Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2025:27786

Rechtbank Den Haag 9 April 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2025:27786 text/xml public 2026-04-09T08:48:19 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2025-12-19 25/3779 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27786 text/html public 2026-04-09T08:47:50 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2025:27786 Rechtbank Den Haag , 19-12-2025 / 25/3779
Beroep. Eiser heeft aan verweerder het verzoek gedaan om zijn persoonsgegevens te wissen, op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Volgens eiser is de verwerking van zijn adresgegevens in het kader van een eerdere Woo-procedure onrechtmatig, en moet verweerder de adresgegevens verwijderen. Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling heeft verweerder het verzoek om wissing terecht afgewezen. Beroep ongegrond.

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/3779
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen
<?linebreak?> [eiser], uit [woonplaats] ([land]), eiser
en

(gemachtigden: mr. S. Raterink en mr. Q. van Schajik).

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van het AVG-verzoek van eiser om wissing van zijn gegevens.
1.1.
Verweerder heeft dit verzoek met het besluit van 22 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 1 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser heeft op 24 december 2024 per e-mail aan verweerder het verzoek gedaan om zijn persoonsgegevens te wissen op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (de AVG). Het gaat eiser om zijn adresgegevens die zijn verwerkt bij de behandeling van het bezwaarschrift dat hij heeft ingediend in het kader van een Wooprocedure. Eiser heeft op 15 november 2023 een Woo-verzoek gedaan en daarop is op 19 december 2023 beslist. Bij besluit van 12 december 2024 (met kenmerk BZ2410561) is het bezwaar van eiser tegen het Woo-besluit ongegrond verklaard. Het Woo-besluit van 12 december 2024 is geadresseerd aan eiser, daarbij staan ook zijn adresgegevens vermeld. Volgens eiser is deze verwerking van zijn adresgegevens onrechtmatig en moet verweerder de adresgegevens uit het besluit van 12 december 2024 verwijderen. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder het AVG-verzoek om wissing terecht heeft afgewezen.

Wat vindt eiser in beroep?

3. Volgens eiser heeft verweerder het verzoek om wissing van zijn adresgegevens ten onrechte afgewezen. Hij wijst er allereerst op dat géén sprake is van een wettelijke verplichting voor verweerder om de (analoge) adresgegevens van eiser op te vragen en te verwerken. Verweerder kan bij gebrek aan adresgegevens een bezwaar niet-ontvankelijk verklaren, maar is daartoe niet gehouden. In dit geval is de verwerking ook niet rechtmatig, de verwerking is namelijk niet noodzakelijk in de zin van artikel 6 van de AVG. Verweerder heeft volgens eiser niet kunnen aantonen dat de verwerking van de adresgegevens strikt noodzakelijk was voor het behandelen van het Wooverzoek. De Woo-procedure verliep via de elektronische weg, en ook in eerdere gevallen heeft verweerder verzoeken behandeld zonder dat daarbij adresgegevens werden verwerkt. Eiser wijst erop dat hij geen toestemming heeft gegeven voor het verwerken van zijn adresgegevens, hij heeft zich ook steeds uitdrukkelijk beklaagd bij verweerder over de verwerking van zijn adresgegevens. Eiser voert aan dat als verweerder persoonsgegevens verwerkt zonder duidelijk geformuleerde doeleinden of zonder dat het objectief strikt noodzakelijk is voor de aanvankelijke verwerking, hij verplicht is om deze persoonsgegevens te wissen en hij deze persoonsgegevens niet verder kan verwerken voor archiveringsdoeleinden. Verweerder kan zich uitsluitend op artikel 17, derde lid, aanhef en onder d, van de AVG beroepen zolang het archiveren van de persoonsgegevens nodig is in het algemeen belang én die verdere verwerking ook overeenkomstig artikel 89, eerste lid, van de AVG geschiedt. Eiser doet om zijn betoog te onderbouwen uitvoerig beroep op jurisprudentie van het Hof van Justitie. Verder heeft verweerder ten onrechte afgezien van het horen in de bezwaarfase (artikel 7:2 van de Awb). Het afzien van horen in bezwaar is volgens eiser bovendien in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.

Wat vindt verweerder in beroep?

4. Verweerder stelt zich ten eerste op het standpunt dat eiser geen procesbelang heeft omdat het eiser uitsluitend om een principieel punt lijkt te gaan. Verweerder stelt verder dat hij de adresgegevens van eiser niet onrechtmatig heeft verwerkt. De gegevens zijn rechtmatig verwerkt gelet op artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c dan wel onder e, van de AVG. De gegevens zijn verwerkt tijdens de bezwaarfase van de Woo-procedure, de wet vereist dat een bezwaarschrift de naam en het adres van de bezwaarmaker bevat. Eiser heeft zijn adresgegevens ook zelf vermeld in het bezwaarschrift. De verwerking van de adresgegevens vindt daarnaast plaats in het kader van de wettelijke archiveringsplicht die op verweerder rust. Verweerder wijst op artikel 3 en 5 van de Archiefwet 1995 en de Selectielijst van het ministerie van Buitenlandse Zaken vanaf 2015. Er is daarom sprake van de uitzonderingsgrond als bedoeld in artikel 17, derde lid, aanhef en onder b, van de AVG. Anders dan eiser stelt, is de verwerking van de adresgegevens overigens ook noodzakelijk. Uit oogpunt van behoorlijk bestuur dient verweerder te beschikken over een fysiek postadres, ook als de Wooprocedure verder digitaal verloopt. Verweerder wijst er onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling op dat zelfs al zouden de adresgegevens onrechtmatig zijn verwerkt, deze niet kunnen worden gewist. Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat hij met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb terecht heeft afgezien van het horen in de bezwaarfase.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Heeft eiser procesbelang?

6. Verweerder trekt het procesbelang van eiser in twijfel en voert aan dat uitsluitend sprake lijkt te zijn van een principieel punt. Bij iedere procedure die eiser bij de rechtbank of de Afdeling voert, worden de adresgegevens van eiser namelijk wederom opgenomen in de systemen van de gerechtelijke instanties en van de wederpartij. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat sprake is van een procesbelang, als het doel van het beroep ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren daarvan voor de indiener van het beroep feitelijke betekenis kan hebben. Een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang. In deze zaak ligt de vraag voor of verweerder de adresgegevens die zijn verwerkt in het kader van Woobezwaarprocedure moet wissen. Eiser kan dit met het voeren van deze beroepsprocedure feitelijk bereiken en heeft daarmee procesbelang. Dat het voeren van gerechtelijke procedures in tegenspraak lijkt te zijn met de wens van eiser om zijn adresgegevens niet te hoeven delen met overheidsorganen, doet aan dit belang niet af.

Heeft verweerder het verzoek om wissing terecht afgewezen?

7. Uit artikel 17, derde lid, aanhef en onder b, van de AVG volgt dat op verweerder geen plicht rust om persoonsgegevens te wissen indien op hem een wettelijke verwerkingsplicht rust. Een verwerkingsverantwoordelijke mag bij een verzoek om wissing in de zin van artikel 17, gelet op de systematiek en de tekst van dat artikel eerst beoordelen of die uitzondering zich voordoet. Een verwerkingsverantwoordelijke hoeft bij een verzoek om wissing in de zin van artikel 17 van de AVG dus niet (eerst) met toepassing van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de AVG te beoordelen of de verwerking rechtmatig is.
7.1.
In deze zaak is sprake van zo’n wettelijke verwerkingsplicht. Uit artikel 3 van de Archiefwet 1995 volgt dat verweerder verplicht is de onder hem berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en met inachtneming van de geldende bewaartermijn te bewaren. Op grond van artikel 5 van de Archiefwet 1995 is de Selectielijst opgesteld. Uit de Selectielijst van het ministerie van Buitenlandse Zaken vanaf 2015 volgt dat de bewaartermijn voor bescheiden in het kader van Wob-, Woo- en AVG-procedures 10 jaar bedraagt. Voor bezwaar- en beroepschriften geldt ook dat de bewaartermijn 10 jaar na afhandeling ervan bedraagt. Dit betekent dat, zelfs als de adresgegevens van eiser onrechtmatig zouden zijn verwerkt in de beslissing op bezwaar door verweerder – waar de rechtbank overigens geen aanleiding voor ziet – artikel 17, derde lid, aanhef en onder b, van de AVG in beginsel aan het recht op wissing in de weg staat. Verweerder wijst in dit kader terecht ter vergelijking naar de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Verder wijst de Afdeling er in haar uitspraak van 8 maart 2017 ook op dat de Archiefwet een documentenstelsel bevat. Dat houdt in dat volledige documenten in hun oorspronkelijke staat bewaard moeten worden, en daar past het bewerken van documenten niet bij. Het is dus ook niet zo dat verweerder de beslissing op bezwaar zou kunnen bewaren en alleen de adresgegevens daaruit zou kunnen verwijderen.
7.2.
Reeds gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder het verzoek om wissing terecht afgewezen. De rechtbank gaat daarom niet in op wat eiser verder heeft aangevoerd. Dit betekent dat de rechtbank ook niet ingaat op wat eiser ten aanzien van artikel 17 derde lid, aanhef en onder d, van de AVG (archivering in het algemeen belang) heeft aangevoerd. Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling kan verweerder in een situatie als deze het verzoek immers afwijzen met een beroep op artikel 17, derde lid, aanhef en onder b, van de AVG (wettelijke verplichting).

Heeft verweerder eiser ten onrechte niet gehoord in bezwaar?

8. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit, gelet ook op de onder 7.1 aangehaalde jurisprudentie van de Afdeling. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat er sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en op die grond van het horen van eiser in de bezwaarfase kunnen afzien.

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de persoonsgegevens van eiser niet hoeft te wissen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 17 van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).

Artikel 17 van de AVG (‘het recht op vergetelheid’).

Verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo).

Artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb.

Verweerder wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3268, en van 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2419.

Uitspraken van de Afdeling van 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2065, r.o. 10, en ECLI:NL:RVS:2022:2067, r.o. 10.

Uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3268.

Vergelijk ook de uitspraken van de Afdeling van 12 juli 2023, ECLI:NL;RVS:2023:2681, r.o. 3.1-3.2, van 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2067, r.o. 10-10.1, van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1028, r.o. 11.1, en van 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2419, r.o. 4.2.

Uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:620.

Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 22 september 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:8514. Deze uitspraak is door de Afdeling bevestigd, zie haar uitspraak van 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2684.

Artikel delen