Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:10443

Vervolgberoep, artikel 59(1)(a), voortvarend handelen, artikel 64 Vw-aanvraag, beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag 6 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:10443 text/xml public 2026-05-06T17:00:37 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-01 NL26.20849 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10443 text/html public 2026-05-04T09:21:18 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10443 Rechtbank Den Haag , 01-05-2026 / NL26.20849
Vervolgberoep, artikel 59(1)(a), voortvarend handelen, artikel 64 Vw-aanvraag, beroep ongegrond.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.20849
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),

en

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

1. De minister heeft op 11 augustus 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

2. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft zij beslist met haar uitspraak van 1 september 2025, op het eerste vervolgberoep op 17 november 2025, op het tweede vervolgberoep op 19 januari 2026, op het derde vervolgberoep op 6 februari 2026 en op het vierde vervolgberoep op 23 februari 2026. Daarna heeft eiser beroep ingesteld tegen het verlengingsbesluit van 2 februari 2026. In dat beroep is op 10 maart 2026 uitspraak gedaan. Op het vervolgberoep heeft de rechtbank beslist op 8 april 2026.
2.1.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
2.2.
De minister heeft op 24 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven. Eiser heeft zijn vervolgberoep gehandhaafd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Toetsingskader

3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 8 april 2026 (in de zaak NL26.17417) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 3 april 2026.

Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?

5. Eiser heeft op 18 januari 2026 een aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 ingediend. Volgens eiser heeft de minister zijn aanvraag onvoldoende voortvarend opgepakt, zodat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Volgens paragraaf A4/7.4.3 van de Vc 2000 moet de minister een aanvraag op grond van artikel 64 van de Vw 2000, die wordt ingediend terwijl de vreemdeling in bewaring is gesteld, met voorrang behandelen. Hoewel hij begrijpt dat de minister niet eerder dan 4 maart 2026 een beslissing kon nemen, omdat de laatst benodigde (medische) documentatie pas op die dag is overgelegd, zijn er nu inmiddels nog zes weken verstreken en is nog altijd geen beslissing genomen. In de periode van beoordeling die in deze zaak voorligt, heeft de minister daarom onvoldoende voortvarend gehandeld. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar verschillende (rechtbank-)uitspraken. Hieruit volgt als rode lijn dat de bewaring moet worden opgeheven als de aanvraag onvoldoende voortvarend wordt opgepakt.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om te concluderen dat de maatregel op enig moment eerder dan 24 april 2026 onrechtmatig was, omdat de minister de aanvraag van eiser om uitstel van vertrek niet met voorrang of onvoldoende voortvarend zou hebben opgepakt. Zoals overwogen onder 4, beoordeelt de rechtbank in deze uitspraak slechts de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf 3 april 2026. Uit het dossier en dat wat de minister op de zitting heeft toegelicht volgt dat, in reactie op de brief van de minister 5 maart 2026 en een rappel van 8 april 2026, op 17 april 2026 bericht is gekomen van de aangeschreven GZA-huisarts in Ter Apel dat eiser niet bekend is. Daarna is op 21 april 2026 de behandelend arts in het Detentiecentrum Rotterdam aangeschreven en zijn op 23 april 2026 aanvullende vragen gesteld aan de revalidatiearts in het Franciscus Gasthuis in Rotterdam. Hoewel de minister afhankelijk is van de medewerking van de aangeschreven instanties, blijkt uit het voorgaande dat de minister vanaf de sluiting van het vorige onderzoek actief handelingen heeft verricht om zo spoedig mogelijk de medische gegevens van eiser te ontvangen om BMA te laten adviseren over de aanvraag van eiser. Gelet op deze feiten, is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld. De door eiser genoemde (rechtbank-)uitspraken maken dit oordeel niet anders omdat niet gezegd kan worden dat in deze zaken sprake was van vergelijkbare feiten en omstandigheden.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 1 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16500.

Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 17 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21714.

Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 19 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:896.

Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 6 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2067.

Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3619.

Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 10 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4900.

Zaaknummer NL26.17417 (niet gepubliceerd).

Rb. Den Haag, zp. Dordrecht, 8 juni 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ7987; Rb. Den Haag, zp. Amsterdam, 21 juli 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ5657 en Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 14 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17561.

Bureau Medische Advisering.

Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).

Artikel delen