ECLI:NL:OGEAM:2025:152
text/xml
public
2026-05-06T15:00:33
2026-05-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
2025-06-12
SXM202301063, SXM202301477, SXM202400137 en SXM202400947
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Bestuursrecht; Belastingrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAM:2025:152
text/html
public
2026-05-06T15:00:01
2026-05-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:OGEAM:2025:152 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten , 12-06-2025 / SXM202301063, SXM202301477, SXM202400137 en SXM202400947
In geschil of de naheffingsaanslagen LB en premie AVBZ over het jaar 2017 terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek gaat het om de vraag of sprake is van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2, lid 2, letter a, van de Landsverordening op de Loonbelasting en belanghebbende derhalve als inhoudingsplichtige verplicht was om loonbelasting en premie AVBZ in te houden en af te dragen. Het Gerecht is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een in Sint Maarten vervulde dienstbetrekking.
Uitspraak van 12 juni 2025
BBZ nrs. SXM202301063, SXM202301477, SXM202400137 en SXM202400947
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 van:
[Belanghebbende], gevestigd te Sint Maarten,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend te Sint Maarten,
de Inspecteur.
1PROCESVERLOOP
1.1
Aan belanghebbende is op 30 december 2022 een naheffingsaanslag loonbelasting (LB) over het jaar 2017 opgelegd naar een bedrag van NAf 110.000. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag is een boete van NAf 27.500 (25%) opgelegd.
1.2
Aan belanghebbende is op 30 december 2022 een naheffingsaanslag premie AVBZ over het jaar 2017 opgelegd naar een bedrag van NAf 15.000. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag is een boete van NAf 1.875 (12,5%) opgelegd.
1.3
Belanghebbende heeft op 16 januari 2023 tegen de naheffingsaanslagen en boetes LB en AVBZ over het jaar 2017 bezwaar gemaakt.
1.4
Belanghebbende heeft op 26 september 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en boete AVBZ over het jaar 2017.
1.5
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 december 2023 het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en boete AVBZ over het jaar 2017 gegrond verklaard. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag premie AVBZ verminderd naar een bedrag van NAf 5.801 en de boete naar NAf 725.
1.6
Belanghebbende heeft op 15 december 2023 tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij het Gerecht. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150.
1.7
Belanghebbende heeft op 31 januari 2024 een nader stuk ingediend ter zake van de naheffingsaanslag en boete AVBZ over het jaar 2017.
1.8
De Inspecteur heeft op 28 maart 2024 een verweerschrift ingediend ter zake van de naheffingsaanslag en boete AVBZ over het jaar 2017.
1.9
Belanghebbende heeft op 17 april 2024 naar aanleiding van het verweerschrift een conclusie van repliek ingediend.
1.10
De Inspecteur heeft op 24 juni 2024 de naheffingsaanslag LB over het jaar 2017 verminderd naar NAf 109.009 en de boete naar NAf 27.252.
1.11
Belanghebbende heeft op 19 juli 2024 tegen deze vermindering beroep ingesteld bij het Gerecht. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150.
1.12
De Inspecteur heeft op 10 oktober 2024 een verweerschrift ingediend ter zake van de naheffingsaanslag en boete LB over het jaar 2017.
1.13
Belanghebbende heeft op 18 oktober 2024 een nader stuk ingediend ter zake van de naheffingsaanslag en boete LB over het jaar 2017.
1.14
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 november 2024 het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en boete LB over het jaar 2017 gegrond verklaard. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag LB in stand gelaten en de boete vernietigd.
1.15
Belanghebbende en de Inspecteur hebben op respectievelijk 27 november 2024 en 28 november 2024 een nader stuk ingediend. Het betreft voornoemde uitspraak op bezwaar.
1.16
De zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2024 te Philipsburg. Namens belanghebbende is verschenen mr. [A], verbonden aan [X]. Namens de Inspecteur zijn verschenen [B] LLM en [C] MSc. De Inspecteur heeft een pleitnota ingebracht.
2FEITEN
2.1
Belanghebbende is aanbieder van vluchtondersteuningsdiensten. Deze diensten bestaan onder andere uit het controleren van en diensten verlenen aan inkomende en vertrekkende luchtvaartmaatschappijen.
2.2
Bij belanghebbende is een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften LB en premie AVBZ voor de jaren 2017 tot en met 2021.
2.3
De Inspecteur heeft in verband met het dreigen te verstrijken van de naheffingstermijnen voor het jaar 2017 op 30 december 2022 ter behoud van rechten de onderhavige naheffingsaanslagen en boetes LB en premie AVBZ opgelegd.
2.4
De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het controlerapport van 22 mei 2023 (hierna: het controlerapport). Hierin is voor zover hier van belang het volgende opgenomen.
“(…)
4.2
Dienstbetrekking
4.2.1
Privaatrechtelijke dienstbetrekking
In de controlejaren heeft inhoudingsplichtige de volgende kosten als ‘Management Consulting Fee’ verwerkt:
Omschrijving
2017
2018
2019
2020
2021
Management Consulting Fee
181,560
(…)
(…)
(…)
(…)
Deze kosten zijn betaald aan de volgende ‘consultants’:
Omschrijving
2017
2018
2019
2020
2021
[D]
181,560
-
-
-
-
[Y]
(…)
181,560
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
Totaal
181,560
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
Ten aanzien van de overeenkomst met [D] en ‘[Y]’ heb ik het volgende vastgelegd:
In het jaar 2017 is een overeenkomst aangegaan met de heer [D] voor consultancy werkzaamheden.
De heer [D] was oorspronkelijk in loondienst van inhoudingsplichtige. Hij fungeerde van maart 2010 tot en met juli 2012 als directeur en van augustus 2012 tot en met juni 2015 als General Manager.
De overeenkomst is aangegaan met de heer [D], mede gezien zijn deskundigheid en ervaring als werknemer.
In de overeenkomst is opgenomen dat de taken van de heer [D] door inhoudingsplichtige worden bepaald.
De heer [D] dient periodiek aan inhoudingsplichtige te rapporteren.
Met de heer [D] is een vaste vergoeding van $8.500 per maand afgesproken.
De overeenkomst wordt beëindigd door onder andere het overlijden van de heer [D].
De overeenkomst is vervolgens met ingang van jaar 2018 overgezet naar [Y]. De voorwaarden en afspraken met de heer [D] bleven ongewijzigd.
De heer [D] is vertegenwoordiger van [Y].
Met ingang van het jaar 2019 werd de vergoeding van $8.500 naar $6.000 per maand verlaagd.
Ik heb geen informatie gevonden waaruit blijkt dat [Y] zelfstandig naar buiten toe treedt en dat zij andere opdrachtgevers heeft.
(…)
De heer [D] werkte, in afwezigheid van de General Manager, vanuit het kantoor van inhoudingsplichtige.
De werkzaamheden van de heer [D] bij inhoudingsplichtige bestonden, vóór het jaar 2020, onder andere uit:
o Deelnemen aan bedrijfsvergaderingen en veiligheidsoproepen;
o Behandelen van verzoeken en vragen van klanten;
o Dagelijkse operationele briefings voor FBO en de verschillende luchtvaartactiviteiten;
o Bespreking van dagelijkse activiteiten;
o Veiligheidswaarnemingen uitgevoerd op de veiligheidshelling en de veiligheidsdebriefing van individuele werknemers uitgevoerd indien nodig en geobserveerd.
- Na het jaar 2020 is de heer [D] ingedeelde in de FBO-planning commissie en zijn werkzaamheden zijn als volgt:
o wekelijkse conferentie- en planningsgesprekken;
o Beoordelen van de voorgestelde constructieplannen en tekeningen;
o Deelname aan operatie en veiligheidsoproepen;
o Assisteren van klanten.
De werkzaamheden en taken van de heer [D] worden feitelijk, zoals ook overeengekomen, door inhoudingsplichtige bepaald. De bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen, het geven van opdrachten en het toezicht houden met betrekking tot de werkzaamheden ligt bij inhoudingsplichtige. Hierdoor bestaat een gezagsverhouding. Een gezagsverhouding is aanwezig wanneer de opdrachtgever het recht heeft in zekere mate aanwijzingen te geven met betrekking tot de inhoud van de werkzaamheden en de wijze van uitvoering daarvan, en degene die de arbeid verricht gehouden is die aanwijzingen op te volgen.
Het is voldoende dat de gezagsverhouding rechtens bestaat, niet is vereist dat er feitelijk ook gezag wordt uitgeoefend. Omdat de voorgenoemde werkzaamheden uitsluitend door de heer [D] mogen worden uitgevoerd, kan aan het bestaan van de consultancyovereenkomst geen betekenis worden toegekend.
Omdat ook aan de andere eisen van een dienstbetrekking ‘loonbetaling’ en ‘persoonlijk arbeid verrichten’ wordt voldaan, is de consultancyovereenkomst aan te merken als een arbeidsovereenkomst tussen inhoudingsplichtige en de heer [D]. Er is dus sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen genoemde partijen.
De betalingen aan de heer [D] en [Y] dienen als loon gecorrigeerd te worden.
Correctie
2017
2018
2019
2020
2021
Loon uit dienstbetrekking [D]
181.560
(…)
(…)
(…)
(…)
Over dit loon dient alsnog LB, premie AOV/AWW en premie AVBZ te worden berekend en afgedragen. Voor de wijze waarop de na te heffen bedragen zijn berekend, verwijs ik naar het onderdeel 4.3 ‘Berekening naheffingen’.
Reactie inhoudingsplichtige
De heer [E] (General Manager) gaat namens inhoudingsplichtige niet akkoord met de voorgestelde correctie. Hij is van mening dat hierbij geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Inhoudingsplichtige baseert zijn standpunt op de volgende punten.
De heer [D] is in het jaar 2015 met pensioen gegaan. Inhoudingsplichtige was sinds 2011 bezig met het verzoek van de luchthaven om een FBO-gebouw voor hem te laten bouwen. De heer [D] was, voordat hij met pensioen is gegaan, bezig geweest met dit project. Gezien zijn ervaring is hij benaderd om te helpen met dit project. Verder begeleidt de heer [D] de nieuwe General Manager. De heer [D] heeft geen zeggenschap. Alle beslissingsbevoegdheden liggen bij de huidige directie.
Standpunt controlemedewerker
De reactie van inhoudingsplichtige spreekt mijn stelling niet tegen. Uit de reactie van inhoudingsplichtige kan afgeleid worden dat de heer [D] dezelfde werkzaamheden doet als voorheen (voor zijn pensionering). De heer [D] adviseert en begeleidt de bedrijfsvoering. Hij is hier niet zelfstandig in en moet instructies van inhoudingsplichtige volgen. Uitgaande van het voorgaande beschouw ik dat de heer [D] in dienstbetrekking is. Er is namelijk sprake van ‘gezagsverhouding’ daar de heer [D] aanwijzingen moet volgen, ‘loonbetaling’ (maandelijkse vergoeding) en ‘persoonlijke arbeid’ door de heer [D]. Op grond hiervan handhaaf ik mijn correctievoorstel.
4.3
Berekening naheffingen
4.3.1
Algemeen
In het voorgaande is in een aantal onderdelen vermeld dat sprake is van extra loon. Over deze gecorrigeerde loonbedragen is geen LB, premie AOV/AWW en premie AVBZ berekend en afgedragen. In de volgende onderdelen zal worden vermeld op welke wijze de na te heffen LB, premie AOV/AWW en premie AVBZ over dit extra loon is berekend.
4.3.2
Berekening naheffingen per werknemer
De gecorrigeerde loonbetalingen die hiervoor vermeld zijn in het onderdeel ‘Privaatrechtelijke dienstbetrekking’ zijn gedaan aan de volgende werknemer:
Omschrijving
2017
2018
2019
2020
2021
[D]
181,560
(…)
(…)
(…)
(…)
Over deze betalingen, die als loon zijn aangemerkt, is ten onrechte geen LB en premie AVBZ berekend en afgedragen.
(…)
Dit leidt tot de volgende na te heffen bedragen
Correctie
2017
2018
2019
2020
2021
Na te heffen LB
109,009
(…)
(…)
(…)
(…)
Na te heffen premie AOV/AWW
-
(…)
(…)
(…)
(…)
Na te heffen premie AVBZ
5,801
(…)
(…)
(…)
(…)
Omdat de heer [D] gepensioneerd is, is de premies AOV/AWW niet verschuldigd.
5 GEVOLGEN VOOR DE BELASTINGHEFFING
5.1
LB en premie AVBZ
Naar aanleiding van het boekenonderzoek stel ik u voor naheffingsaanslagen LB en premie AVBZ op te leggen voor de volgende bedragen:
Omschrijving
2017
2018
2019
2020
2021
Na te heffen LB
109,009
(…)
(…)
(…)
(…)
Na te heffen premie AOV/AWW
-
(…)
(…)
(…)
(…)
Na te heffen premie AVBZ
5,801
(…)
(…)
(…)
(…)
Voor het jaar 2017 zijn reeds de volgende aanslagen ter behoud van rechten opgelegd.
Omschrijving
2017
Naheffingsaanslag LB ter behoud van rechten
110,000
Naheffingsaanslag AOV/AWW ter behoud van rechten
50,000
Naheffingsaanslag premie AVBZ ter behoud van rechten
15,000
(…)”.
2.5
De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag en boete AVBZ over het jaar 2017 op 13 december 2023 (zie 1.5) en de naheffingsaanslag en boete LB over het jaar 2017 op 24 juni 2024 (zie 1.9) overeenkomstig de correcties zoals die volgen uit het controlerapport verminderd.
2.6
Tot de processtukken behoort een ‘CONSULTING AGREEMENT’ tussen belanghebbende en [D] van 2 maart 2017. Hierin is voor zover hier van belang het volgende opgenomen.
“(…) Section 1. Consulting.
Consulting Term The term of Consultant’s assignment under this Agreement will begin on the Effective Date thereof and will continue, unless otherwise terminated in the manner described in Section 3, through December 31, 2017; provided, however, such term shall automatically be extended upon mutual approval of Company and Consultant for such additional reasonable period of time as may be necessary for Consultant to complete his duties hereunder if the same are not completed by the foregoing date (such period of twelve months or more, the “Consulting Term”).
Duties, Consultant will report to such officer of the Company as the Company may from time to time direct. Initially, the Consultant will report to [H], or his designee. Consultant’s duties will be as the Company will reasonably determine from time to time including, without limitation, (i) coordinating and supervising the Company’s transition to providing FBO services (including ground handling and into-plane fueling) for general aviation aircraft at the Airport, (ii) facilitating approval for and coordinating and supervising the installation of an executive trailer at the Airport to accommodate the interim administration of its FBO services, and (iii) such other special projects reasonably requested by the Company and agraM to by Consultant. Consultant will discharge its duties and responsibilities subject to and in observance of such reasonable rules, regulations, policies, directions, and restrictions as may be established from time to time by the Company.
Services of Consultant, Consultant will be reasonably available to perform such duties and services under this Agreement through the Consulting term. At all times during the Consulting term, Consultant will be available for phone consultation as requested by the Company. Consultant will be available on-site at the Company’s operations up to three (3) days per month, as requested by the Company.
Section 2. Compensation
During the Consulting Term, as consideration for Consultant’s services, Consultant will receive a fixed monthly fee of $8,500.00, payable on or about the 15th of each month of the Consultant Term. (…). In addition to the monthly fee payable hereunder, the Company shall reimburse Consultant for all reasonable travel expenses to include airfare, ground transportation, meals and lodging relating to Consultant’s site visits to SXM Airport as necessary to perform Consultant's duties and services hereunder. (…)
Section 3. Termination
a) Termination by Company. The Consulting Term may be terminated at any time at the option of the Company.
b) Death. The Consulting Term will terminate automatically upon the death of Consultant.
c) Disability. In the event the Company reasonably determines that Consultant cannot perform the essential functions of the Consultant’s consulting position due to a disability of Owner that cannot be reasonably accommodated by the Company, the Consulting Term will terminate effective upon 10 days’ prior written notice from the Company.
d) Termination by Consultant. Consultant may terminate this Agreement if there is a breach of this Agreement by Company and said breach is not cured within days ten (10) days from receipt of termination notice. In the event of such termination, Company shall remit to Consultant the unpaid balance of the consultancy fee earned and due to Consultant, said payment to be due and payable upon demand.
Section 4. Independent Contractor Status and Authority
a) Consultant agrees and represents that it is an independent contractor and is not Company’s agent or employee for state or federal tax purposes or any other purpose whatsoever (and will not hold itself out as an employee or agent of Company), and neither Consultant or Owner is entitled to any Company employee benefits. Consultant is solely responsible for its own activities and is free to establish its methods and hours of work, free from the direction and control of Company (consistent with accomplishing the services agreed upon herein) and to carry out its activities as it sees fit. Consultant assumes full and sole responsibility for its acts, and has no authority to make commitments or enter into contracts on behalf of, bind, or otherwise obligate Company in any manner whatsoever.
b) Consultant agrees that it will be liable for all taxes, withholdings, and penalties of any nature whatsoever applicable to the payment of compensation, whether current or deferred, for the work hereunder. (…)”
2.7
Tot de processtukken behoort een verklaring van de heer [D] van 6 april 2024 gericht aan de gemachtigde van belanghebbende:
“Hello [F]
Attached are copies of my U.S. Passport. (…)
In 2017 I was rarely on the island. I did my work from NY. It shows one EXIT on Juli 14 ,2017. I don’t see an entry date. I’m not sure why. You will see multiple NYC entry stamps. You will see an entry date of September 30 ,2017 into St. Kitts. I entered SXM on October 1. PJIA was closed to airlines because of Hurricane Irma.I flew into SKB and got a ride over on a Winair charter all at my own expense. There was no one available to stamp my passport. I spent about ten days helping not only [Z] but also PJIA. AS you recall, it was a mess.
Again, as I said earlier, I spent very little time on SXM on 2017.
(…)
[D]”
3GESCHIL
3.1
De Inspecteur heeft in het verweerschrift ter zake van de naheffingsaanslag en boete AVBZ over het jaar 2017 (zie 1.8) verklaard dat de boete zal worden vernietigd. De boete bij de naheffingsaanslag LB over het jaar 2017 is bij uitspraak op bezwaar eveneens vernietigd (zie 1.14).
3.2
Derhalve is tussen partijen uitsluitend nog in geschil of de naheffingsaanslagen LB en premie AVBZ over het jaar 2017 terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek gaat het om de vraag of de heer [D] in het onderhavige jaar een dienstbetrekking vervulde als bedoeld in artikel 2, lid 2, letter a, van de Landsverordening op de Loonbelasting (LLB) en belanghebbende derhalve als inhoudingsplichtige verplicht was om loonbelasting en premie AVBZ in te houden en af te dragen.
3.3
Belanghebbende beantwoordt deze laatste vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.
4OVERWEGINGEN
Ontvankelijkheid beroep
4.1
Alvorens tot een eventuele inhoudelijke beoordeling van het geschil te kunnen overgaan, dient het Gerecht de ontvankelijkheid van belanghebbendes beroep te beoordelen.
4.2
Belanghebbende heeft op 26 september 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en boete over het jaar AVBZ 2017. Aangezien de vermindering van 24 juni 2024 (zie 1.10) niet kan worden aangemerkt als uitspraak op bezwaar, zal het Gerecht het beroep van 19 juli 2024 eveneens aanmerken als een beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en boete LB 2017.
4.3
Hangende onderhavige beroepsprocedure heeft de Inspecteur op 13 december 2023 alsnog uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en boete AVBZ 2017 en op 27 november 2024 op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en boete LB 2017. Belanghebbende heeft derhalve geen belang meer bij de beroepen tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Deze beroepen zijn mitsdien niet-ontvankelijk.
4.4
Het door belanghebbende ingestelde beroep van 26 september 2023 wordt ook geacht te zijn gericht tegen de uitspraken op bezwaar van 13 december 2023 en 27 november 2024 (GEA Curaçao, 17 april 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:57). Ook deze uitspraken zijn dus onderwerp van de onderhavige procedure.
Naheffingsaanslag LB 2017
4.5
Artikel 1 van de LLB luidt:
“Onder de naam “loonbelasting” wordt een belasting van de werknemers geheven.
Artikel 2 van de LLB luidt voor zover hier van belang:
“(…);
2. Wie niet in Sint Maarten woont, wordt slechts als werknemer beschouwd voor zover hij:
a. zijn dienstbetrekking in Sint Maarten vervult (…);
(…).”
Artikel 3 van de LLB luidt voor zover hier van belang:
“1. Als dienstbetrekking wordt beschouwd elke arbeidsverhouding, waarbij een gezagsverhouding bestaat tussen degene die werk opdraagt en degene die het uitvoert.
(…)”
Artikel 4 van de LLB luidt voor zover hier van belang:
“1. Inhoudingsplichtige is:
a. degene, tot wie één of meer personen in dienstbetrekking staan;
(…)”
4.6
In de Memorie van Toelichting bij de Landsverordening tot invoering van een loonbelasting alsmede tot wijziging van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (P.B. 1956, no. 9) en de Landsverordening toescheiding belastingopbrengsten (P.B. 1955, no. 100) is bij artikel 3 (p. 5) onder andere het volgende opgenomen:
“Hoewel het praktisch onmogelijk is een allesomvattend fiscaal begrip “dienstbetrekking” te formuleren, is hier ter wille van de rechtszekerheid gekozen voor de toestand waarbij een gezagsverhouding bestaat tussen degene die werk opdraagt en degene die het uitvoert (..)
Voor de beoordeling of er een gezagsverhouding aanwezig is, is niet beslissend of iemand zich tot bepaalde werkzaamheden heeft verbonden, maar of hij verplicht is bij het vervullen van die werkzaamheden de opdrachten of aanwijzingen van de wederpartij te volgen. Niet noodzakelijk is dat het gezag daadwerkelijk wordt uitgeoefend. Voldoende is dat de bevoegdheid daartoe aanwezig is. De bewijslast omtrent het bestaan van een gezagsverhouding rust op de inspecteur der Belastingen.”
4.7
Tussen partijen is niet in geschil dat de heer [D] in het onderhavige jaar niet in Sint Maarten woonde. Ingevolge het hiervoor aangehaalde artikel 2, lid 2, letter a, LLB kan de heer [D] in dat geval slechts als werknemer worden beschouwd voor zover hij zijn dienstbetrekking in Sint Maarten vervult. De bewijslast ter zake rust op de Inspecteur.
4.8
De Inspecteur verwijst in dit kader naar de ‘consulting agreement’, meer specifiek naar sectie 1(b). Hieruit volgt dat de taken van de heer [D] worden bepaald door belanghebbende en hij bij de uitvoering daarvan verplicht is opdrachten, instructies en aanwijzingen van belanghebbende op te volgen en zich moet houden aan richtlijnen en het beleid van belanghebbende net als andere personeelsleden. Ook dient de heer [D] op verzoek van belanghebbende van tijd tot tijd te rapporteren. Gelet op het voorgaande is volgens de Inspecteur sprake van een gezagsverhouding tussen belanghebbende en de heer [D]. Ook hetgeen verder in de overeenkomst is opgenomen, waaronder het ontvangen van een vaste vergoeding op of omstreeks een vaste dag, de wijze van declaratie van reiskosten, maaltijden en verblijfskosten en de omstandigheid dat de heer [D] naar alle waarschijnlijkheid geen andere opdrachtgevers zou hebben, duiden er volgens de Inspecteur op dat de heer [D] in dienstbetrekking is bij belanghebbende. In dat kader verwijst de Inspecteur naar een uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 december 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:10512) en de Hoge Raad van 9 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1121). Tot slot merkt de Inspecteur op dat de heer [D] jarenlang directeur is geweest van belanghebbende en zich nog steeds als zodanig profileert op Linkedin.
4.9
Belanghebbende betwist dat sprake is van een in Sint Maarten vervulde dienstbetrekking. De heer [D] heeft uitsluitend op afstand vanuit Amerika voor belanghebbende gewerkt en ook zijn de werkzaamheden niet in dienstbetrekking verricht.
4.10
Het Gerecht is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een in Sint Maarten vervulde dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2, lid 2, letter a, LLB. Het Gerecht gaat er daarbij vanuit dat het in artikel 2, lid 2, letter a bepaalde – ‘zijn dienstbetrekking in Sint Maarten vervult’ – grammaticaal moet worden opgevat en betekent dat de aldaar vermelde werknemer fysiek in Sint Maarten werkzaam dient te zijn. Uit de parlementaire toelichting op de wet blijkt niet dat de wetgever heeft bedoeld af te wijken van een grammaticale duiding van de wettekst.
De tekst van de wet stamt uit 1975 en beantwoordt wellicht niet meer (volledig) aan de vele manieren van werken in de huidige tijd, zoals bijvoorbeeld tijd- en plaatsonafhankelijk werken. Indien evenwel de (gedateerde) tekst van de wet niet langer strookt met de dagelijkse praktijk is het niet aan de rechter, maar aan de wetgever, om tekst en praktijk met elkaar in overeenstemming te brengen.
4.11
Belanghebbende heeft gesteld dat de heer [D] in 2017 slechts 14 dagen in Sint Maarten is geweest en dat hij van die 14 dagen gedurende 10 dagen hulp heeft verleend om mede de nood te lenigen die werd veroorzaakt door de orkaan Irma (zie in dit kader de verklaring van de heer [D] in 2.7). Ten bewijze van de gestelde duur van dat verblijf heeft belanghebbende pagina’s uit het paspoort van de heer [D] overgelegd. De Inspecteur heeft het door belanghebbende gestelde niet dan wel in onvoldoende mate weersproken. De vier resterende dagen (14 - 10 dagen) die de heer [D] in 2017 in Sint Maarten zou zijn verbleven, rechtvaardigen geenszins dat een loonsom van NAf 181.560 en een daarover na te heffen bedrag van NAf 109.009 in aanmerking wordt genomen.
4.12
Naast het vereiste van een fysieke aanwezigheid op Sint Maarten, dient de heer [D] in hoedanigheid van werknemer in dienstbetrekking te staan tot belanghebbende. Of sprake is van een dienstbetrekking is afhankelijk van de feiten. Partijen hebben ten aanzien van de feiten (zeer) weinig gesteld. Beiden verwijzen naar de ‘consulting agreement’ en menen dat op grond van die overeenkomst wel (de Inspecteur) of niet (belanghebbende) sprake is van een dienstbetrekking. Het Gerecht betwijfelt ten zeerste of sprake is van een dienstbetrekking. De ‘consulting agreement’ biedt echter zowel aanknopingspunten voor de aanwezigheid als de afwezigheid van een dienstbetrekking. In het bijzonder het bepaalde onder sectie 4. van de overeenkomst wijst niet bepaald op een dienstbetrekking: de heer [D] is als onafhankelijk adviseur verantwoordelijk voor de eigen activiteiten, is vrij om zijn eigen methoden en werkuren te bepalen, zonder dat daarop controle vanuit belanghebbende plaatsvindt, en het is hem toegestaan zijn werkzaamheden uit te voeren zoals hij dat goed acht.
4.13
Alhoewel de ‘consulting agreement’ ook bepalingen bevat die wél wijzen op de aanwezigheid van een dienstbetrekking is het Gerecht, alles bijeen genomen, van oordeel dat de Inspecteur er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat er voldoende grond(slag) is om ter zake van de door de heer [D] verrichte werkzaamheden een naheffingsaanslag loonbelasting op te leggen. Daarbij acht het Gerecht, zoals hiervoor vermeld, in het bijzonder doorslaggevend de zeer beperkte aanwezigheid van de heer [D] op Sint Maarten in 2017 alsook het feit dat de ‘consultant agreement’ onvoldoende overtuigend wijst in de richting van een dienstbetrekking.
De conclusie is dan ook dat de naheffingsaanslag loonbelasting voor het jaar 2017 vernietigd dient te worden.
Naheffingsaanslag premie AVBZ 2017
4.14
Artikel 4 van de Landsverordening algemene verzekering bijzondere ziektekosten (LAVBZ) luidt voor zover hier van belang:
“1. Verzekerd ingevolge deze landsverordening is degene die:
(…);
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Sint Maarten verrichte arbeid, aan loonbelasting onderworpen is.
(…)”
Artikel 22, lid 3 van de Landsverordening algemene verzekering bijzondere ziektekosten luidt:
“3. De premie van de verzekerde, die in dienstbetrekking werkzaam is, wordt geheven bij wege van inhouding door de werkgever.”
4.15
Het Gerecht verwijst naar hetgeen hiervoor ten aanzien van de naheffingsaanslag LB over het jaar 2017 is overwogen. Er is geen sprake van in Sint Maarten verrichte arbeid ter zake waarvan de heer [D] in het onderhavige jaar aan loonbelasting is onderworpen. De heer [D] kan niet als verzekerde als bedoeld in artikel 4 LAVBZ worden aangemerkt. Door belanghebbende hoefden er derhalve geen premies te worden ingehouden. De overige stellingen van belanghebbende omtrent de verzekerings- en premieplicht behoeven geen behandeling. Het voorgaande betekent dat ook de naheffingsaanslag AVBZ over het jaar 2017 vernietigd dient te worden.
5(PROCES)KOSTEN EN GRIFFIERECHT
Kosten bezwaarfase
5.1
Ingevolge artikel 32a, lid 1 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) worden, op verzoek van de belastingplichtige, de kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vergoed voor zover de aanslag door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is opgelegd. Het verzoek moet worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in de Regeling proceskostenvergoeding bezwaarfase belastingzaken.
5.2
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar (AVBZ 2017) heeft belanghebbende niet verzocht om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, zodat deze kosten op grond van artikel 32a, lid 2 van de niet voor vergoeding in aanmerking komen. Voor zover het in het stuk van 18 oktober 2024 gedane verzoek (LB 2017) wel als tijdig ingediend moet worden beschouwd, omdat een verminderingsbeschikking niet als uitspraak op bezwaar heeft te gelden, is het Gerecht van oordeel dat deze aanslag niet door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is opgelegd.
Kosten beroepsfase
5.3
Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.4
In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, AB 2013, GT no. 5122 (voorheen PB 2001, no. 127) (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
5.5
In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 1.750 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 1).
5.6
Ingevolge artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan in bijzondere omstandigheden van een forfaitaire proceskostenvergoeding worden afgeweken. Belanghebbende heeft in haar beroepschrift verzocht om een integrale proceskostenvergoeding. Dit verzoek is niet met bescheiden onderbouwd en wordt reeds daarom door het Gerecht afgewezen.
Griffierecht
5.7
Op grond van artikel 18, lid 4 LBB dient de Inspecteur het betaalde griffierecht van in totaal NAf 300 aan belanghebbende te vergoeden.
6DE BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart de beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren niet-ontvankelijk;
verklaart de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar gegrond;
vernietigt de uitspraken op bezwaar;
vernietigt de naheffingsaanslagen LB en premie AVBZ over het jaar 2017;
vernietigt voor zover de Inspecteur daartoe nog niet toe zijn overgegaan de boete bij de naheffingsaanslag AVBZ 2017;
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 1.750; en
draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van in totaal NAf 300 te vergoeden.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en is uitgesproken op 12 juni 2025, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Frontstreet 58 (The Courthouse)
Philipsburg
Sint Maarten
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van NAf 300 verschuldigd.