ECLI:NL:RBDHA:2026:10679
text/xml
public
2026-05-06T14:47:26
2026-05-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Den Haag
2026-03-31
C/09/700720 / KG ZA 26-232
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
NL
Den Haag
Civiel recht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10679
text/html
public
2026-05-06T14:41:16
2026-05-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBDHA:2026:10679 Rechtbank Den Haag , 31-03-2026 / C/09/700720 / KG ZA 26-232
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/700720 / KG ZA 26-232
Vonnis in het derdenverzet in kort geding van 31 maart 2026
in de zaak van
[eiseres]
te [woonplaats 1],
eiseres in het derdenverzet,
advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam,
tegen:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland te Den Haag,
gedaagde in het derdenverzet,
advocaat mr. E.M. de Lange te Den Haag,
en
[gedaagde]
te [woonplaats 2],
gedaagde in het derdenverzet,
advocaten mr. R.A. Korver te Amsterdam en mr. M. Krol te Rotterdam
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiseres]’, ‘JBw’ en ‘[gedaagde]’.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de derdenverzetdagvaarding van 9 maart 2026, met 12 producties;
- de conclusie van antwoord in derdenverzet van JBw, met 16 producties;
- de conclusie van antwoord in derdenverzet van [gedaagde], met 2 producties;
- de op 17 maart 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door [eiseres], JBw en [gedaagde] pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Ter zitting is vonnis bepaald op heden.
2De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Op 15 juli 2025 zijn de ouders van [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats], (hierna: [minderjarige 1]) en [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2]), geboren op [geboortedatum 2] 2019, beiden overleden. JBw is sinds 6 december 2025 (na eerst te zijn belast met de voorlopige voogdij) definitief belast met de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. [gedaagde] is een oudtante moederszijde van de kinderen. [eiseres] is een tante vaderszijde. Beide familieleden hebben bij JBw te kennen gegeven graag de pleegzorg voor de kinderen op zich te willen nemen.
2.2.
De kinderen zijn voorlopig, in afwachting van nadere beslissingen door JBw, na eerst in een crisispleeggezin te hebben verbleven, in een gezinshuis geplaatst. Vervolgens heeft [gedaagde] tegen JBw bij deze rechtbank een kort geding procedure gevoerd; zij wilde snelle plaatsing van de kinderen bij haar, nu haar netwerk al positief gescreend is voor pleegzorg. Die procedure heeft geleid tot een vonnis in kort geding van 3 maart 2026. In dat vonnis heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, bepaald dat de kinderen zo spoedig mogelijk, althans binnen drie weken na de mondelinge behandeling op 17 februari 2026, door JBw voorlopig bij [gedaagde] moeten worden geplaatst. [eiseres] is in die kort geding procedure niet als partij betrokken geweest en niet als belanghebbende gehoord.
2.3.
De kinderen zijn conform het vonnis van 3 maart 2026 op 10 maart 2026 voorlopig bij [gedaagde] geplaatst.
2.4.
[eiseres] beschikt tot op heden nog niet over een verklaring van geen bezwaar van de Raad voor de Kinderbescherming en er heeft dus ook nog geen netwerkscreening plaatsgevonden. Zij is nog in afwachting van de beslissing over de afgifte van een verklaring van geen bezwaar en de screening. Eerder is haar op 10 februari 2026 te kennen gegeven dat de Raad voor de Kinderbescherming voornemens is de verklaring van geen bezwaar niet af te geven, maar die beslissing is nog niet genomen.
2.5.
JBw heeft na de voorlopige plaatsing van de kinderen bij [gedaagde] overleg gevoerd met [eiseres] over de vraag hoe voorlopig de omgang van de kinderen met [eiseres] en haar gezin kan plaatsvinden, maar dat overleg heeft niet tot overeenstemming geleid.
3Het geschil
3.1.
[eiseres] vordert in dit derdenverzet – zakelijk weergegeven – schorsing van de werking van het vonnis van 3 maart 2026 tot een nader te bepalen datum, waarbij de vorderingen van [gedaagde] jegens JBw alsnog worden afgewezen, met een verbod aan JBw om de kinderen te plaatsen bij [gedaagde] voordat de verklaring van geen bezwaar aan [eiseres] is afgegeven en de netwerkscreening is voltooid. Dit alles op straffe van een dwangsom en kosten rechtens.
3.2.
Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. [eiseres] wil graag de zorg voor de kinderen op zich nemen en zij is daarvoor ook de aangewezen partij. Zij heeft een warme band met de kinderen en de ouders van de kinderen wilden ook dat [eiseres] voor hen zou zorgen indien zij onverhoopt zouden wegvallen. Ook andere naaste familieleden vinden dat het beste. [eiseres] mocht er op vertrouwen dat JBw niet tot plaatsing van de kinderen in een netwerkpleeggezin zou overgaan voordat is beslist over de afgifte van een verklaring van geen bezwaar aan haar en de daarop volgende netwerkscreening. Die toezegging is haar ook gedaan door JBw. Dat is de directe reden dat zij een eerder door haar tegen JBw gestart kort geding dat ging over de verklaring van geen bezwaar en de screening heeft ingetrokken. In strijd met de toezegging dat JBw niet tot plaatsing zou overgaan vóór het screeningstraject zou zijn afgerond heeft JBw zich in het door [gedaagde] gestarte kort geding gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter. Dat had niet gemogen, aldus [eiseres].
3.3.
JBW en [gedaagde] hebben verweer gevoerd dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4De beoordeling van het geschil
4.1.
Artikel 376 Rechtsvordering bepaalt dat een derde bevoegd is zich te verzetten tegen een vonnis dat zijn rechten benadeelt, als die derde niet als partij in dat geding betrokken was en zich ook niet heeft gevoegd of is tussengekomen. Vast staat dat [eiseres] geen partij was bij het kort geding tussen [gedaagde] en JBw en daarin ook niet is tussengekomen of zich heeft gevoegd. Dat betekent echter niet dat zij reeds daarom ontvankelijk is in dit derdenverzet. Anders dan voor voeging of tussenkomst is het feit dat de derde belang heeft bij de uitkomst van de procedure onvoldoende voor derdenverzet. Het derdenverzet is een restrictief rechtsmiddel. Slechts indien [eiseres] door het vonnis benadeeld wordt in haar rechten kan zij ontvankelijk worden verklaard.
4.2.
[eiseres] meent dat in dit geval sprake is van dergelijke benadeling van haar rechten. JBw en [gedaagde] hebben juist betoogd dat daarvan geen sprake is en dat het slechts gaat om belangen van [eiseres] en dat zij daarom niet ontvankelijk moet worden verklaard.
4.3.
De voorzieningenrechter is met JBw en [gedaagde] van oordeel dat [eiseres] niet ontvankelijk is in het derdenverzet. Daartoe is allereerst van belang dat het vonnis geen kracht van gewijsde heeft jegens [eiseres]. Weliswaar betekent de tenuitvoerlegging van het vonnis dat de kinderen voorlopig, in strijd met de wensen van [eiseres], bij [gedaagde] zijn geplaatst, maar dat is onvoldoende voor ontvankelijkheid. Er bestaat immers op dit moment geen recht van [eiseres] op pleegzorg dat door het vonnis wordt doorkruist. [eiseres] wordt door executie van het vonnis hooguit in een belang geraakt. Evenmin is sprake van een constitutieve uitspraak met werking buiten partijen en de executoriale kracht van het vonnis kan niet ten nadele van [eiseres] worden uitgeoefend. Dat is door [eiseres] ook niet onderbouwd.
4.4.
Voor zover [eiseres] meent dat zij toch ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzet omdat door plaatsing van de kinderen bij [gedaagde] een afspraak die JBw met [eiseres] zou hebben gemaakt wordt geschonden, kan die stelling haar niet baten. Daargelaten dat JBw heeft betwist een onvoorwaardelijke toezegging aan [eiseres] te hebben gedaan dat de kinderen voordat de screening van [eiseres] was afgerond niet (ook niet tijdelijk) elders zouden worden geplaatst, kan een dergelijke toezegging van JBw er zelfs als die zou zijn gedaan niet toe leiden dat het derdenverzet ontvankelijk is. Hooguit zou [eiseres] JBw om die reden rechtstreeks op grond van schending van een overeenkomst kunnen aanspreken. [eiseres] miskent namelijk dat het niet JBw is die de beslissing tot tijdelijke plaatsing bij [gedaagde] heeft genomen, maar de voorzieningenrechter. Hij heeft, op vordering van [gedaagde] en na zorgvuldige afweging van alle belangen en dan met name die van de kinderen, geoordeeld dat tijdelijke plaatsing in het reeds gescreende gezin van [gedaagde] de voorkeur verdient boven een langer verblijf in een gezinshuis. Daarbij heeft blijkens het vonnis zwaar meegewogen dat de kinderen dringend behoefte hebben aan traumatherapie, die in een gezinshuis niet kan starten en dat de uitkomst van een eventuele screening van [eiseres] nog wel drie maanden op zich kan laten wachten.
4.5.
Het enkele feit dat JBw zich ter zitting, na schorsing, heeft gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter leidt niet tot een andere uitkomst van de onderhavige procedure. Het stond JBw onder de gegeven omstandigheden zonder meer vrij in de procedure tegen [gedaagde] haar procespositie ter zitting nader te bepalen. JBw heeft kennelijk, na aanvankelijk verweer tegen de plaatsing bij [gedaagde], na schorsing tijdens de mondelinge behandeling, besloten tot referte. Daarmee heeft JBw duidelijk gemaakt dat zij in het belang van de kinderen bereid was de uiteindelijke beslissing over een tijdelijke plaatsing bij [gedaagde] aan de voorzieningenrechter over te laten; dat is niet onrechtmatig. Overigens is door [eiseres] niet aannemelijk gemaakt dat de beslissing van de voorzieningenrechter anders zou zijn geweest zonder die referte. De voorzieningenrechter heeft zich immers niet beperkt tot een simpele toewijzing van de eis vanwege de referte van JBw, maar hij heeft een uitvoerige inhoudelijke motivering gegeven voor zijn oordeel.
4.6.
De voorzieningenrechter gaat tevens voorbij aan de stelling van [eiseres] dat zij derdenverzet kan instellen omdat zij ten onrechte niet als belanghebbende is opgeroepen in het eerdere kort geding. Terecht is er zijdens gedaagden op gewezen dat er geen enkele wettelijke verplichting is een potentiële pleegouder op te roepen in een kort geding tussen een andere potentiële pleegouder en een jeugdbeschermingsinstelling. In dat kader wijst de voorzieningenrechter er nog op dat zelfs daadwerkelijke pleegouders pas als belanghebbende worden aangemerkt als zij een kind langer dan een jaar in hun gezin verzorgen en opvoeden. Ook het beroep op family life kan [eiseres] niet baten. Daargelaten dat door gedaagden betwist is dat in dit geval sprake is van family life in de zin van artikel 8 EVRM leidt enkel family life niet reeds tot ontvankelijkheid in derdenverzet.
4.7.
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat ervan uit mag worden gegaan dat het belang van de kinderen nog altijd gediend is bij de voorlopige plaatsing bij [gedaagde]. Daardoor kan immers de noodzakelijke traumatherapie starten in een rustige setting, bij familieleden waarmee ook een band bestaat. Dat klemt te meer nu een eventuele screening van [eiseres], die overigens slechts zal plaatsvinden als er een verklaring van geen bezwaar zal worden afgegeven door de Raad voor de Kinderbescherming, nog wel drie maanden kan duren. De stelling van [eiseres] dat het verblijf direct zou moeten worden beëindigd omdat het bij [gedaagde] onveilig is als gevolg van twee explosie-incidenten, kan haar niet baten. Door gedaagden is gemotiveerd betwist dat het verblijf ter plaatse te onveilig is. Daarbij hebben zowel de advocaat van JBw als de advocaat van [gedaagde] ter zitting te kennen gegeven dat zij zelf van de politie te horen hebben gekregen dat na een grondige evaluatie is gebleken dat de situatie ter plaatse als veilig is te beschouwen. De voorzieningenrechter heeft geen reden aan deze informatie te twijfelen nu advocaten op hun woord worden geloofd. Het feit dat het Openbaar Ministerie nog bezig is met vervolgingsbeslissingen is, anders dan [eiseres] meent, evenmin reden de kinderen onmiddellijk elders te plaatsen. Het is immers aan JBw om, samen met pleegzorg, te waken voor de belangen van de kinderen. Gebleken is dat daarbij zo nodig informatie wordt gevraagd van politie en justitie. Daarbij kan er vooralsnog van uit worden gegaan dat JBw eventuele nieuwe ontwikkelingen zal meenemen in haar verdere besluitvorming.
4.8.
De slotsom is dat het derdenverzet niet ontvankelijk is.
[eiseres] zal dus moeten afwachten of zij een verklaring van geen bezwaar krijgt of niet. Als die beslissing voor haar positief uitvalt volgt nog een screeningstraject van enkele maanden. Pas als daarover meer duidelijkheid bestaat zal JBw een beslissing nemen over definitieve plaatsing van de kinderen.
4.9.
De voorzieningenrechter ziet in de delicate aard van de zaak, die zijn oorsprong vindt in de oprechte wens van [eiseres] te zorgen voor de ouderloze kinderen, aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
5De beslissing:
De voorzieningenrechter:
5.1.
verklaart [eiseres] niet ontvankelijk in het derdenverzet;
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-Van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
AW