Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:10435

Dublin MOB.

Rechtbank Den Haag 6 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:10435 text/xml public 2026-05-06T17:00:31 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-01 NL26.10668 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10435 text/html public 2026-05-04T08:46:28 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10435 Rechtbank Den Haag , 01-05-2026 / NL26.10668
Dublin MOB.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.10668
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R. Akkaya),

en

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 25 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Eiser is het hiermee niet eens en heeft beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft partijen bij bericht van 13 maart 2026 verzocht om aan te geven of zij wilden worden gehoord op een zitting. De minister heeft aangegeven dat een zitting niet nodig is. Eiser heeft niet gereageerd. De rechtbank doet daarom uitspraak zonder zitting.

Heeft eiser nog procesbelang?

2. De rechtbank beoordeelt de ontvankelijkheid van het beroep. Als een vreemdeling in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend en vervolgens met onbekende bestemming vertrekt, dan kan dat betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem of haar gezochte bescherming in Nederland. De rechtbank kan het beroep dan niet-ontvankelijk verklaren, omdat de vreemdeling in dat geval geen procesbelang (meer) heeft. De rechtbank moet daar wel voorzichtig mee omgaan. Als de gemachtigde van de betrokken vreemdeling nog contact onderhoudt met de vreemdeling over het verloop van de procedure, dan mag er in beginsel van uit worden gegaan dat de vreemdeling nog wel procesbelang heeft. Dat is alleen anders als er concrete aanknopingspunten bestaan waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en ook op een andere manier geen actueel of reëel belang meer heeft.
2.1.
De minister heeft per bericht van 10 april 2026 aan de rechtbank te kennen gegeven dat eiser per 4 april 2026 uit eigen beweging de opvang heeft verlaten, en sindsdien geen contact meer heeft met de minister of met andere autoriteiten. De minister wijst op een screenshot van een systeem van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) waaruit blijkt dat eiser de opvang heeft verlaten.
2.2.
De rechtbank heeft per bericht van 10 april 2026 aan de gemachtigde van eiser gevraagd of hij nog contact heeft met eiser. De gemachtigde van eiser heeft bij bericht van 13 april 2026 aangegeven geen contact meer te hebben.
2.3.
Uit de omstandigheid dat eiser volgens informatie van het dossier van het COa met onbekende bestemming is vertrokken, zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft en dat hij geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde, leidt de rechtbank af dat eiser niet langer bescherming in Nederland zoekt. Daarom heeft eiser geen belang bij de beoordeling van het beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

3. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Dit kan op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662

Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3636.

Artikel delen