Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBDHA:2026:9790

Rechtbank Den Haag 1 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:9790 text/xml public 2026-05-01T13:32:54 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-23 C/09/702279 / KG ZA 26-326 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Den Haag Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9790 text/html public 2026-05-01T13:31:56 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:9790 Rechtbank Den Haag , 23-04-2026 / C/09/702279 / KG ZA 26-326
Kort geding. Onrechtmatige publicaties op social media. Veroordeling tot het verwijderen van uitingen en beelden en verbod om nieuwe te plaatsen. Rectificatie afgewezen.
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/702279 / KG ZA 26-326

Vonnis in kort geding van 23 april 2026

in de zaak van

[eiseres] , woonplaats kiezende te [plaats] ,

voor zichzelf en in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025,

eiseres,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaten mrs. R.A Korver en T.A.E. Bossen te Amsterdam,

tegen:

[gedaagde] te [woonplaats] ,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat mr. C. Crince le Roy te Amsterdam.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 1 april 2026 met producties 1 t/m 15;

- de conclusie van antwoord van met producties 1 t/m 12;

- de akte eisvermeerdering met producties 16 t/m 20,;

- de op 9 april 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door [eiseres] een pleitnota met producties 21 en 22 en door [gedaagde] een pleitnota met productie 13 is overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
<nr>2</nr>De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen hebben medio 2024 een kortstondige relatie met elkaar gehad.
2.2.
[eiseres] is de moeder van de minderjarige:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 (hierna: het kind).

Het kind is niet erkend en [eiseres] oefent alleen het gezag over hem uit.
2.3.
[gedaagde] opereert als rapper en is bekend onder de artiestennaam [artiestennaam] . Hij heeft een openbaar Instagram-account met circa 135.000 volgers, een openbaar TikTok-account met circa 65.000 volgers en een substantieel bereik via Snapchat en YouTube.
2.4.
[gedaagde] is bij vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 31 maart 2026 veroordeeld wegens het meermalen bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht, het voorhanden hebben van een vuurwapen en dwang als bedoeld in artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht tot een gevangenisstraf van 7 maanden met aftrek van voorarrest, een contactverbod met [eiseres] (direct of indirect, via sociale media of op andere wijze) en het betalen van schadevergoeding en een schadevergoedingsmaatregel. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in die strafzaak op 17 maart 2026 heeft [eiseres] een slachtofferverklaring voorgelezen.

Uitlatingen slachtofferverklaring
2.5.
[gedaagde] heeft na de strafzaak op zijn Instagram- en TikTok-account twee video’s geplaatst waarop videobeelden van het kind te zien zijn en een audio-opname te horen is van de slachtofferverklaring die [eiseres] heeft voorgelezen tijdens de strafzitting.

Uitlatingen jeugdbeschermingsdossier
2.6.
Op 17 maart 2026 heeft [gedaagde] op zijn Instagram- en Snapchat-account uitlatingen geplaatst waarin screenshots en informatie zijn opgenomen die afkomstig zijn uit het dossier van [eiseres] bij Jeugdbescherming [regio] . Deze uitingen bevatten persoonsgegevens en andere vertrouwelijk informatie over [eiseres] en haar kinderen.
2.7.
Op 31 maart 2026 heeft [gedaagde] op zijn TikTok-account een video geplaatst waarin hij reageert op het vonnis in zijn strafzaak en zich uitlaat over [eiseres] ’s geestelijke gezondheid.
2.8.
Op 3 april 2026 heeft [gedaagde] op zijn Instagram-account twee berichten geplaatst waarin staat dat hij het Jeugdbeschermingsdossier van [eiseres] heeft gelezen en “alles over haar mentale gezondheid” en waarin informatie uit dat dossier is opgenomen.

Uitlatingen met beeldmateriaal van het kind
2.9.
[gedaagde] heeft op zijn Instagram-account een profielfoto en foto’s geplaatst waarop het kind herkenbaar of met een balkje over zijn ogen te zien is. Bij sommige foto’s zijn negatieve teksten geplaatst over het vaderschap van het kind en de wijze waarop [eiseres] het kind verzorgt en opvoedt.

Videoclip [nummer]
2.10.
Op 7 april 2026 heeft [gedaagde] een videoclip gepubliceerd behorende bij het nummer ‘ [nummer] ’ Daarin is een fragment te zien [fragment] . Op 7 april 20206 heeft [gedaagde] op zijn Instagram-account beelden van dit fragment uit de videoclip geplaatst. Eerder heeft hij een grotere versie van de betreffende foto met het kind op zijn Instagram-account geplaatst.
2.11.
Op 7 april 2026 heeft [gedaagde] op zijn Instagram-account een bericht geplaatst met de tekst: “[tekst] …” met een link naar de videoclip op YouTube.

uitlatingen weigeren DNA-test
2.12.
[gedaagde] heeft op zijn Instagram- en TikTok-account meerdere berichten geplaatst waarin hij stelt dat [eiseres] een DNA-test ter vaststelling van het vaderschap van het kind weigert of heeft geweigerd.

Correspondentie over DNA-test
2.13.
Op 26 november 2025 heeft de (familierecht)advocaat van [gedaagde] (onder meer) het volgende aan de (familierecht)advocaat van [eiseres] gemaild:

“Cliënt wenst graag over te gaan tot het laten uitvoeren van een DNA onderzoek. Eerder heeft u laten weten dat uw cliënte bereid is daaraan mee te werken, mits cliënt de kosten hiervan voor voldoet. Cliënt stelt daartoe het volgende voor:

Cliënt zal een (niet rechtsgeldige) DNA-test bestellen via: [website]

De DNA-test kost via voornoemde website: € 169,00 en worden door cliënt voldaan

Uw cliënte geeft de naam en adres van de huisarts van [minderjarige] . Zij zal haar huisarts vragen of deze medewerking wilt verlenen aan het DNA onderzoek.”
2.14.
Op 1 december 2025 heeft de advocaat van [eiseres] in een familierechtzaak tussen partijen in reactie op het verweerschrift van [gedaagde] aangegeven dat [eiseres] ervan overtuigd is dat [gedaagde] de vader van het kind is en dat zij zich niet verzet tegen een DNA-test, mits de kosten hiervan door [gedaagde] worden voldaan, als hij de vader blijkt te zijn.
2.15.
Op 15 december 2025 heeft de (familierecht)advocaat van [eiseres] gemaild aan de (familierecht)advocaat van [gedaagde] het volgende gemaild in reactie op de e-mail van 26 november 2025:

“Nee, cliënte stemt daarmee niet in. Haar huisarts werkt daaraan ook niet mee.”

Sommatie
2.16.
Bij brief van 25 maart 2026 heeft de advocaat van [eiseres] [gedaagde] gesommeerd alle uitingen op Instagram, Snapchat en andere social media over of met gegevens van [eiseres] en/of het kind, waaronder delen van en/of informatie uit het Jeugdzorgdossier van [eiseres] , videobeelden van het kind en audio-opname van de slachtofferverklaring va [eiseres] en grievende of onware suggesties over [eiseres] en [gedaagde] ’s relatie tot het kind te verwijderen en verwijderd te houden en zich te onthouden van verdere verspreiding van dergelijke uitingen.
2.17.
Bij e-mail van 26 maart 2026 heeft de advocaat van [gedaagde] in reactie op de sommatiebrief aangegeven dat [gedaagde] de gegevens van [eiseres] uit haar jeugdzorgdossier zal verwijderen, maar aan het overig verzochte niet zal voldoen.
<nr>3</nr>Het geschil 3.1.
[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven en na vermeerdering van eis – dat de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis van zijn Instagram-, Snapchat-, TikTok-, YouTube-accounts en alle overige (sociale media)platforms en kanalen waarover [gedaagde] beschikt of waarop [gedaagde] een beïnvloedende rol vervult, te verwijderen en verwijderd te houden:

alle foto’s, video’s en enig ander herkenbaar beeldmateriaal van het kind;

de audio-opname van de slachtofferverklaring van [eiseres] , voor zover gecombineerd met beeldmateriaal van het kind, dan wel voor zover geplaatst op de sociale media-accounts van [gedaagde] ;

alle uitingen die inhouden of suggereren dat [eiseres] een DNA-test ter vaststelling van het vaderschap van het kind weigert of heeft geweigerd, dan wel die suggereren of impliceren dat [gedaagde] niet de vader van het kind is als gevolg van vermeende weigering van [eiseres] ;

alle uitingen met of die betrekking hebben op enig document, screenshot, bestand of enige andere uiting die geheel of gedeeltelijk afkomstig is uit of ontleend is aan het jeugdzorgdossier van [eiseres] ;

de video die op 7 april 2026 gepubliceerd is als videoclip behorende bij het nummer [artiestennaam] – [nummer] ;

de uitingen op 7 april 2026 gepubliceerd op het Instagram-account van [gedaagde] zoals weergegeven in productie 18;

II. [gedaagde] veroordeelt om met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden het publiceren, verspreiden of anderszins openbaar maken (of, ten aanzien van d, ter beschikking stellen) van:

beeldmateriaal van het kind via sociale media of enig ander (online) platform;

de audio-opname van de slachtofferverklaring van [eiseres] , gecombineerd met beeldmateriaal van het kind of geplaatst op enige sociale media-account van [gedaagde] ;

uitingen als bedoeld onder I, onder c, e en f;

enig document, screenshot, bestand of enige andere uiting die geheel of gedeeltelijk afkomstig is uit of ontleend is aan het jeugdzorgdossier van [eiseres] ;

III. [gedaagde] veroordeelt om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis blijvend te vernietigen en te wissen en verwijderd en vernietigd te houden:

alle foto’s, video’s en enig ander herkenbaar beeldmateriaal van het kind;

alle documenten, screenshots, bestanden en enig ander materiaal dat afkomstig is uit of ontleend is aan het jeugdzorgdossier van [eiseres] ;

met dien verstande dat [gedaagde] , ter bewijs en bevestiging van de nakoming van het onder III bepaalde, uiterlijk 72 uur na betekening van dit vonnis aan de advocaten van [eiseres] schriftelijk bevestigt, voorzien van een zo volledige mogelijke beschrijving van de vernietigde bestanden en de gebruikte opslagmedia, dat hij aan het voorgaande heeft voldaan;

IV. [gedaagde] veroordeelt om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis op elk platform en account als bedoeld onder I, waarop [gedaagde] één of meer uitingen als bedoeld onder I, sub c, heeft geplaatst, het navolgende bericht te plaatsen, zulks in de exacte bewoordingen, exacte lay-out en - voor zover het platform dit toestaat - met gebruikmaking van dezelfde hashtags, vermeldingen en overige metadata als waarmee de gewraakte uitingen zijn geplaatst, zodat het bereik en de zichtbaarheid van de rectificatie ten minste gelijkwaardig zijn aan het bereik van de gewraakte berichten:

“In eerdere berichten heb ik gesteld dat de moeder van mijn kind een DNA-test weigert. Die bewering is onjuist. De voorzieningenrechter heeft op [datum vonnis] geoordeeld dat deze uitingen onrechtmatig zijn en ik ben veroordeeld deze te verwijderen en deze rectificatie te plaatsen.”

met dien verstande dat:

het bericht als eerste en vastgezet bericht bovenaan de profielpagina van [gedaagde] op het desbetreffende platform wordt geplaatst en aldaar gedurende ten minste vier weken onafgebroken zichtbaar blijft;

[gedaagde] het bericht niet vóór het verstrijken van de onder (a) bedoelde termijn verwijdert, archiveert, verbergt of op andere wijze aan het zicht onttrekt;

[gedaagde] aan het bericht geen commentaar, verklaringen, nuanceringen, hyperlinks of andere toevoegingen verbindt, hetzij in het bericht zelf, hetzij in de reacties of story's die direct op de publicatie betrekking hebben;

indien een platform de vereiste vastpinfunctie niet ondersteunt, [gedaagde] het bericht plaatst op de wijze die op dat platform de grootst mogelijke verspreiding bewerkstelligt;

[gedaagde] gebruikt maakt van de functie – voor zover het platform dit toestaat – om plaatsing van commentaren en/of reacties door derden, waaronder volgers, bi of onder het bericht uit te zetten en plaatsing van dergelijke commentaren en/of bij reacties aldus onmogelijk te maken;

dan wel een bericht van zodanige strekking en met zodanige wijze van publicatie als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

V. op straffe van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of dagdeel, dan wel - naar keuze van [eiseres] - voor iedere afzonderlijke overtreding, dat [gedaagde] in gebreke blijft met de nakoming van één of meer van de veroordelingen onder I, II, III en IV, tot een maximum van € 500.000,-;

VI. met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. [gedaagde] handelt onrechtmatig jegens [eiseres] en het kind door op social media beeldmateriaal van het kind te plaatsen, gecombineerd met de audio-opname van de slachtofferverklaring van [eiseres] , aantoonbaar onjuiste feitelijke mededelingen over [eiseres] te verspreiden en vertrouwelijke informatie uit het jeugdzorgdossier van [eiseres] te delen. Deze gedragingen zijn onrechtmatig, aangezien [eiseres] hier geen toestemming voor heeft gegeven en [gedaagde] deze uitingen niet heeft gedaan in het kader van nieuwsvoorziening of enig ander te beschermen belang, maar in een context die enkel is gericht op het beschadigen van [eiseres] . [eiseres] lijdt daardoor (reputatie)schade en voelt zich ernstig bedreigd, mede omdat zij tegenover [gedaagde] 's aanhang, die omvangrijk is, in een kwaad daglicht wordt gesteld.
3.3.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
<nr>4</nr>De beoordeling van het geschil
Spoedeisend belang
4.1.
De vorderingen van [eiseres] zijn erop gericht om de (verdere) verspreiding van beeldmateriaal van het kind, haar persoonlijke gegevens en vermeend onjuiste mededelingen via social media te stoppen. [gedaagde] heeft een aanzienlijk bereik via zijn openbare sociale media-accounts, waar hij de afgelopen maanden meerdere uitingen over [eiseres] en het kind op heeft plaatst, ook in aanloop naar onderhavig kort geding en ook nadat hij in de strafzaak een contactverbod met [eiseres] opgelegd heeft gekregen. Gezien de aard van de gebruikte social media blijft het vermeend onrechtmatig handelen jegens [eiseres] en het kind voortbestaan zolang het materiaal online blijft staan en eventueel verder wordt verspreid. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in redelijkheid van [eiseres] verwacht worden dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht en is het spoedeisend belang bij haar vorderingen gegeven. De omstandigheid dat [gedaagde] een groot deel van de uitlatingen inmiddels heeft verwijderd, maakt dit niet anders. Een aantal uitlatingen staat immers nog online en het spoedeisend belang geldt onverminderd voor de vorderingen om een verbod op het doen van uitlatingen, om materiaal te vernietigen en een rectificatie te plaatsen.

Inhoudelijke beoordeling
4.2.
De vorderingen vallen in twee delen uiteen. [eiseres] vordert in de eerste plaats het verwijderen en verwijderd houden van diverse uitlatingen op social media, het staken en gestaakt houden ervan (vordering I en II) en het vernietigen van materiaal (vordering III). In de tweede plaats vordert zij [gedaagde] te veroordelen tot het plaatsen van een rectificatie (vordering IV). De voorzieningenrechter zal deze vorderingen hierna bespreken, te beginnen met de eerste.
4.3.
Ter zitting is gebleken dat [gedaagde] inmiddels alle bij [eiseres] bekende foto-, beeld- geluid- en videomateriaal van en betreffende haar en/of het kind van zijn sociale media-accounts, -kanalen en -platforms heeft verwijderd, met uitzondering van de op 7 april 2026 gepubliceerde videoclip behorende bij het nummer “ [artiestennaam] - [nummer] ” (productie 17) waarin een geblurd beeld van het kind voorkomt.
4.4.
Ten aanzien van de vorderingen onder I, a, b, c, d en f, die er kort gezegd toe strekken [gedaagde] te veroordelen de gewraakte uitlatingen van social media te verwijderen en verwijderd te houden, is namens [gedaagde] ter zitting toegezegd dat hij hieraan zal (blijven) voldoen. Deze vorderingen kunnen en zullen dan ook worden toegewezen. Ook tegen de vordering onder II, die ertoe strekt dat [gedaagde] wordt geboden het verspreiden van de aldaar genoemde beelden/content te staken en gestaakt te houden, is door [gedaagde] ter zitting uiteindelijk geen verweer gevoerd: namens [gedaagde] is ter zitting verklaard dat hij akkoord is deze activiteiten te staken en gestaakt te houden. Het onder II gevorderde zal daarom eveneens worden toegewezen. Gelet op de voorgeschiedenis tussen partijen, waarin [gedaagde] [eiseres] bij herhaling met de dood heeft bedreigd en ook meermaals, tot vlak voor de mondelinge behandeling van dit kort geding, negatieve/belastende uitlatingen over [eiseres] en beelden van het kind op social media heeft geplaatst, ziet de voorzieningenrechter aanleiding deze veroordelingen te versterken met na te noemen dwangsom, welke zal worden gematigd en gemaximeerd.
4.5.
Tussen partijen is alleen nog in geschil of het beeld van het kind dat onderdeel uitmaakt van de videoclip behorende bij het nummer “ [artiestennaam] - [nummer] ” moet worden verwijderd en verwijderd gehouden. Met [eiseres] is de voorzieningenrechter van oordeel dat het gebruik door [gedaagde] van deze beeltenis in deze video onrechtmatig is jegens het kind. Het gaat om een fragment [fragment] . Voor het online publiceren van foto’s en video’s van een kind jonger dan 16 jaar is op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger vereist. [eiseres] is de (enige) wettelijk vertegenwoordiger van het kind en zij heeft deze toestemming niet gegeven.
4.6.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het kind identificeerbaar, ook al is de foto in de videoclip erg klein in beeld en is het gezicht van het kind geblurd. [gedaagde] heeft de originele (niet geblurde) foto van het kind immers eerder op zijn breed gevolgde Instagram-account geplaatst, op welk account hij ook meerdere uitingen heeft gedaan over het vaderschap van dit kind. Bovendien is de foto in de clip te zien op het moment dat het nummer over vaderschap gaat. Nu het kind dus identificeerbaar in beeld is en [eiseres] hiervoor geen toestemming heeft gegeven, acht de voorzieningenrechter deze publicatie onrechtmatig. Het belang op bescherming van de privacy van deze jonge baby weegt zwaarder dan de door [gedaagde] gestelde ‘artistieke vrijheid’ en het financiële belang om de video niet te hoeven bewerken om dit fragment eruit te halen. Dit betekent dat ook het gevorderde onder I sub e zal worden toegewezen als hierna te melden, ook versterkt met een gematigde en gemaximeerde dwangsom.
4.7.
Nu de vordering onder II wordt toegewezen en het [gedaagde] wordt verboden beeldmateriaal van het kind openbaar te maken op straffe van verbeurte van een dwangsom, bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen belang (meer) bij toewijzing van de vordering onder III, a, die ertoe strekt dat [gedaagde] alle beeldmateriaal van het kind moet vernietigen. Daarbij weegt mee dat partijen er kennelijk beiden van uitgaan dat er een reële kans bestaat dat [gedaagde] de biologische vader is van het kind, zodat hij, in elk geval totdat is uitgesloten dat hij de vader van het kind is, een persoonlijk belang heeft bij het bezit van dat beeldmateriaal.
4.8.
Ten aanzien van het gevorderde onder III b geldt dat [gedaagde] ter zitting heeft toegezegd hieraan te voldoen. Nu ook deze vordering niet is weersproken zal deze worden toegewezen, versterkt met na te noemen dwangsom.
4.9.
Vervolgens moet worden beoordeeld of er aanleiding bestaat [gedaagde] te veroordelen tot het plaatsen van een rectificatie met betrekking tot zijn uitlatingen op sociale media dat [eiseres] een DNA-test weigert.
4.10.
[gedaagde] heeft op zijn sociale media verschillende uitlatingen gedaan waarin hij stelt dat [eiseres] geen medewerking wilde verlenen aan een DNA-test om vast te stellen of [gedaagde] de vader van het kind is. Volgens [eiseres] zijn deze mededelingen feitelijk onjuist, volgens [gedaagde] niet. De uitlatingen zijn inmiddels verwijderd.
4.11.
De voorzieningenrechter stelt op basis van de in deze procedure voorhanden informatie vast dat feitelijk het volgende is voorgevallen. [gedaagde] heeft op 26 november 2025 via zijn advocaat aan [eiseres] voorgesteld om een (niet rechtsgeldige) DNA-test via de huisarts uit te laten voeren. Op 1 december 2025 heeft [eiseres] in een schriftelijk stuk aan de rechtbank, in de kennelijk lopende familierechtelijke procedure tussen partijen, aangegeven dat zij ervan overtuigd is dat [gedaagde] de vader van het kind is en dat zij zich niet verzet tegen een DNA-test, mits de kosten hiervan door [gedaagde] worden voldaan, als hij de vader blijkt te zijn. Op 15 december 2025 heeft de advocaat van [eiseres] laten weten dat [eiseres] niet instemt met het voorstel van 26 november 2025 en dat haar huisarts daar ook niet aan meewerkt. Hieruit blijkt dat [eiseres] niet heeft aangegeven zich te verzetten tegen een DNA-test, maar alleen dat zij niet bereid was de door [gedaagde] voorgestelde DNA-test, die niet rechtsgeldig zou zijn, uit te voeren. Gelet daarop zijn alle uitlatingen die [gedaagde] na 1 december 2025 op zijn sociale media heeft gedaan waarin hij suggereert/stelt dat [eiseres] niet wil meewerken aan een DNA-test om vast stellen of hij de vader van het kind is, onjuist.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt met deze vaststelling in dit vonnis voldoende tegemoet gekomen aan de wens en het belang van [eiseres] om “uit de wereld” te krijgen, ook voor het kind, dat zij niet zou willen meewerken aan een DNA-test om vast te stellen of [gedaagde] de vader van het kind is. De voorzieningenrechter acht het in het belang van het kind dat er rust ontstaat tussen partijen. De veroordelingen van [gedaagde] tot het verwijderen en verwijderd houden van de content zoals hiervoor besproken en het gebod zich daarvan ook in de toekomst te onthouden, dragen daaraan naar verwachting bij. Het laten plaatsen van een rectificatie zal ongetwijfeld leiden tot hernieuwde aandacht voor de vraag wie de vader van het kind is. Deze vraag raakt aan de wortel van het bestaan van het kind en daarmee aan zijn privacy en de discussie daarover dient plaats te vinden in beslotenheid, en niet ten overstaan van alle volgers van de sociale media van [gedaagde] . De gevorderde rectificatie zal daarom worden afgewezen.

Proceskosten
4.12.
[gedaagde] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 153,02

- griffierecht € 93,00

- salaris advocaat € 1.177,00

- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)

Totaal € 1.612,02
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis van zijn Instagram-, Snapchat-, TikTok-, YouTube-accounts en alle overige (sociale media)platforms en kanalen waarover [gedaagde] beschikt of waarop [gedaagde] een beïnvloedende rol vervult, te verwijderen en verwijderd te houden:

alle foto’s, video’s en enig ander herkenbaar beeldmateriaal van het kind;

de audio-opname van de slachtofferverklaring van [eiseres] , voor zover gecombineerd met beeldmateriaal van het kind, dan wel voor zover geplaatst op de sociale media-accounts van [gedaagde] ;

alle uitlatingen die inhouden of suggereren dat [eiseres] een DNA-test ter vaststelling van het vaderschap van het kind weigert of heeft geweigerd, dan wel die suggereren of impliceren dat [gedaagde] niet de vader van het kind is als gevolg van vermeende weigering van [eiseres] ;

alle uitlatingen met of die betrekking hebben op enig document, screenshot, bestand of enige andere uiting die geheel of gedeeltelijk afkomstig is uit of ontleend is aan het jeugdzorgdossier van [eiseres] ;

de video die op 7 april 2026 gepubliceerd is als videoclip behorende bij het nummer [artiestennaam] – [nummer] zolang daarop de foto van het kind op de telefoon van [gedaagde] , zoals omschreven onder 2.10, of enige andere beeltenis van het kind, onderdeel uitmaakt;

de uitlatingen op 7 april 2026 gepubliceerd op het Instagram-account van [gedaagde] ;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden het publiceren, verspreiden of anderszins openbaar maken (of, ten aanzien van d, ter beschikking stellen) van:

beeldmateriaal van het kind via sociale media of enig ander (online) platform;

de audio-opname van de slachtofferverklaring van [eiseres] , gecombineerd met beeldmateriaal van het kind of geplaatst op enige sociale media-account van [gedaagde] ;

uitlatingen als bedoeld onder I, onder c, e en f;

enig document, screenshot, bestand of enige andere uitlating die geheel of gedeeltelijk afkomstig is uit of ontleend is aan het jeugdzorgdossier van [eiseres] ;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis blijvend te vernietigen en te wissen en verwijderd en vernietigd te houden:

- alle documenten, screenshots, bestanden en enig ander materiaal dat afkomstig is uit of ontleend is aan het jeugdzorgdossier van [eiseres] ;

met dien verstande dat [gedaagde] , ter bewijs en bevestiging van de nakoming hiervan, uiterlijk 72 uur na betekening van dit vonnis aan de advocaten van [eiseres] schriftelijk bevestigt dat hij aan het voorgaande heeft voldaan, voorzien van een zo volledige mogelijke beschrijving van de vernietigde bestanden en de gebruikte opslagmedia;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft met de nakoming van één of meer van de veroordelingen onder 5.1, 5.2 en/of 5.3, dan wel - naar keuze van [eiseres] - voor iedere keer dat [gedaagde] één of meer van deze veroordelingen overtreedt, tot een maximum van € 250.000,-;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiseres] van € 1.612,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.

JvL

Artikel delen