Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:10676

bewaring, eerste beroep, 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b Vw, Algerijnse, niet bestreden zware gronden voldoende voor het risico op onttrekking, overige betwiste zware en lichte gronden onbesproken, geen lichter middel, voldoende voortvarend gewerkt aan de asielaanvraag van eiser, zicht op uitzetting is geen voorwaarde voor bewaring op grond van artikel 59b, beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag 6 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:10676 text/xml public 2026-05-06T14:30:49 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 NL26.22162 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10676 text/html public 2026-05-06T14:30:23 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10676 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / NL26.22162
bewaring, eerste beroep, 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b Vw, Algerijnse, niet bestreden zware gronden voldoende voor het risico op onttrekking, overige betwiste zware en lichte gronden onbesproken, geen lichter middel, voldoende voortvarend gewerkt aan de asielaanvraag van eiser, zicht op uitzetting is geen voorwaarde voor bewaring op grond van artikel 59b, beroep ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.22162
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,

van Algerijnse nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. F. Boone),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. I. van Es).

1. Bij besluit van 16 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

2. De minister heeft de maatregel gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a (a-grond) en b (b-grond) van de Vw. Als aan de daarvoor gestelde eisen is voldaan, is elk van deze gronden afzonderlijk voldoende om de maatregel te kunnen dragen. In dit verband stelt de minister zich op het standpunt dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (a-grond) en op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, wegens het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen (b-grond). De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:

(zware gronden)

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;

(lichte gronden)

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.

3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreek zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.

Voortraject

4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.

Grondslag

5. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de a-grond van artikel 59b, van de Vw is opgelegd. Voor de a-grond van artikel 59b van de Vw is vereist dat de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee bewaringsgronden voordoen. De minister stelt in de maatregel van bewaring terecht dat er onvoldoende zekerheid bestaat over de identiteit van eiser, omdat hij niet in bezit is van identiteitsdocumenten. Dit is door eiser niet betwist.
5.1.
Daarnaast heeft de minister de maatregel eveneens op de b-grond van artikel 59b van de Vw kunnen baseren. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht - door middel van de in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb opgenomen lichte en zware gronden - ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen. Ook dit is door eiser niet betwist.
5.2.
Voor zover eiser stelt dat de grondslag van de bewaring onjuist is, omdat het terugkeerbesluit niet op een juiste wijze is uitgereikt, overweegt de rechtbank dat een terugkeerbesluit niet vereist is voor een maatregel op grond van artikel 59b van de Vw. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Gronden

6. De minister heeft lichte grond 4f op de zitting laten vallen.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden 3b, 3d en 3e niet heeft betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze niet betwiste gronden de maatregel niet kunnen dragen. Ook bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van de betwiste zware en lichte gronden daarom onbesproken.

Lichter middel

7. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van andere persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding heeft moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.

Voortvarend handelen

8. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de minister bij een bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten die daadwerkelijk kunnen bijdragen aan de bespoediging van de feitelijke uitzetting. De handelingen die de minister wel moet verrichten zien op de afhandeling van de asielaanvraag. De termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw moet worden gezien als een maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat eiser voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. De rechtbank stelt vast dat de minister op 24 april 2026 een voornemen heeft uitgebracht. Daaraan voorafgaand heeft de minister eiser op 18 april 2026 uitgenodigd voor de start van zijn asielprocedure op 20 april 2026 en nogmaals voor de start van zijn procedure op 24 april 2026, maar beide keren heeft eiser geweigerd te verschijnen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in onderhavige procedure onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de asielaanvraag van eiser.

Zicht op uitzetting

9. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de Afdeling in de uitspraak van 6 juni 2016 heeft overwogen dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw.

10. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Vreemdelingenwet 2000.

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1156.

ECLI:NL:RVS:2016:1552.

Artikel delen