ECLI:NL:RBDHA:2026:10437
Dublin Spanje, buiten zitting; interstatelijk vertrouwensbeginsel; indirect refoulement; art. 17 Dvo; arrest C.K.; ongegrond.
Rechtbank Den Haag 6 May 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:10437
text/xml
public
2026-05-06T17:00:34
2026-05-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-05-01
NL26.15553
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Arnhem
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10437
text/html
public
2026-05-04T09:02:43
2026-05-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:10437 Rechtbank Den Haag , 01-05-2026 / NL26.15553
Dublin Spanje, buiten zitting; interstatelijk vertrouwensbeginsel; indirect refoulement; art. 17 Dvo; arrest C.K.; ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15553
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E.A. Welling),
en
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
Kan ten aanzien van Spanje worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat ten aanzien van Spanje niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij voert daartoe aan dat sprake is van tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Spanje, waardoor hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Volgens eiser kan hij zich bij voorkomende problemen niet (effectief) tot de (hogere) Spaanse autoriteiten wenden. Daarnaast stelt hij dat de Spaanse asielprocedure op meerdere punten niet in overeenstemming is met de geldende EU-richtlijnen, waardoor hij onvoldoende toegang zal hebben tot de noodzakelijke voorzieningen. Eiser verwijst naar de in de zienswijze overgelegde landeninformatie en jurisprudentie, waaruit volgens hem concrete aanwijzingen volgen dat Spanje zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Hij stelt dat de minister deze informatie onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd en dat, ondanks de erkenning dat tekortkomingen bestaan, onvoldoende is onderbouwd dat deze niet structureel zijn. Het bestaan van een Dublinakkoord vormt volgens eiser geen garantie dat zijn rechten worden gewaarborgd.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de minister ten aanzien van Spanje in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de minister ervan mag uitgaan dat Spanje zijn internationale verplichtingen nakomt en dat een vreemdeling bij overdracht niet in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest zal worden behandeld. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete en objectieve gegevens aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van dit beginsel kan worden uitgegaan en dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een dergelijke behandeling.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser hierin niet is geslaagd. De door eiser aangehaalde AIDA-rapporten over Spanje van 2023 en 2025 geven, gelet op de recente rechtspraak van de Afdeling, geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Spanje dan reeds eerder is beoordeeld. Daaruit blijkt wel dat er problemen bestaan in de opvang en asielprocedure, maar niet dat sprake is van structurele tekortkomingen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken als bedoeld in het arrest Jawo. Ook de door eiser aangehaalde uitspraken van rechtbanken leiden niet tot een ander oordeel. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze uitspraken zien op specifieke individuele omstandigheden of motiveringsgebreken en dat die situaties niet vergelijkbaar zijn met die van eiser. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser niet eerder als Dublinclaimant aan Spanje is overgedragen en dat Spanje het claimverzoek heeft aanvaard, waarmee is gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser in behandeling wordt genomen. Voor zover eiser heeft gewezen op zijn eigen ervaringen in Spanje, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat deze onvoldoende zijn om structurele tekortkomingen aannemelijk te maken. Daarbij is van belang dat eiser Spanje illegaal is ingereisd maar geen asielaanvraag heeft ingediend. Hij heeft dus zelf geen ervaring met de asielprocedure. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij zich bij eventuele problemen niet tot de (hogere) Spaanse autoriteiten kan wenden. Dat eiser stelt dat hij niet wist waar hij moest klagen en dat sprake was van een taalbarrière, is onvoldoende om te concluderen dat klagen in zijn algemeenheid onmogelijk is. Overigens heeft eiser zoals gezegd geen asiel gevraagd in Spanje, zodat hij reeds daarom niet kan stellen dat hij uit eigen ervaring weet dat klagen niet mogelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt overdracht aan Spanje tot een risico op indirect refoulement?
6. Eiser betoogt dat overdracht aan Spanje zal leiden tot een reëel risico op indirect refoulement. Hiertoe voert hij aan dat de Spaanse asielprocedure onvoldoende waarborgen biedt, waardoor de mogelijkheid bestaat dat hij na overdracht niet op zorgvuldige wijze wordt gehoord en uiteindelijk wordt teruggestuurd naar zijn land van herkomst in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiser verwijst naar de gestelde tekortkomingen in de Spaanse asielprocedure en het ontbreken van effectieve rechtsbescherming.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu de minister ten aanzien van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, mag hij er in beginsel ook van uitgaan dat Spanje de asielaanvraag van eiser in overeenstemming met de geldende internationale verplichtingen zal behandelen en dat geen sprake zal zijn van (indirect) refoulement. Spanje heeft met het claimakkoord gegarandeerd dat het de asielaanvraag van eiser in behandeling zal nemen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze garanties in zijn geval niet zullen worden nageleefd. De enkele stelling dat de Spaanse asielprocedure onvoldoende waarborgen biedt, is daarvoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening?
7. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht aan zich had moeten trekken. Hiertoe voert hij aan dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, waaronder zijn medische problematiek en eerdere ervaringen in Spanje, die maken dat overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Daarnaast stelt hij dat de minister deze omstandigheden onvoldoende kenbaar en volledig heeft meegewogen en de discretionaire bevoegdheid onjuist heeft toegepast. Ter onderbouwing verwijst hij naar zijn medische klachten, het gebrek aan adequate zorg in Spanje en de door hem overgelegde (nog aan te vullen) medische informatie.
7.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft de minister een discretionaire bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. De minister maakt van deze bevoegdheid gebruik indien sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Het is aan eiser om dergelijke omstandigheden aannemelijk te maken.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser hierin niet is geslaagd. Eiser heeft zijn beroep op bijzondere omstandigheden gebaseerd op zijn gestelde medische klachten. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze klachten niet met medische stukken zijn onderbouwd en dat reeds daarom niet is gebleken van bijzondere omstandigheden. Daarnaast heeft de minister mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waaruit volgt dat de medische voorzieningen in Spanje in beginsel van vergelijkbare kwaliteit zijn als in Nederland en toegankelijk zijn voor Dublinclaimanten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval anders is of dat Nederland het meest aangewezen land is voor zijn behandeling. Gelet hierop heeft de minister niet ten onrechte afgezien van toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt overdracht aan Spanje, gelet op het arrest C.K., tot een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand?
8. Eiser betoogt dat overdracht aan Spanje, gelet op het arrest C.K., zal leiden tot een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Hiertoe voert hij aan dat hij lijdt aan ernstige medische klachten, waaronder hevige hoofdpijn, visusproblemen en gevoelloosheid, waarvoor hij in Nederland onder behandeling staat en medicatie ontvangt. Volgens eiser heeft hij in Spanje geen adequate medische zorg gekregen. Hij betoogt dat de minister onvoldoende onderzoek heeft verricht naar zijn medische situatie en ten onrechte geen advies heeft gevraagd aan het Bureau Medische Advisering (BMA).
8.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest C.K. volgt dat overdracht achterwege moet blijven indien deze leidt tot een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van de vreemdeling. Het is aan de vreemdeling om dit met objectieve gegevens te onderbouwen.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van een situatie als bedoeld in het arrest C.K. niet is gebleken. Eiser heeft zijn gestelde medische klachten niet met medische stukken onderbouwd en heeft geen objectieve gegevens overgelegd waaruit blijkt dat overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheid zal leiden. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om een onderzoek door het BMA te laten verrichten. Dat eiser stelt dat hij in Spanje onvoldoende medische zorg heeft ontvangen, leidt niet tot een ander oordeel, nu ook dit niet met stukken is onderbouwd en bovendien niet aannemelijk is gemaakt dat hij zich niet tot de Spaanse autoriteiten kan wenden voor adequate zorg. De beroepsgrond slaagt niet.
Verwijzing naar wat eerder is aangevoerd
9. Eiser heeft verzocht om wat eerder in de zienswijze is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Omdat de minister hier in het bestreden besluit op in is gegaan en eiser in zijn gronden in beroep niet nader heeft onderbouwd dat de minister hier niet of onvoldoende op heeft gereageerd, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door hem nagestreefde resultaat. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dit mogelijk.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser verwijst onder meer naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 9 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4989 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 18 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13134.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 25 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5661 en van 16 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1431.
Arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218).
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127)