verstrekken die bestreken worden door de geheimhoudingsplicht van de Wpg.
6.22
Het hof passeert het meer subsidiaire beroep van de Staat op de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Dat het de Staat mogelijk op grond van die wet (of later de AVG) was toegestaan om op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] betrekking hebbende gegevens aan Selfmade Films te verstrekken brengt - wat daar verder ook van zij - zonder hier ontbrekende toelichting niet mee dat dat dan ook op grond van de Wpg was toegestaan.
6.23
Ook dit onderdeel van de grief slaagt dus niet.
Mogelijkheid van schade? (grief 2)
6.24
De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot schadevergoeding nader op te maken bij staat toegewezen op de grond dat zij de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk achtte. De Staat is daartegen opgekomen omdat hij vindt dat op geen enkele manier aannemelijk is geworden dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] schade hebben geleden als gevolg van de medewerking van het OM aan de documentaire. Dat voor rechtsbijstand en communicatieadvies kosten zijn gemaakt wordt door de Staat bestreden. Die kosten zijn ook niet onderbouwd. Voor zover dat al anders zou zijn is de schade volgens de Staat eenvoudig te begroten omdat het gaat om hooguit een beperkte aantasting van de privacy en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] door de documentaire bovendien een op grond van art. 6:100 BW te verrekenen voordeel hebben genoten. Dit voordeel is zo groot dat daarnaast geen plaats meer is voor een extra schadevergoeding. Blijkens de overwegingen in het (inmiddels onherroepelijk geworden) arrest in de strafzaak is aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] immers geen straf opgelegd, terwijl ze die zonder de documentaire wél zouden hebben gekregen, aldus de Staat in de grief.
6.25
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben gesteld materiële en immateriële schade te hebben geleden doordat zij ter voorkoming van voortgaande inbreuken op hun persoonlijke levenssfeer kosten voor rechtsbijstand en communicatie adviezen hebben moeten maken en doordat de inbreuken hun rechtsgevoel hebben aangetast en grote stress bij hen hebben veroorzaakt. Zij hebben angst voor inbraken of ontvoering van familieleden gekregen, omdat in de documentaire is getoond dat in hun woningen grote bedragen aan contant geld zijn aangetroffen. In hoger beroep hebben zij nader aangevoerd dat zij om die reden zijn verhuisd naar een etagewoning zonder directe toegang vanaf de straat. Zij menen bovendien dat het Mediacontract in de weg heeft gestaan aan een alternatieve afdoening van de strafzaak. Van hun stelling dat zij ten gevolge van het onrechtmatige optreden van de Staat schade hebben geleden hebben zij bewijs aangeboden.
6.26
Het hof stelt voorop dat de Staat jegens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] (reeds op grond van art. 31c Wpg) schadeplichtig is voor zover zij ten gevolge van de door het OM gemaakte schendingen van art. 7 lid 1 Wpg en de daardoor ongerechtvaardigde inbreuken op het in art. 8 EVRM neergelegde recht op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer schade hebben geleden. Op grond van art. 612 Rv dient het hof die schade voor zover hem dat mogelijk is reeds in dit arrest te begroten. Dat geldt ook als slechts schadevergoeding op te maken bij staat is gevorderd.
6.27
In hun inleidende dagvaarding hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aangevoerd dat hun schade zich lastig laat begroten. In eerste aanleg en ten tijde van het bestreden vonnis was echter nog niet bekend hoe de strafzaak zou verlopen. Dat is inmiddels wel het geval: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn onherroepelijk veroordeeld voor het feitelijk leiding geven aan belastingfraude en aan deelname aan een criminele organisatie. De strafkamer van het hof acht voor beiden een gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats, maar heeft onder meer vanwege de medewerking van het OM aan de documentaire uiteindelijk geen straf opgelegd.
6.28
Nu in de strafzaak inmiddels een eindsituatie is ontstaan en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] nog niet concreet hebben gereageerd op het door de Staat gedane beroep op voordeelsverrekening ex art. 6:100 BW ziet het hof aanleiding om [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] de gelegenheid te geven zich alsnog nader uit te laten over het verweer van de Staat dat hun schade reeds is gecompenseerd door het feit dat hen ten gevolge van de medewerking aan de documentaire geen straf is opgelegd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] dienen die mogelijkheid tevens te benutten om zich nader uit te laten over de door hen gestelde kosten voor rechtsbijstand en communicatie adviezen, nu de Staat het bestaan van die kosten heeft betwist.
6.29
Het hof zal de zaak daarom verwijzen naar de rol voor het nemen van een akte aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] over de (omvang van de) materiële en immateriële schade die zij menen te hebben geleden ten gevolge van de door het OM gepleegde schendingen van zijn geheimhoudingsverplichting ex art. 7 lid 1 Wpg. De Staat mag daarna desgewenst nog een antwoordakte nemen.
Mediacontract nietig? (incidentele grief)
6.30
[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben zich op het standpunt gesteld, dat op basis van het Mediacontract een onwettige verstrekking van strafvorderlijke en politiegegevens heeft plaatsgevonden en een ontoelaatbare inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer is gemaakt. In het Mediacontract is bepaald dat Selfmade Films vrijwel ongeclausuleerde toegang krijgt tot het strafrechtelijke onderzoek. Bovendien moet het meelopen van de filmploeg volgens het Mediacontract geheim worden gehouden tot nà de uitspraak van de rechter in de strafzaak. Dat alles maakt het Mediacontract volgens hen naar inhoud en/of strekking strijdig met fundamentele beginselen van de rechtsorde of met algemene belangen van fundamentele aard en ingevolge art. 3:40 lid 1 BW dus nietig.
6.31
Het hof is met de Staat van oordeel dat deze nietigheidsgronden zich niet voordoen. Het Mediacontract verplichtte immers niet tot handelingen in strijd met de wet of de openbare orde. Uit de considerans van het contract volgt dat de motieven van partijen daarop ook niet waren gericht. Voor zover bij de uitvoering van het contract opnames zijn gemaakt waarbij de privacy van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in het geding (blijken te) zijn gekomen doet dat aan de geldigheid van het contract zelf niet af, nu dergelijke opnames in het contract nu juist uitdrukkelijk waren verboden. Niet voor niets is daarin bepaald dat geen (herkenbare) beeldopnames mogen worden gemaakt van verdachte personen of rechtspersonen om de privacy te beschermen en trial by media te voorkomen (art. 3.4) en dat het OM minimaal één maand voorafgaand aan de eerste openbare vertoning of uitzending van de documentaire gelegenheid moet krijgen om de documentaire te zien ter beoordeling van de vraag of correcties moeten plaatsvinden in verband met, onder meer, de privacy belangen van degenen die bij de documentaire zijn betrokken (art. 4). De stelling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] dat het Mediacontract nietig is omdat op basis daarvan vast stond dat de privacy van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zou worden geschonden ontbeert dus een feitelijke grondslag, nog daargelaten dat nergens in het Mediacontract is bepaald dat de documentaire betrekking zou hebben op alleen het FUJI onderzoek.
6.32
Dat geldt ook voor de stelling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] dat het Mediacontract de documentairemakers (vrijwel) ongeclausuleerde toegang bood tot politiegegevens waarvoor op grond van de Wpg een geheimhoudingsplicht gold. In de considerans van het Mediacontract heeft het OM zich slechts bereid verklaard om medewerking te verlenen aan het maken van beeld- en geluidsopnamen door de documentairemakers met als doel om een realistisch beeld te geven van het werk van de FIOD bij de bestrijding van grootschalige fraude in Nederland. Deze medewerking had blijkens art. 2.1 van het contract alleen betrekking op ‘nader te bepalen aspecten van het FIOD-werk’, waarvoor de documentairemakers op grond van art. 7.1 bovendien strikte vertrouwelijkheid in acht moesten nemen. Dat is noch naar zijn inhoud noch naar zijn strekking een afspraak die strijdig is met de wet, de goede zeden of de openbare orde. Het staat het OM immers vrij om, in het kader van zijn taak om het publiek voor te lichten over zijn werkzaamheden, met een documentairemaker daarover een overeenkomst aan te gaan. Het beroep op de overwegingen van het hof in de strafzaak over de Wpg dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in dit verband hebben gedaan maakt dit niet anders. Die overwegingen hebben immers slechts betrekking op de wijze waarop uiteindelijk uitvoering is gegeven aan het Mediacontract en zij zien dus niet op de inhoud of strekking ervan. De vraag over de rechtmatigheid van het Mediacontract zelf heeft in de strafzaak ook niet ter toetsing voorgelegen.
6.33
De afspraak in (de considerans van) het contract dat het meelopen van de filmploeg geheim zou worden gehouden tot nà de uitspraak in de strafzaak leidt tot slot evenmin tot de nietigheid daarvan. Die afspraak dient er juist voor te voorkomen dat eventuele, al dan niet tot [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] herleidbare, strafrechtelijke gegevens publiekelijk bekend zouden worden voordat de strafzaak op een openbare zitting zou zijn behandeld.
6.34
De incidentele grief slaagt dus niet.
Voorlopige conclusie
6.35
Met het oog op de door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] te nemen akte als bedoeld in rov. 6.28 en 6.29 houdt het hof iedere verdere beslissing aan.
7Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 23 juni 2026 voor het nemen van de in rov. 6.28 en 6.29 omschreven akte aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, mr. I. Brand en mr. R.J.J. Aerts, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.
ECLI:NL:GHDHA:2021:1823
TK 2005/2006, 30 327, nr. 3 (MvT), p. 76.
Vgl. Hoge Raad 27 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2774.