Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:OGEAM:2026:58

In geschil of de naheffingsaanslagen LB en AVBZ over de jaren 2018 tot en met 2021 terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek gaat het om de vraag of sprake is van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2, lid 2, letter a, van de Landsverordening op de Loonbelasting en belanghebbende derhalve als inhoudingsplichtige verplicht was om loonbelasting en premie AVBZ in te ...

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 6 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:OGEAM:2026:58 text/xml public 2026-05-06T15:04:33 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 2026-05-04 SXM202500447 tot en met SXM202500450 en SXM202500452 tot en met SXM202500455 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAM:2026:58 text/html public 2026-05-06T15:04:23 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:OGEAM:2026:58 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten , 04-05-2026 / SXM202500447 tot en met SXM202500450 en SXM202500452 tot en met SXM202500455
In geschil of de naheffingsaanslagen LB en AVBZ over de jaren 2018 tot en met 2021 terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek gaat het om de vraag of sprake is van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2, lid 2, letter a, van de Landsverordening op de Loonbelasting en belanghebbende derhalve als inhoudingsplichtige verplicht was om loonbelasting en premie AVBZ in te houden en af te dragen. Het Gerecht is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een in Sint Maarten vervulde dienstbetrekking.

Uitspraak van 4 mei 2026

BBZ nrs. SXM202500447 tot en met SXM202500450 en SXM202500452 tot en met SXM202500455

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 van:

[Belanghebbende], gevestigd te Sint Maarten,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend te Sint Maarten,

de Inspecteur.
1PROCESVERLOOP 1.1
Aan belanghebbende zijn op 24 juni 2024 naheffingsaanslagen loonbelasting (LB) en boetes opgelegd naar de volgende bedragen:

Middel

Jaar

Naheffingsaanslag

Boete

Loonbelasting

2018

NAf 108.229

NAf 27.057

Loonbelasting

2019

NAf 59.914

NAf 14.978

Loonbelasting

2020

NAf 59.535

NAf 14.883

Loonbelasting

2021

NAf 59.407

NAf 14.851
1.2
Eveneens op 24 juni 2024 zijn aan belanghebbende naheffingsaanslagen premie AVBZ (AVBZ) en boetes opgelegd naar de volgende bedragen:

Middel

Jaar

Naheffingsaanslag

Boete

AVBZ

2018

NAf 5.785

NAf 1.446

AVBZ

2019

NAf 3.751

NAf 937

AVBZ

2020

NAf 3.743

NAf 935

AVBZ

2021

NAf 3.741

NAf 935
1.3
Belanghebbende heeft op 19 juli 2024 tegen de naheffingsaanslagen en boetes LB en AVBZ over de jaren 2018 tot en 2021 bezwaar gemaakt.
1.4
De Inspecteur heeft op 7 april 2025 over alle jaren uitspraken op bezwaar gedaan. Daarbij heeft de Inspecteur de naheffingsaanslagen LB en AVBZ voor de jaren 2018 tot en met 2021 gehandhaafd en de boetes over die jaren vernietigd.
1.5
Belanghebbende heeft op 16 april 2025 tegen de uitspraken op bezwaar van de Inspecteur beroep ingesteld bij het Gerecht. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 300 (tweemaal NAf 150).
1.6
De Inspecteur heeft op 22 november 2025 een verweerschrift ingediend.
1.7
Belanghebbende heeft op 25 november 2025 naar aanleiding van het verweerschrift haar beroep nader gemotiveerd
1.8
De zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2025 te Philipsburg. Namens belanghebbende is verschenen mr. [A], verbonden aan [X]. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [B] en mr. [C].
2FEITEN 2.1
Belanghebbende is aanbieder van vluchtondersteuningsdiensten. Deze diensten bestaan onder andere uit het controleren van en diensten verlenen aan inkomende en vertrekkende luchtvaartmaatschappijen.
2.2
Bij belanghebbende is een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften LB en premie AVBZ voor de jaren 2017 tot en met 2021.
2.3
De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het controlerapport van 22 mei 2023 (hierna: het controlerapport). Hierin is voor zover hier van belang het volgende opgenomen.

“(…)
4.2
Dienstbetrekking
4.2.1
Privaatrechtelijke dienstbetrekking

In de controlejaren heeft inhoudingsplichtige de volgende kosten als ‘Management Consulting Fee’ verwerkt:

Omschrijving

2017

2018

2019

2020

2021

Management Consulting Fee

(…)

181,560

352,440

227,840

217,160

Deze kosten zijn betaald aan de volgende ‘consultants’:

Omschrijving

2017

2018

2019

2020

2021

[D]

(…)

-

-

-

-

[Y]

(…)

181,560

128,160

128,160

128,160

(…)

-

-

170,880

99,680

89,000

Totaal

181,560

181,560

352,440

227,840

217,160

(…)

Ten aanzien van de overeenkomst met [D] en ‘[Y]’ heb ik het volgende vastgelegd:

In het jaar 2017 is een overeenkomst aangegaan met de heer [D] voor consultancy werkzaamheden.

De heer [D] was oorspronkelijk in loondienst van inhoudingsplichtige. Hij fungeerde van maart 2010 tot en met juli 2012 als directeur en van augustus 2012 tot en met juni 2015 als General Manager.

De overeenkomst is aangegaan met de heer [D], mede gezien zijn deskundigheid en ervaring als werknemer.

In de overeenkomst is opgenomen dat de taken van de heer [D] door inhoudingsplichtige worden bepaald.

De heer [D] dient periodiek aan inhoudingsplichtige te rapporteren.

Met de heer [D] is een vaste vergoeding van $8.500 per maand afgesproken.

De overeenkomst wordt beëindigd door onder andere het overlijden van de heer [D].

De overeenkomst is vervolgens met ingang van jaar 2018 overgezet naar [Y]. De voorwaarden en afspraken met de heer [D] bleven ongewijzigd.

De heer [D] is vertegenwoordiger van [Y].

Met ingang van het jaar 2019 werd de vergoeding van $8.500 naar $6.000 per maand verlaagd.

Ik heb geen informatie gevonden waaruit blijkt dat [Y] zelfstandig naar buiten toe treedt en dat zij andere opdrachtgevers heeft.

(…)

De heer [D] werkte, in afwezigheid van de General Manager, vanuit het kantoor van inhoudingsplichtige.

De werkzaamheden van de heer [D] bij inhoudingsplichtige bestonden, vóór het jaar 2020, onder andere uit:

o Deelnemen aan bedrijfsvergaderingen en veiligheidsoproepen;

o Behandelen van verzoeken en vragen van klanten;

o Dagelijkse operationele briefings voor FBO en de verschillende luchtvaartactiviteiten;

o Bespreking van dagelijkse activiteiten;

o Veiligheidswaarnemingen uitgevoerd op de veiligheidshelling en de veiligheidsdebriefing van individuele werknemers uitgevoerd indien nodig en geobserveerd.

- Na het jaar 2020 is de heer [D] ingedeeldd in de FBO-planning commissie en zijn werkzaamheden zijn als volgt:

o wekelijkse conferentie- en planningsgesprekken;

o Beoordelen van de voorgestelde constructieplannen en tekeningen;

o Deelname aan operatie en veiligheidsoproepen;

o Assisteren van klanten.

De werkzaamheden en taken van de heer [D] worden feitelijk, zoals ook overeengekomen, door inhoudingsplichtige bepaald. De bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen, het geven van opdrachten en het toezicht houden met betrekking tot de werkzaamheden ligt bij inhoudingsplichtige. Hierdoor bestaat een gezagsverhouding. Een gezagsverhouding is aanwezig wanneer de opdrachtgever het recht heeft in zekere mate aanwijzingen te geven met betrekking tot de inhoud van de werkzaamheden en de wijze van uitvoering daarvan, en degene die de arbeid verricht gehouden is die aanwijzingen op te volgen.

Het is voldoende dat de gezagsverhouding rechtens bestaat, niet is vereist dat er feitelijk ook gezag wordt uitgeoefend. Omdat de voorgenoemde werkzaamheden uitsluitend door de heer [D] mogen worden uitgevoerd, kan aan het bestaan van de consultancyovereenkomst geen betekenis worden toegekend.

Omdat ook aan de andere eisen van een dienstbetrekking ‘loonbetaling’ en ‘persoonlijk arbeid verrichten’ wordt voldaan, is de consultancyovereenkomst aan te merken als een arbeidsovereenkomst tussen inhoudingsplichtige en de heer [D]. Er is dus sprake van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen genoemde partijen.

De betalingen aan de heer [D] en [Y] dienen als loon gecorrigeerd te worden.

Correctie

2017

2018

2019

2020

2021

Loon uit dienstbetrekking [D]

(…)

181,560

128,160

128,860

128,160

Over dit loon dient alsnog LB, premie AOV/AWW en premie AVBZ te worden berekend en afgedragen. Voor de wijze waarop de na te heffen bedragen zijn berekend, verwijs ik naar het onderdeel 4.3 ‘Berekening naheffingen’.

Reactie inhoudingsplichtige

De heer [E] (General Manager) gaat namens inhoudingsplichtige niet akkoord met de voorgestelde correctie. Hij is van mening dat hierbij geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Inhoudingsplichtige baseert zijn standpunt op de volgende punten.

De heer [D] is in het jaar 2015 met pensioen gegaan. Inhoudingsplichtige was sinds 2011 bezig met het verzoek van de luchthaven om een FBO-gebouw voor hem te laten bouwen. De heer [D] was, voordat hij met pensioen is gegaan, bezig geweest met dit project. Gezien zijn ervaring is hij benaderd om te helpen met dit project. Verder begeleidt de heer [D] de nieuwe General Manager. De heer [D] heeft geen zeggenschap. Alle beslissingsbevoegdheden liggen bij de huidige directie.

Standpunt controlemedewerker

De reactie van inhoudingsplichtige spreekt mijn stelling niet tegen. Uit de reactie van inhoudingsplichtige kan afgeleid worden dat de heer [D] dezelfde werkzaamheden doet als voorheen (voor zijn pensionering). De heer [D] adviseert en begeleidt de bedrijfsvoering. Hij is hier niet zelfstandig in en moet instructies van inhoudingsplichtige volgen. Uitgaande van het voorgaande beschouw ik dat de heer [D] in dienstbetrekking is. Er is namelijk sprake van ‘gezagsverhouding’ daar de heer [D] aanwijzingen moet volgen, ‘loonbetaling’ (maandelijkse vergoeding) en ‘persoonlijke arbeid’ door de heer [D]. Op grond hiervan handhaaf ik mijn correctievoorstel.
4.3
Berekening naheffingen
4.3.1
Algemeen

In het voorgaande is in een aantal onderdelen vermeld dat sprake is van extra loon. Over deze gecorrigeerde loonbedragen is geen LB, premie AOV/AWW en premie AVBZ berekend en afgedragen. In de volgende onderdelen zal worden vermeld op welke wijze de na te heffen LB, premie AOV/AWW en premie AVBZ over dit extra loon is berekend.
4.3.2
Berekening naheffingen per werknemer

De gecorrigeerde loonbetalingen die hiervoor vermeld zijn in het onderdeel ‘Privaatrechtelijke dienstbetrekking’ zijn gedaan aan de volgende werknemer:

Omschrijving

2017

2018

2019

2020

2021

[D]

(…)

181,560

128,160

128,160

128,160

Over deze betalingen, die als loon zijn aangemerkt, is ten onrechte geen LB en premie AVBZ berekend en afgedragen.

(…)

Dit leidt tot de volgende na te heffen bedragen

Correctie

2017

2018

2019

2020

2021

Na te heffen LB

(…)

108,229

59,914

59,535

59,407

Na te heffen premie AOV/AWW

(…)

-

-

-

-

Na te heffen premie AVBZ

﷐ (…)

5,785

3,751

3,743

3,741

Omdat de heer [D] gepensioneerd is, is de premies AOV/AWW niet verschuldigd.

5 GEVOLGEN VOOR DE BELASTINGHEFFING
5.1
LB en premie AVBZ

Naar aanleiding van het boekenonderzoek stel ik u voor naheffingsaanslagen LB en premie AVBZ op te leggen voor de volgende bedragen:

Omschrijving

2017

2018

2019

2020

2021

Na te heffen LB

(…)

108,229

59,914

59,535

59,407

Na te heffen premie AOV/AWW

(…)

-

-

-

-

Na te heffen premie AVBZ

(…)

5,785

3,751

3,743

3,741

(…)”.
2.4
Tot de processtukken behoort een ‘CONSULTING AGREEMENT’ tussen belanghebbende en [D] van 2 maart 2017. Hierin is voor zover hier van belang het volgende opgenomen.

“(…) Section 1. Consulting.

Consulting Term The term of Consultant’s assignment under this Agreement will begin on the Effective Date thereof and will continue, unless otherwise terminated in the manner described in Section 3, through December 31, 2017; provided, however, such term shall automatically be extended upon mutual approval of Company and Consultant for such additional reasonable period of time as may be necessary for Consultant to complete his duties hereunder if the same are not completed by the foregoing date (such period of twelve months or more, the “Consulting Term”).

Duties, Consultant will report to such officer of the Company as the Company may from time to time direct. Initially, the Consultant will report to [H], or his designee. Consultant’s duties will be as the Company will reasonably determine from time to time including, without limitation, (i) coordinating and supervising the Company’s transition to providing FBO services (including ground handling and into-plane fueling) for general aviation aircraft at the Airport, (ii) facilitating approval for and coordinating and supervising the installation of an executive trailer at the Airport to accommodate the interim administration of its FBO services, and (iii) such other special projects reasonably requested by the Company and agreed to by Consultant. Consultant will discharge its duties and responsibilities subject to and in observance of such reasonable rules, regulations, policies, directions, and restrictions as may be established from time to time by the Company.

Services of Consultant, Consultant will be reasonably available to perform such duties and services under this Agreement through the Consulting term. At all times during the Consulting term, Consultant will be available for phone consultation as requested by the Company. Consultant will be available on-site at the Company’s operations up to three (3) days per month, as requested by the Company.

Section 2. Compensation

During the Consulting Term, as consideration for Consultant’s services, Consultant will receive a fixed monthly fee of $8,500.00, payable on or about the 15th of each month of the Consultant Term. (…). In addition to the monthly fee payable hereunder, the Company shall reimburse Consultant for all reasonable travel expenses to include airfare, ground transportation, meals and lodging relating to Consultant’s site visits to SXM Airport as necessary to perform Consultant's duties and services hereunder. (…)

Section 3. Termination

a) Termination by Company. The Consulting Term may be terminated at any time at the option of the Company.

b) Death. The Consulting Term will terminate automatically upon the death of Consultant.

c) Disability. In the event the Company reasonably determines that Consultant cannot perform the essential functions of the Consultant’s consulting position due to a disability of Owner that cannot be reasonably accommodated by the Company, the Consulting Term will terminate effective upon 10 days’ prior written notice from the Company.

d) Termination by Consultant. Consultant may terminate this Agreement if there is a breach of this Agreement by Company and said breach is not cured within days ten (10) days from receipt of termination notice. In the event of such termination, Company shall remit to Consultant the unpaid balance of the consultancy fee earned and due to Consultant, said payment to be due and payable upon demand.

Section 4. Independent Contractor Status and Authority

a) Consultant agrees and represents that it is an independent contractor and is not Company’s agent or employee for state or federal tax purposes or any other purpose whatsoever (and will not hold itself out as an employee or agent of Company), and neither Consultant or Owner is entitled to any Company employee benefits. Consultant is solely responsible for its own activities and is free to establish its methods and hours of work, free from the direction and control of Company (consistent with accomplishing the services agreed upon herein) and to carry out its activities as it sees fit. Consultant assumes full and sole responsibility for its acts, and has no authority to make commitments or enter into contracts on behalf of, bind, or otherwise obligate Company in any manner whatsoever.

b) Consultant agrees that it will be liable for all taxes, withholdings, and penalties of any nature whatsoever applicable to the payment of compensation, whether current or deferred, for the work hereunder. (…)”
2.5
Op 2 januari 2018 heeft belanghebbende met [Y] een overeenkomst gesloten. De overeenkomst is namens [Y] ondertekend door [D].

De op 2 januari 2018 gesloten overeenkomst is grotendeels gelijk aan de overeenkomst van 2 maart 2017 tussen belanghebbende en de heer [D]. Verschillend zijn alleen de datum in Section 1, onder a, Consulting Term, die in de overeenkomst van 2 januari 2018 is gewijzigd in ‘December 31, 2019’ en het bepaalde in Section 2 Compensation, alwaar in laatstgenoemde overeenkomst is bepaald:

“During the Consulting Term, as consideration for Consultant’s services, Consultant will receive a fixed monthly fee of $ 8.500, payable on or about the 15th of each month of the Consulting Term. If the Company or Consultant desire to extend the Consulting Term beyond December 31, 2019, Company and Consultant shall negotiate in good faith to mutually determine if an adjustment to the monthly fee is appropriate commencing on January 1, 2020. In addition to the monthly fee payable hereunder, the Company shall reimburse Consultant for all reasonable travel expenses to include airfare, ground transportation, meals and lodging relating to Consultant’s site visits to SXM Airport as necessary to perform Consultant’s duties and services hereunder. All dollar ($) amounts set forth in this Agreement mean the lawful currency of the United States.”
2.6
Tot de stukken van het geding behoren ‘Profit or Loss From Business’ voor de jaren 2018, 2020 en 2021. Op deze formulieren worden, ten behoeve van de Amerikaanse belastingdienst overzichten verstrekt van de door [Y] behaalde opbrengsten, kosten en nettowinst. Als eigenaar (name of proprietor) is op deze formulieren vermeld [D]. Als bedrijfsadres is vermeld [adres 1], [adres VS], zijnde het woonadres van de heer [D]. Voor de jaren 2018, 2020 en 2021 zijn als ‘Gross receipts of sales’ (bruto opbrengsten van verkopen vermeld: $ 102.000 (2018), $ 74.500 (2020) en $ 66.000 (2021).
2.7
Tot de stukken van het geding behoort ook een verklaring van de heer [D] van 16 september 2023 aan de gemachtigde waarin hij verklaart:

“Mr. [F]

Attached is information t5hat should be very helpful to our case.

I have attached a copy of my passport als wel as pages showing of some of my arrivals and departures into and out of SXM. On one page you will see a stamp from St. Kitts. I went to SXM for about two weeks assisting with getting the [Z] operation back up and running after Hurricane Irma.

(….).“

Op de mee gestuurde kopieën van het paspoort is te zien op welke datum de heer [D] is aangekomen op en vertrokken van Sint Maarten. Niet in alle gevallen is een verband te leggen tussen de datum van aankomst en vertrek.

Uit de kopieën is af te leiden dat de heer [D] in de maanden mei, oktober, november en december 2018 vanuit Sint Maarten is vertrokken, in oktober 2019 vanuit Sint Maarten is vertrokken, in 2020 is aangekomen in januari en februari en in 2021 is aangekomen en vertrokken in september 2021 en aangekomen in december 2021.
2.8
Tot de stukken van het geding behoort daarnaast een verklaring van de heer [D] van 6 april 2024 gericht aan de gemachtigde van belanghebbende:

“Hello [G]

Attached are copies of my U.S. Passport. (…)

In 2017 I was rarely on the island. I did my work from NY. It shows one EXIT on Juli 14 ,2017. I don’t see an entry date. I’m not sure why. You will see multiple NYC entry stamps. You will see an entry date of September 30 ,2017 into St. Kitts. I entered SXM on October 1. PJIA was closed to airlines because of Hurricane Irma.I flew into SKB and got a ride over on a Winair charter all at my own expense. There was no one available to stamp my passport. I spent about ten days helping not only [Z] but also PJIA. AS you recall, it was a mess.

Again, as I said earlier, I spent very little time on SXM on 2017.

(…)

[D]”
2.9
In een mail van 26 november 2025 aan de gemachtigde schrijft de heer [D]:

“[G]

From what I can figure out I was the following:

2018.. I was there fore a total of ten days: Five in April and five in December. This was usually the thing every day. April for my grandsons birthday and five in December for family vacation. I normally spent 1 day or less at the FBO.

2019 five days in April and six in December. Again I visited the FBO for less than one day each time.

2020 six days in April and five in December. Also just visited the FBO each time for a day or less.

2021 same as 2018..

Again it was the pattern of April fort my grandsons birthday and December also with the family at Chrismas.”
3GESCHIL 3.1
Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslagen LB en AVBZ voor de jaren 2018 tot en met 2021 gehandhaafd en de boetes voor wat betreft die jaren vernietigd.
3.2
Derhalve is tussen partijen uitsluitend nog in geschil of de naheffingsaanslagen LB en AVBZ over de jaren 2018 tot en met 2021 terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer specifiek gaat het om de vraag of de heer [D] in het onderhavige jaar een dienstbetrekking vervulde als bedoeld in artikel 2, lid 2, letter a, van de Landsverordening op de Loonbelasting (Lv LB) en belanghebbende derhalve als inhoudingsplichtige verplicht was om loonbelasting en premie AVBZ in te houden en af te dragen.
3.3
Belanghebbende beantwoordt deze laatste vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.
4OVERWEGINGEN De Inspecteur heeft verzuimd belanghebbende te horen 4.1
Ingevolge artikel 30, lid 4 Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) wordt een belanghebbende die in zijn bezwaarschrift het verlangen daartoe te kennen geeft, vóór de uitspraak op bezwaar, gehoord. In haar bezwaarschrift heeft belanghebbende expliciet verzocht te worden gehoord in het geval de Inspecteur voornemens is om het bezwaar af te wijzen.
4.2
De Inspecteur is niet geheel aan het bezwaar tegemoetgekomen, maar heeft verzuimd belanghebbende, ondanks haar verzoek daartoe, te horen. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende door niet te worden gehoord is benadeeld aangezien (mede) sprake is van feiten en de waardering daarvan die in geschil zijn. Het Gerecht zal evenwel niet terugwijzen, omdat belanghebbende in het gelijk zal worden gesteld (zie hierna) en het horen in zoverre geen enkel doel dient (ECLI:NL:HR:2003:AF9495).

Reeds vanwege het feit dat belanghebbende niet is gehoord en daardoor is benadeeld, dient het beroep gegrond te worden verklaard.
4.3
Het Gerecht heeft op 12 juni 2025 uitspraak gedaan inzake een door belanghebbende ingesteld beroep tegen de uitspraken op bezwaar betreffende naheffingsaanslagen LB en AVBZ over het jaar 2017. Het Gerecht heeft in die uitspraak het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslagen vernietigd. Ter zitting van het Gerecht is gebleken dat de Inspecteur niet bekend was met de uitspraak van het Gerecht van 12 juni 2025. Redengevend daarvoor is dat de in die zaak namens de Inspecteur opgetreden twee ambtenaren wegens ziekte en genomen ontslag niet langer werkzaam waren bij de Belastingdienst.

De onderhavige zaak verschilt feitelijk nauwelijks van de zaak waarin het Gerecht uitspraak heeft gedaan op 12 juni 2025. Het belangrijkste verschil is dat de heer [D] sedert 2018 niet langer rechtstreeks werkzaamheden verricht voor belanghebbende, maar dat hij door [Y] ter beschikking is gesteld om werkzaamheden voor belanghebbende te verrichten. Contractueel is derhalve [Y] sedert 2018 de partij waarmee belanghebbende een overeenkomst heeft gesloten om de werkzaamheden te (laten) verrichten die feitelijk door de heer [D] worden verricht. Een ander verschil is dat de beloning geleidelijk aan is verminderd van USD $ 8.500 in 2017 tot en met 2019 naar USD $ 6.000 vanaf 2020. Naar het Gerecht veronderstelt zal dit te maken hebben met afnemende werkzaamheden, verricht door de heer [D], mede gegeven de leeftijd van de heer [D], die in 2020 71 jaar oud was.

Gegeven de geringe feitelijke verschillen met het jaar 2017, en omdat in deze zaak niet of nauwelijks nieuwe of andere feiten en omstandigheden door partijen zijn ingebracht, zal het niet verbazen dat de uitspraak in deze zaak nauwelijks zal verschillen met de uitspraak van 12 juni 2025.

Naheffingsaanslagen LB 2018 tot en met 2021
4.4
Artikel 1 van de Lv LB luidt:

“Onder de naam “loonbelasting” wordt een belasting van de werknemers geheven.

Artikel 2 van de Lv LB luidt voor zover hier van belang:

“(…);

2. Wie niet in Sint Maarten woont, wordt slechts als werknemer beschouwd voor zover hij:

a. zijn dienstbetrekking in Sint Maarten vervult (…);

(…).”

Artikel 3 van de Lv LB luidt voor zover hier van belang:

“1. Als dienstbetrekking wordt beschouwd elke arbeidsverhouding, waarbij een gezagsverhouding bestaat tussen degene die werk opdraagt en degene die het uitvoert.

(…)”

Artikel 4 van de Lv LB luidt voor zover hier van belang:

“1. Inhoudingsplichtige is:

a. degene, tot wie één of meer personen in dienstbetrekking staan;

(…)”
4.5
In de Memorie van Toelichting bij de Landsverordening tot invoering van een loonbelasting alsmede tot wijziging van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (P.B. 1956, no. 9) en de Landsverordening toescheiding belastingopbrengsten (P.B. 1955, no. 100) is bij artikel 3 (p. 5) onder andere het volgende opgenomen:

“Hoewel het praktisch onmogelijk is een allesomvattend fiscaal begrip “dienstbetrekking” te formuleren, is hier ter wille van de rechtszekerheid gekozen voor de toestand waarbij een gezagsverhouding bestaat tussen degene die werk opdraagt en degene die het uitvoert (..)

Voor de beoordeling of er een gezagsverhouding aanwezig is, is niet beslissend of iemand zich tot bepaalde werkzaamheden heeft verbonden, maar of hij verplicht is bij het vervullen van die werkzaamheden de opdrachten of aanwijzingen van de wederpartij te volgen. Niet noodzakelijk is dat het gezag daadwerkelijk wordt uitgeoefend. Voldoende is dat de bevoegdheid daartoe aanwezig is. De bewijslast omtrent het bestaan van een gezagsverhouding rust op de inspecteur der Belastingen.”
4.6
De Inspecteur heeft in diens verweerschrift aangevoerd dat de overeenkomst die met ingang van 2018 met [Y] dient te worden genegeerd, omdat deze entiteit geen ‘substance’ heeft en derhalve als transparant moet worden aangemerkt. Volgens de Inspecteur dient er voor fiscale doeleinden vanuit te worden gegaan dat belanghebbende in wezen rechtstreeks met de heer [D] een overeenkomst heeft gesloten met betrekking tot de door de heer [D] uit te voeren werkzaamheden.
4.7
Ook indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat [Y] contractueel moet worden genegeerd, is naar het oordeel van het Gerecht geen sprake van een dienstbetrekking in de zin van de Lv LB tussen belanghebbende en de heer [D]. Het Gerecht zal hierna uitleggen waarom dat niet het geval is.
4.7.1
Tussen partijen is niet in geschil dat de heer [D] gedurende de jaren 2018 tot en met 2021 niet in Sint Maarten woonde, maar in de Verenigde Staten van Amerika. Ingevolge het hiervoor aangehaalde artikel 2, lid 2, letter a, Lv LB kan de heer [D] in dat geval slechts als werknemer worden beschouwd voor zover hij zijn dienstbetrekking in Sint Maarten vervult. De bewijslast ter zake rust op de Inspecteur.
4.7.2
De Inspecteur voert aan dat de gezagsverhouding blijkt uit de aanwijzingsbevoegdheid van belanghebbende, de periodieke rapportage die moet plaatsvinden door de heer [D], de integrale bedrijfsvoering, de vereiste deelname aan interne vergaderingen en commissies en het feit dat het takenpakket niet is gewijzigd ten opzichte van het verleden en daarmee identiek is aan de dienstbetrekking die destijds werd vervult, welke toentertijd geen voorwerp van geschil was [Gerecht: bedoeld wordt waarschijnlijk op de jaren vóór 2017].

Daarnaast stelt de Inspecteur dat fysieke aanwezigheid en het woonplaatsbegrip geen vereiste is voor de kwalificatie dienstbetrekking. Werknemers kunnen in het buitenland wonen en toch werknemer zijn van een werkgever op Sint Maarten. Ter onderbouwing verwijst de Inspecteur naar Hoge Raad 17 november 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6391 (IVA/Queijssen) en naar de conclusie in de Deliveroo-zaak (ECLI:NL:PHR:2022:578).
4.7.3
Belanghebbende betwist dat sprake is van een in Sint Maarten vervulde dienstbetrekking. De heer [D] heeft uitsluitend op afstand vanuit Amerika, door tussenkomst van [Y] voor belanghebbende gewerkt en ook zijn de werkzaamheden niet in dienstbetrekking verricht, aldus nog steeds belanghebbende.
4.7.4
Het Gerecht is van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een in Sint Maarten vervulde dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2, lid 2, letter a, LLB. Het Gerecht gaat er daarbij vanuit dat het in artikel 2, lid 2, letter a bepaalde – ‘zijn dienstbetrekking in Sint Maarten vervult’ – grammaticaal moet worden opgevat en betekent dat de aldaar vermelde werknemer fysiek in Sint Maarten werkzaam dient te zijn. Uit de parlementaire toelichting op de wet blijkt niet dat de wetgever heeft bedoeld af te wijken van een grammaticale duiding van de wettekst.

De tekst van de wet stamt uit 1975 en beantwoordt wellicht niet meer (volledig) aan de vele manieren van werken in de huidige tijd, zoals bijvoorbeeld tijd- en plaatsonafhankelijk werken. Indien evenwel de (gedateerde) tekst van de wet niet langer strookt met de dagelijkse praktijk is het niet aan de rechter, maar aan de wetgever, om tekst en praktijk met elkaar in overeenstemming te brengen.
4.7.5
De Inspecteur heeft nog verwezen naar de zaken ICA/Queijssen en de conclusie in Deleveroo. Genoemde (Nederlandse, civielrechtelijke) zaken missen toepassing in de onderhavige zaak. In de onderhavige zaak is cruciaal de vraag wat heeft te gelden voor personen die niet in Sint Maarten wonen (en zoals belanghebbende stelt slechts sporadisch op Sint Maarten zijn), als bedoeld in artikel 2, lid 2, onderdeel a, Lv LB. In de door de Inspecteur aangehaalde zaken is de kwestie van ‘in het buitenland wonen’ niet aan de orde en reeds daarom niet vergelijkbaar.
4.7.6
Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de heer [D] in de jaren 2018 tot en met 2021 slechts een aantal keren per jaar voor een korte periode op Sint Maarten is geweest. Ten bewijze van de gestelde duur van dat verblijf heeft belanghebbende pagina’s uit het paspoort van de heer [D] overgelegd, alsmede correspondentie tussen de heer [D] en gemachtigde van belanghebbende. De Inspecteur heeft het door belanghebbende gestelde niet dan wel in onvoldoende mate weersproken. Het zeer beperkt aantal dagen per jaar dat de heer [D] in de jaren 2018 tot en met 2021 in Sint Maarten zou zijn verbleven, rechtvaardigt geenszins naheffingsaanslagen LB van NAf 108.229 (2018), NAf 59.914 (2019), NAf 59.535 (2020) en NAf 59.407 (2021).
4.7.7
Naast het vereiste van een fysieke aanwezigheid op Sint Maarten, dient de heer [D] in hoedanigheid van werknemer in dienstbetrekking te staan tot belanghebbende. Of sprake is van een dienstbetrekking, voor zover sprake is van fysieke aanwezigheid, is afhankelijk van de feiten. Partijen hebben ten aanzien van de feiten (zeer) weinig gesteld. Beiden verwijzen naar de ‘consulting agreement’ en menen dat op grond van die overeenkomst wel (de Inspecteur) of niet (belanghebbende) sprake is van een dienstbetrekking. Het Gerecht betwijfelt ten zeerste of sprake is van een dienstbetrekking. De ‘consulting agreement’ biedt zowel aanknopingspunten voor de aanwezigheid als de afwezigheid van een dienstbetrekking. In het bijzonder het bepaalde onder sectie 4. van de overeenkomst wijst niet bepaald op een dienstbetrekking: de heer [D] is als onafhankelijk adviseur verantwoordelijk voor de eigen activiteiten, is vrij om zijn eigen methoden en werkuren te bepalen, zonder dat daarop controle vanuit belanghebbende plaatsvindt, en het is hem toegestaan zijn werkzaamheden uit te voeren zoals hij dat goed acht.
4.7.8
Alhoewel de ‘consulting agreement’ ook bepalingen bevat die wél wijzen op de aanwezigheid van een dienstbetrekking is het Gerecht, alles bijeen genomen, van oordeel dat de Inspecteur er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat er voldoende grond(slag) is om ter zake van de door de heer [D] verrichte werkzaamheden naheffingsaanslagen LB op te leggen. Daarbij acht het Gerecht, zoals hiervoor vermeld, in het bijzonder doorslaggevend de zeer beperkte aanwezigheid van de heer [D] op Sint Maarten in 2018 tot en met 2021, alsook, het feit dat de ‘consultant agreement’ onvoldoende overtuigend wijst in de richting van een dienstbetrekking.

De conclusie is dan ook dat, óók voor wat betreft de dagen dat de heer [D] wél fysiek aanwezig was op Sint Maarten, geen naheffingsaanslagen LB voor de jaren 2018 tot en met 2021 kunnen worden opgelegd en de naheffingsaanslagen ook in zoverre vernietigd dienen te worden.

Naheffingsaanslagen AVBZ 2018 tot en met 2021
4.8
Artikel 4 van de Landsverordening algemene verzekering bijzondere ziektekosten (LAVBZ) luidt voor zover hier van belang:

“1. Verzekerd ingevolge deze landsverordening is degene die:

(…);

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Sint Maarten verrichte arbeid, aan loonbelasting onderworpen is.

(…)”

Artikel 22, lid 3 van de Landsverordening algemene verzekering bijzondere ziektekosten luidt:

“3. De premie van de verzekerde, die in dienstbetrekking werkzaam is, wordt geheven bij wege van inhouding door de werkgever.”
4.9
Het Gerecht verwijst naar hetgeen hiervoor ten aanzien van de naheffingsaanslagen LB over de jaren 2018 tot en met 2021 is overwogen. Er is geen sprake van in Sint Maarten verrichte arbeid ter zake waarvan de heer [D] in het onderhavige jaar aan loonbelasting is onderworpen. De heer [D] kan niet als verzekerde als bedoeld in artikel 4 LAVBZ worden aangemerkt. Door belanghebbende hoefde er derhalve geen premies te worden ingehouden. De overige stellingen van belanghebbende omtrent de verzekerings- en premieplicht behoeven geen behandeling. Het voorgaande betekent dat ook de naheffingsaanslagen AVBZ over de jaren 2018 tot en met 2021 vernietigd dienen te worden.

Slotsom
4.10
Het door belanghebbende ingestelde beroep is gegrond. Reeds omdat belanghebbende, ondanks dat zij daartoe een verzoek heeft gedaan, niet is gehoord en daardoor nadeel heeft geleden en omdat de naheffingsaanslagen LB en AVBZ 2018 tot en met 2021 vernietigd dienen te worden.
5(PROCES)KOSTEN EN GRIFFIERECHT Kosten bezwaarfase 5.1
Ingevolge artikel 32a, lid 1 van de ALLworden, op verzoek van de belastingplichtige, de kosten die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vergoed voor zover de aanslag door ernstige onzorgvuldigheid in strijd met het recht is opgelegd. Het verzoek moet worden gedaan voordat de Inspecteur op het bezwaar heeft beslist. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in de Regeling proceskostenvergoeding bezwaarfase belastingzaken.
5.2
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende niet verzocht om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, zodat deze kosten op grond van artikel 32a, lid 2 van de ALL niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Kosten beroepsfase
5.3
Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.4
In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, AB 2013, GT no. 5122 (voorheen PB 2001, no. 127) (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
5.5
In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 1).

Griffierecht
5.6
Op grond van artikel 18, lid 4 LBB dient de Inspecteur het betaalde griffierecht van in totaal NAf 300 aan belanghebbende te vergoeden.
6DE BESLISSING
Het Gerecht:

verklaart de beroepen tegen de uitspraken op bezwaar gegrond;

vernietigt de uitspraken op bezwaar;

vernietigt de naheffingsaanslagen LB en premie AVBZ over de jaren 2018 tot en met 2021;

vernietigt voor zover de Inspecteur daartoe nog niet toe is overgegaan de boetes voor wat betreft de naheffingsaanslagen LB en premie AVBZ 2018 tot en met 2021;

veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 1.400; en

draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van in totaal NAf 300 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en is uitgesproken op 4 mei 2026, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noël-van der Biezen BSc.

De rechter,

De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Frontstreet 58 (The Courthouse)

Philipsburg

Sint Maarten

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van NAf 300 verschuldigd.

In deze zaak heft de Hoge Raad inmiddels arrest gewezen op 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443.

Artikel delen