Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:10525

MK. Bewaring. Terugkeerbesluit, arrest Ajora.

Rechtbank Den Haag 6 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:10525 text/xml public 2026-05-06T17:00:47 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-04 NL26.19156 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10525 text/html public 2026-05-04T15:09:34 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10525 Rechtbank Den Haag , 04-05-2026 / NL26.19156
MK. Bewaring. Terugkeerbesluit, arrest Ajora.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.19156
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. Schoneveld),

en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

De minister heeft op 25 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 15 december 2025. Op het eerste vervolgberoep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 22 januari 2026. Op het tweede vervolgberoep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 10 maart 2026.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en de minister zijn daar vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Op 23 april 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de behandeling van het beroep doorverwezen naar een meervoudige kamer.

De meervoudige kamer heeft het beroep samen met het beroep in de zaak NL26.19810 op 28 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en de minister zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Kader bij een vervolgberoep

1. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de laatste uitspraak van 10 maart 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 6 maart 2026.

In beroep

3. De rechtbank stelt bij de bespreking van de beroepsgronden het volgende voorop.

Eiser heeft eerder in bewaring gezeten. Het gaat om de volgende perioden:

van 8 april 2022 tot 9 juni 2022, op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000;

van 9 juni 2022 tot en met 1 juli 2022, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000;

van 19 november 2025 tot 25 november 2025 op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 en

van 25 november 2025 tot heden op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Dit is de maatregel die voorligt.

De minister heeft in 2022 gewerkt aan eisers uitzetting naar Libië. De minister heeft gedurende de periode van de voorliggende maatregel van bewaring niet gewerkt aan eisers uitzetting naar Libië, maar aan eisers uitzetting naar Marokko en Algerije. Op 1 april 2026 hebben de Marokkaanse autoriteiten eisers Marokkaanse nationaliteit bevestigd.

Is er een terugkeerbesluit waarop de maatregel van bewaring kan worden gebaseerd?

4. Eiser wijst er op dat de minister in de meeromvattende beschikking van 31 december 2021 een terugkeerbesluit heeft uitgevaardigd (terugkeerbesluit van 31 december 2021), waarbij Libië als land van terugkeer wordt genoemd. Volgens eiser is de maatregel van bewaring op dit terugkeerbesluit gebaseerd. In de maatregel wordt namelijk enkel dit terugkeerbesluit genoemd. De minister verricht echter uitzettingshandelingen naar Marokko en Algerije. Nu deze landen in het terugkeerbesluit van 31 december 2021 niet als landen van terugkeer worden genoemd, kan dit besluit niet dienen als grondslag voor de bewaring. Dit maakt de bewaring van meet af aan onrechtmatig.

5. De rechtbank overweegt dat zij moet controleren of er een besluit is dat als terugkeerbesluit is aan te merken en waarop de bewaring kan worden gebaseerd. Hierbij bekijkt de rechtbank onder meer of in het terugkeerbesluit een land of landen van terugkeer worden vermeld. De minister mag iemand niet uitzetten naar een land dat niet is genoemd in het terugkeerbesluit.

6. Het is juist dat in het terugkeerbesluit van 31 december 2021 enkel Libië als land van terugkeer wordt genoemd. De rechtbank volgt eiser echter niet in zijn betoog dat de maatregel van bewaring enkel is gebaseerd op dit terugkeerbesluit. Dat licht zij als volgt toe.
6.1.
Eiser heeft op 3 september 2024 een asielaanvraag gedaan, waarop de minister in de meeromvattende beschikking van 14 oktober 2024 heeft beslist. Daarin verwijst de minister naar het terugkeerbesluit van 31 december 2021, en stelt dat eiser dient terug te keren naar Libië, Marokko of Algerije. Daarmee wijzigt de minister de landen van terugkeer. De minister legt eiser immers niet enkel een terugkeerverplichting op naar Libië, maar ook naar Marokko of Algerije. Hiermee heeft de minister het eerdere terugkeerbesluit van 31 december 2021 aangevuld. Deze aanvulling is op rechtsgevolg gericht. Het betreft immers een essentiële wijziging van het terugkeerbesluit van 31 december 2021. De rechtbank is het overigens wel met eiser eens dat uit de tekst van meeromvattende beschikking van 14 oktober 2024 niet blijkt dat sprake is van een aanvullend terugkeerbesluit. Dat doet aan het voorgaande niet af. De tekst in de meeromvattende beschikking is namelijk niet leidend.
6.2.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de maatregel van bewaring is gebaseerd op het terugkeerbesluit van 31 december 2021, zoals deze is aangevuld bij het aanvullend terugkeerbesluit van 14 oktober 2024. Dit blijkt, anders dan eiser betoogt, ook uit de tekst van de maatregel. In de tekst van de maatregel wordt het terugkeerbesluit van 31 december 2021 meermaals genoemd. Weliswaar wordt het aanvullende terugkeerbesluit van 14 oktober 2024 niet als zodanig genoemd, maar de minister voert terecht aan dat uit de maatregel wel duidelijk blijkt dat de minister van eiser verwacht dat hij terugkeert naar Marokko, Algerije dan wel Libië. In de maatregel staat namelijk dat eiser meermalen heeft verklaard niet terug te willen keren naar Marokko, Algerije dan wel Libië, dat eiser reeds een terugkeerbesluit heeft ontvangen en dient terug te keren naar Marokko, Algerije dan wel Libië. De rechtbank oordeelt dat hieruit volgt dat met de bewaring uitvoering wordt gegeven aan het terugkeerbesluit van 31 december 2021 en de aanvulling hierop van 14 oktober 2024, en de maatregel ook hierop kon worden gebaseerd. De beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister een verlengingsbesluit moeten nemen?

7. Eiser voert aan dat hij in totaal langer dan zes maanden op grond van één en hetzelfde terugkeerbesluit in bezwaring heeft gezeten. Uit het arrest Aroja volgt dat de minister in dat geval een verlengingsbesluit moet nemen. Bij het bepalen van deze, maximale, bewaringsduur tellen de perioden waarin aan eiser bewaringsmaatregelen waren opgelegd op grond van artikel 59b van de Vw 2000 mee. Volgens eiser volgt dat uit punt 58 van het arrest. Omdat de minister geen verlengingsbesluit heeft genomen is de bewaring onrechtmatig.

8. De minister doet ook een beroep op het arrest Aroja maar heeft een andere lezing daarvan. De minister stelt dat uit dit arrest niet volgt dat de perioden van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 meetellen bij het bepalen van de maximale bewaringsduur van artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn.

9. De rechtbank stelt voorop dat een maatregel van bewaring, die is opgelegd op grond van artikel 59b van de Vw 2000, een aparte grondslag biedt voor inbewaringstelling van vreemdelingen die een asielverzoek hebben ingediend. Dit is een implementatie van artikel 8 van de Opvangrichtlijn. Eiser heeft tijdens de behandeling van zijn asielverzoeken zowel in 2022 als in 2025 op die grond in bewaring gezeten. Eiser zit momenteel op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring. Dat is de grondslag voor inbewaringstelling van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. Dit is een implementatie van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn.

10. In het arrest Aroja beantwoordt het Hof van Justitie prejudiciële vragen van de Finse rechter. De Finse rechter vraagt zich af welke perioden van bewaring bij elkaar op moeten worden geteld bij het bepalen van de maximale bewaringsduur bedoeld in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De Finse rechter beschrijft dat in de zaak van Aroja sprake was van drie perioden van bewaring. De Finse rechter maakt duidelijk dat de bewaring in deze perioden (op grond van het Finse recht (uitsluitend)) waren gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn, en tot doel hadden om één en hetzelfde terugkeerbesluit uit te voeren, óók in de perioden waarin een asielverzoek van Aroja werd behandeld. Het Hof is bij de beantwoording van de gestelde prejudiciële vragen van deze aanwijzingen uitgegaan en heeft deze vragen in dat licht beoordeeld en beantwoord.
10.1.
Het Hof verklaart in het arrest Aroja vervolgens onder meer voor recht dat alle perioden van bewaring, waarin een vreemdeling heeft gezeten ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit, bij elkaar moeten worden opgeteld bij het bepalen van de maximale bewaringsduur als bedoeld in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Het maakt daarbij volgens het Hof niet uit of het gaat om onderbroken perioden of om perioden waarbij de bewaring werd gehandhaafd maar het verwijderingsbesluit was geschorst wegens de behandeling van een verzoek om internationale bescherming. Hierover overweegt het Hof in punt 58 het volgende:

In dit verband heeft het Hof onder meer geoordeeld dat bij de berekening van de krachtens artikel 15, leden 5 en 6, van deze richtlijn vastgestelde duur van de bewaring met het oog op verwijdering de periode moet worden meegeteld waarin de uitvoering van het verwijderingsbesluit was geschorst wegens de behandeling van een verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land, wanneer de betrokkene gedurende de procedure waarin dat verzoek werd behandeld, krachtens die bepalingen in bewaring werd gehouden, zelfs indien dat ten onrechte gebeurde (zie in die zin arrest van 30 november 2009, Kadzoev, C357/09 PPU, EU:C:2009:741, punten 40, 47 en 48). (arcering rechtbank)
10.2.
Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat uit het arrest Aroja niet volgt dat de perioden van maatregelen van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 meetellen bij de maximale bewaringsduur van artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De perioden waarin eiser op grond van artikel 59b van de Vw 2000 in bewaring zat, waren namelijk niet gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn (en dus ook niet ter uitvoering van een terugkeerbesluit) maar op de Opvangrichtlijn. Immers, en zoals ook onder punt 9 hiervoor is benoemd, is artikel 59b van de Vw 2000 een implementatie van artikel 8 van de Opvangrichtlijn.
10.3.
Eisers verwijzing naar punt 58 van het arrest maakt dit niet anders. Het Hof brengt hierin tot uitdrukking dat als een vreemdeling in bewaring wordt gesteld op grond van de Terugkeerrichtlijn, in deze periode van bewaring een asielverzoek wordt behandeld en de grondslag van de bewaring (op basis van het nationale recht) hierdoor niet wijzigt, die periode meetelt bij de berekening van de maximale duur van artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Dit blijkt ook uit de bewoordingen ‘krachtens die bepalingen’ die terugverwijzen naar artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn. Dat was – anders dan in de zaak van eiser – aan de orde in de zaak van Aroja.

De rechtbank vindt steun voor haar oordeel in het arrest Kadzoev, waar het Hof ook naar verwijst. In punt 45 van dat arrest stelt het Hof namelijk vast dat de bewaring op grond van de Terugkeerrichtlijn en de bewaring van een asielzoeker op grond van de Opvangrichtlijn onder afzonderlijke rechtsregelingen vallen. In punt 47 overweegt het Hof dat als de grondslag van de maatregel van bewaring na het doen van een asielaanvraag niet wijzigt, maar de maatregel blijft berusten op de Terugkeerrichtlijn, die periode meetelt bij de bepaling van de maximale duur als bedoeld in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Dat is hier echter niet aan de orde omdat bij toepassing van artikel 59b van de Vw 2000, de grondslag wel is gewijzigd.

Hoe lang zit eiser in bewaring ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit?

11. De rechtbank stelt bij de berekening van maximale bewaringsduur voorop dat uit het arrest Aroja volgt dat het moet gaan om bewaring ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit. Zoals hiervoor onder 6. overwogen heeft de minister in het (aanvullende) besluit van 14 oktober 2024 nieuwe landen van terugkeer genoemd, te weten Marokko en Algerije. De nadien door de minister verrichte uitzettingshandelingen zien ook op die landen en niet langer op Libië, het (enige) land dat in het terugkeerbesluit van 31 december 2021 werd genoemd. Hierdoor is een essentieel punt van het terugkeerbesluit gewijzigd. Naar het oordeel van de rechtbank kan na een dergelijke essentiële wijziging dan ook niet meer worden gesproken van één en hetzelfde terugkeerbesluit.

12. In deze zaak betekent dit dat de perioden van bewaring in 2022 niet worden betrokken bij de berekening van de maximale bewaringsduur, omdat het bij deze bewaring ging om het uitvoeren van het terugkeerbesluit van 31 december 2021. De terugkeerverplichting in de door de rechtbank in deze zaak te toetsen maatregel van bewaring volgt weliswaar uit het terugkeerbesluit van 31 december 2021, maar de uitvoering is gebaseerd op het (aanvullende) terugkeerbesluit van 14 oktober 2024. Dat betekent dat enkel de periode van bewaring van de voorliggende maatregel meetelt. Immers de voorafgaande periode in bewaring in 2025 was gebaseerd op artikel 59b van de Vw 2000. De rechtbank stelt vast dat eiser inmiddels 155 dagen in bewaring zit op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. De zes maandentermijn (180 dagen) waarbij de minister gehouden is om een verlengingsbesluit te nemen is daarom op dit moment nog niet verstreken. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

De verrichtte uitzettingshandelingen in 2022

13. Eiser voert tot slot aan dat de minister uitzettingshandelingen heeft verricht tijdens zijn inbewaringstelling van 8 april 2022 tot 9 juni 2022, op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vw 2000. Dit maakt dat deze periode van bewaring feitelijk was gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn omdat aan eisers uitzetting werd gewerkt. Deze perioden tellen dus mee bij de maximale bewaringsduur.
13.1.
De rechtbank overweegt dat de perioden van bewaring in 2022 zien op de bewaringsmaatregel die op 8 april 2022 aan eiser was opgelegd voor de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit van 31 december 2021. Zoals de rechtbank onder 12 overweegt, worden de perioden van bewaring in 2022 niet betrokken bij de berekening van de maximale bewaringsduur, omdat het bij deze bewaring ging om het uitvoeren van het terugkeerbesluit van 31 december 2021. De terugkeerverplichting in de door de rechtbank in deze zaak te toetsen maatregel van bewaring volgt weliswaar uit het terugkeerbesluit van 31 december 2021, maar de uitvoering is gebaseerd op het (aanvullende) terugkeerbesluit van 14 oktober 2024. De perioden van bewaring in 2022 liggen in deze procedure dus niet voor. Deze beroepsgrond van eiser behoeft daarom geen bespreking.

Had de minister een kenbare belangenafweging moeten maken?

14. De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn betoog dat de minister gehouden was om in de voortgangsrapportage een kenbare belangenafweging te maken. Een dergelijke verplichting heeft de minister op grond van paragraaf A5/6.8 van de Vc 2000 als de vreemdeling een periode van zes maanden aaneengesloten in bewaring zit. Dat is hier niet het geval. Immers eiser zit sinds 19 november 2025 aaneengesloten in bewaring. Dit zijn, ten tijde van het sluiten van het onderzoek, 160 dagen. Dat, gelet op het arrest Aroja, ook de voorgaande periodes van bewaring in 2022 hierbij opgeteld dienen te worden volgt de rechtbank niet. Het arrest Aroja gaat namelijk niet over de kenbare belangenafweging uit de Vc 2000, maar over het verlengingsbesluit als bedoeld in artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Dat vindt in het nationale recht grondslag in artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000. Dat staat los van de verplichting tot het verrichten van een kenbare belangenafweging zoals door eiser aangehaald. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toets

15. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.

Conclusie

16. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzitter, en J.M.C. Schuurman-Kleijberg en mr. G.A. van der Straaten, leden, in aanwezigheid van mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Rb. Den Haag, zp. Arnhem 15 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24125.

Rb. Den Haag, zp. Arnhem 22 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1434.

Rb. Den Haag, zp. Arnhem 10 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4895.

De rechtbank wijst hierbij op de uitspraken van de ABRvS van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1155 en 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1970.

Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 14 mei 2020, ECLI:EU:C:2020:367, punt 116 en 123.

Pagina 7 van de maatregel van bewaring van 25 november 2025.

Arrest van het HvJE van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.

De rechtbank wijst hierbij naar de punten 30 en 45 van het arrest.

Artikel delen