Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:10689

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

Rechtbank Den Haag 6 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:10689 text/xml public 2026-05-06T15:03:03 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-26 C/09/701356 / JE RK 26-421 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10689 text/html public 2026-05-06T15:02:34 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10689 Rechtbank Den Haag , 26-03-2026 / C/09/701356 / JE RK 26-421
Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummer: C/09/701356 / JE RK 26-421

Datum uitspraak: 26 maart 2026

Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, 'sGravenhage,

hierna te noemen: de Raad,

over

- [de minderjarige 1], (vermoedelijk) geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [land 1] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,

- [de minderjarige 2], (vermoedelijk) geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [land 2] ,

hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,

hierna tezamen te noemen: de kinderen.

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

BRP-geregistreerd als geëmigreerd,verblijvende in de Penitentiaire Inrichting in [plaats] ,

advocaat: mr. P.R.L.V.M. Kruik te Den Haag.

De kinderrechter merkt als informant aan:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1Het verloop van de procedure 1.1.
Op 15 maart 2026 heeft mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter in deze rechtbank, mondeling (buiten kantooruren) beslist dat:

de kinderen voorlopig onder toezicht worden gesteld van de gecertificeerde instelling van 15 maart 2026 tot 16 maart 2026 om 17:00 uur;

de gecertificeerde instelling gemachtigd is om de kinderen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van

15 maart 2026 tot 16 maart 2026 om 17.00 uur;

deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad is;

de behandeling van het verzoek voor het overige wordt aangehouden tot het verzoek, met nadere onderbouwing, schriftelijk bij de rechtbank is ingediend.
1.2.
Bij beschikking van 16 maart 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de kinderen voorlopig onder toezicht gesteld van 16 maart 2026 om 17.00 uur tot 29 maart 2026 en voor dezelfde duur een machtiging verleend om de kinderen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.3.
De kinderrechter neemt nu ook mee in de beoordeling:

- de beschikking van 16 maart 2026.
1.4.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:

[naam 1] namens de Raad;

de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

[naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
1.5.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.
2De feiten 2.1.
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 16 maart 2026.
3Het verzoek 3.1.
De Raad verzoekt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Er zijn zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. De kinderen hebben een belaste voorgeschiedenis. De moeder is in 2014 uitgereisd naar oorlogsgebied in [land 1] . [de minderjarige 1] is in [land 1] geboren. Hij heeft de oorlogssituatie daar meegemaakt. [de minderjarige 2] is in [land 2] geboren. In [land 2] hebben beide kinderen geïsoleerd geleefd. Op 27 november 2025 heeft de moeder zich samen met haar twee kinderen gemeld bij de Nederlandse ambassade in [land 2] . De moeder heeft toen aangegeven met de kinderen terug te willen keren naar Nederland. De moeder en de kinderen zijn vervolgens in vreemdelingenbewaring gezet. Op 15 maart 2026 zijn de moeder en de kinderen onder leiding van de Koninklijke Marechaussee met het vliegtuig in Nederland aangekomen. De moeder is na aankomst in Nederland aangehouden en in voorarrest geplaatst. Hierdoor hebben de kinderen (tijdelijk) afscheid moeten nemen van de moeder. Dit was logischerwijs ingrijpend voor de kinderen, zeker omdat Nederland een vreemd land voor hen is en zij de taal niet machtig zijn. De kinderen verblijven op een opvanglocatie van iHub, waar het naar omstandigheden goed met hen gaat. Het doel is de kinderen te stabiliseren en in kaart te brengen wat hun opvoedbehoeften zijn. Ook moet onderzocht worden in hoeverre er sprake is van trauma en hechtingsproblemen om duidelijk te krijgen welke hulpverlening de kinderen nodig hebben om zo goed mogelijk op te groeien in Nederland. Daarnaast moet onderzocht worden of het betrokken netwerk van de moeder, in ieder geval de grootmoeder moederszijde, eventueel in de toekomst een rol kan spelen in de verzorging en opvoeding van de kinderen. Verder zal er ook aandacht zijn voor het contact tussen de moeder en de kinderen. De Raad zal voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] afzonderlijk adviseren welke vervolgplaatsing het meest tegemoet komt aan hun opvoedbehoeften. Gelet op de zorgen die er zijn over de kinderen en het feit dat er nog veel onduidelijk is over de kinderen en wat zij nodig hebben, acht de Raad de verzochte duur van drie maanden noodzakelijk.
4De standpunten 4.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd. Primair wordt aangevoerd dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is het verzoek te behandelen. Daartoe is redengevend dat de gewone verblijfplaats van de kinderen niet in Nederland maar in [land 2] gelegen is. De kinderen verblijven pas elf dagen in Nederland. Zij kennen hier niemand en zijn de Nederlandse taal niet machtig. In het verzoekschrift staat dat de moeder gezegd zou hebben dat zij zich samen met haar kinderen permanent wil vestigen in Nederland. Daar is echter geen onderbouwing van overgelegd. Ook is onvoldoende duidelijk of de kinderen wel de Nederlandse nationaliteit hebben, zoals wordt gesuggereerd. Mogelijk hebben de kinderen een andere nationaliteit of een dubbele nationaliteit. Indien de rechtbank zich wel bevoegd acht, verzoekt de moeder het verzoek slechts toe te wijzen voor de duur van zes weken. Niet uit te sluiten is namelijk dat de voorlopige hechtenis van de moeder op korte termijn geschorst wordt, mede gelet op haar persoonlijke omstandigheden. In dat geval zou zij samen met de kinderen bij de grootmoeder moederszijde kunnen wonen. Daarbij komt dat de moeder zich meewerkend opstelt en bereid is hulpverlening te accepteren.
4.2.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad. De gecertificeerde instelling heeft naar voren gebracht dat de kinderen in een gespecialiseerde opvanglocatie verblijven. Het gaat naar omstandigheden goed met de kinderen. Wel missen zij de moeder enorm. Er heeft inmiddels een belmoment plaatsgevonden tussen de moeder en de kinderen. Volgende week staat er een begeleid bezoek gepland. Ook zullen de kinderen binnenkort een medische check krijgen in het ziekenhuis.
5De beoordeling
Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
De moeder heeft aangevoerd dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is te oordelen over het verzoek van de Raad. Daartoe heeft de moeder aangevoerd dat de gewone verblijfplaats van de kinderen niet in Nederland maar in [land 2] is gelegen. De kinderrechter volgt het standpunt van de moeder niet. Zoals reeds bij beschikking van 16 maart 2026 is overwogen, is de kinderrechter – evenals de moeder – van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de kinderen op het moment van indienen van het (mondelinge) verzoek in [land 2] gelegen was. Gelet op de spoedeisendheid van de situatie, het voorlopige karakter van de verzochte maatregelen en het gegeven dat de kinderen zich op het moment van indienen van het (mondelinge) verzoek op Nederlands grondgebied bevonden, kan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter worden aangenomen op grond van artikel 11 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKV). Dat artikel bepaalt dat in spoedeisende gevallen de autoriteiten van het land op welk grondgebied het kind zich feitelijk bevindt, bevoegd is om alle noodzakelijke beschermende maatregelen te nemen. Om die reden heeft de kinderrechter zich bevoegd verklaard over het verzoek te oordelen. Uit artikel 15 HKV volgt dat de bevoegde rechter zijn interne recht toepast. Daarom wordt Nederlands recht toegepast.

Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit huis worden geplaatst.
5.3.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er zijn zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. De moeder is in 2014 uitgereisd naar oorlogsgebied in [land 1] . De kinderen zijn – voor zover bekend – de afgelopen jaren opgegroeid onder slechte omstandigheden. Zij hebben vermoedelijk traumatische gebeurtenissen meegemaakt en lijken vanaf hun verblijf in [land 2] (vermoedelijk in 2022) een geïsoleerd bestaan te hebben geleid. Ten aanzien van [de minderjarige 1] zijn er bijkomende zorgen omdat hij gewond is geraakt bij een bombardement en daar naast mentale schade ook fysieke schade aan heeft overgehouden. De moeder is na aankomst in Nederland aangehouden en in voorarrest geplaatst. De kinderrechter vindt het positief om te horen dat het naar omstandigheden goed gaat met de kinderen. De kinderen verblijven samen in een opvanglocatie van iHub die ervaring heeft met het opvangen van kinderen die uit dezelfde situatie komen. Het is noodzakelijk dat de komende periode onderzocht wordt hoe het met de kinderen blijft gaan en wat voor hulp er voor hen nodig is. Daarnaast moet gekeken worden waar de kinderen op de langere termijn het best kunnen verblijven. De kinderrechter ziet geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen voor kortere duur, zoals door de moeder is verzocht. Daartoe neemt de kinderrechter in overweging dat er geen aanleiding bestaat te verwachten dat het mogelijk is om in kortere tijd dan verzocht voldoende zicht te krijgen op de ontwikkeling en de opvoedbehoeften van de kinderen. Daarnaast is er geen enkele garantie dat de voorlopige hechtenis van de moeder op korte termijn geschorst gaat worden. Ook indien de voorlopige hechtenis van de moeder wel geschorst zou worden, zal moeten worden bezien of plaatsing van de kinderen bij de moeder en de grootmoeder moederszijde op dit moment het meest passend is voor de kinderen. Dat zal eerst zorgvuldig moeten worden onderzocht door de Raad. De kinderrechter zal het verzoek van de Raad dan ook toewijzen als verzocht.
5.4.
De beslissing tot de voorlopige ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 29 maart 2026 tot 15 juni 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 29 maart 2026 tot 15 juni 2026;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026 door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier, en op schrift gesteld op 2 april 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen.

Artikel 1:257 BW.

Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).

Artikel 2 Besluit gezagsregisters.

Artikel delen