ECLI:NL:RBGEL:2026:3374
text/xml
public
2026-05-06T17:00:41
2026-04-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Gelderland
2026-04-30
ARN 24_7816
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Zutphen
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3374
text/html
public
2026-05-04T11:05:45
2026-05-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBGEL:2026:3374 Rechtbank Gelderland , 30-04-2026 / ARN 24_7816
Terugvordering van verstrekte voorschotten op grond van de Tijdelijke Overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (Tozo). Beroep ongegrond. Er is wel sprake van verplichte voorschotten in de zin van artikel 52, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) en het college kan die voorschotten op grond van artikel 58, tweede lid en onder d, van de Pw terugvorderen. Voor het eerst bij het verweerschrift voldoende gemotiveerd. Gebrek passeren met art. 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op 18 april 2024, zijnde de datum van het (primaire) terugvorderingsbesluit, was de verjaringstermijn van vijf jaar nog niet overschreden. In het bestreden besluit is niet weergegeven of en, zo ja, hoe het college in het kader van de dringende redenen de bij het besluit betrokken belangen heeft afgewogen. Het besluit mist daardoor een deugdelijke motivering. Gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Op de zitting alsnog toegelicht door het college. Het college heeft in wat eiseres naar voren heeft gebracht niet hoeven aanmerken als dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Door toepassing van artikel 6:22 van de Awb komt eiseres wel proceskostenvergoeding en griffierecht toe.
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/7816
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaats], eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek, het college
(gemachtigden: S.J.W. Jansen en M. Frerichs).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van de aan eiseres verstrekte voorschotten op grond van de Tijdelijke Overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (Tozo). Eiseres is het niet eens met de terugvordering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de verstrekte voorschotten heeft teruggevorderd. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. Met het besluit van 18 april 2024 zijn de aan eiseres verstrekte voorschotten teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 20 september 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van het college.
De feiten
3. Eiseres heeft in 2020 een nagelstudio, die wegens de coronamaatregelen is gesloten. Eiseres heeft op 27 maart 2020 bij Laborijn een aanvraag ingediend voor inkomensondersteuning op grond van de Tozo. In afwachting van de beoordeling van de aanvraag is op 14 april 2020 en op 1 mei 2020 aan eiseres een voorschot verleend, telkens van € 1.000. Met het besluit van 12 mei 2020 is de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat niet is voldaan aan het urencriterium. In dit besluit staat dat eiseres later nog een brief ontvangt over de voorschotten, die te veel aan haar uit zijn betaald en terugbetaald moeten worden. Eiseres heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
3.1.
Met de brief van 8 maart 2023 is eiseres verzocht de openstaande vordering van
€ 2.000 over te maken. Die brief was gestuurd naar een oud adres van eiseres. Op 14 september 2023 is dit onderkend en is de brief per e-mail naar eiseres gestuurd. Op 18 september 2023, 11 oktober 2023, 20 november 2023 en 18 maart 2024 is per brief een aanmaning naar eiseres gestuurd.
3.2.
In maart 2024 is door het college onderkend dat er nooit een terugvorderingsbesluit naar eiseres is gestuurd. Vervolgens heeft de bestreden besluitvorming plaatsgevonden.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Met het besluit van 18 april 2024 is van eiseres een bedrag van € 2.000 aan onterecht verstrekte voorschotten teruggevorderd op grond van artikel 58, tweede lid, sub d, van de Participatiewet (Pw).
4.1.
Met het besluit van 17 september 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Aan het besluit ligt een advies ten grondslag van de onafhankelijke Commissie bezwaarschriften (de commissie) van 4 september 2024, dat integraal door het college is overgenomen.
De commissie is van mening dat de bezwaargrond, inhoudende dat er meerdere onduidelijkheden zijn over het primaire besluit, niet slaagt. Volgens de commissie voldoet het primaire besluit aan de in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde criteria. De voorwaarde dat sprake zou moeten zijn van nieuwe feiten en omstandigheden, geldt slechts voor een herhaalde aanvraag die ziet op een eenzelfde verzoek. Bij dit terugvorderingsbesluit, wat een vervolg is op de beschikking, waarin het recht op een Tozo is afgewezen, hoeft het college niet te toetsen of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Verder is de commissie van mening dat er een lange tijd is verstreken alvorens het college een terugvorderingsbesluit heeft genomen. De commissie constateert daarentegen dat uit de mailwisseling blijkt dat eiseres meerdere keren is gewezen op het terugbetalen van de voorschotten. Om die reden oordeelt de commissie dat het college de beslissing op goede gronden heeft kunnen nemen.
Heeft het college de voorschotten kunnen terugvorderen?
5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres niet voldeed aan het urencriterium in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van de Tozo. In geschil is of het college bevoegd was om de voorschotten terug te vorderen.
5.1.
Eiseres stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, het college niet bevoegd was om de voorschotten terug te vorderen – onder meer omdat er sprake is van verjaring – en het college gehouden was andere gronden van bijstand te onderzoeken. Bovendien heeft eiseres een beroep gedaan op de dringende redenen.
5.2.
Het college heeft – kort gezegd – aangevoerd dat hij naar aanleiding van de aanvraag van eiseres gehouden was op grond van artikel 52, eerste en tweede lid, van de Pw een voorschot toe te kennen. Hoewel er een lange tijd zit tussen de afwijzing van de aanvraag en de formele terugvordering van de voorschotten, is er geen sprake is van verjaring. Omdat er (wel) sprake is van voorschotten in de zin van artikel 52 van de Pw, geldt er een verjaringstermijn van vijf jaar. Die periode is nog niet verstreken. Daarbij is eiseres in de tussentijd diverse keren gewezen op het feit dat de voorschotten terugbetaald moesten worden. Het college verwijst naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en de memorie van toelichting bij de Tozo.
Is het college niet (langer) bevoegd om voorschotten terug te vorderen?
6. Eiseres heeft aangevoerd dat er geen sprake is van verplichte voorschotten in de zin van artikel 52, eerste lid, van de Pw en dat de aan haar verleende voorschotten daarom niet invorderbaar zijn op grond van artikel 58, tweede lid, sub d, van de Pw. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. De Tozo vindt zijn grondslag in artikel 78f van de Participatiewet. In de Tozo wordt aansluiting gezocht bij de bepalingen uit de Pw. Het college heeft op 14 april 2020 en 1 mei 2020 aan eiseres voorschotten verleend. Hoewel eiseres in haar aanvraag had verklaard dat zij niet voldeed aan het urencriterium, was het voor het college niet meteen duidelijk dat eiseres geen recht had op bijstand op grond van de Tozo of op algemene bijstand. Zolang het onderzoek van het college niet was afgerond, was het college op grond van artikel 52, eerste lid, van de Pw gehouden aan eiseres een voorschot te verlenen. Het college kan die voorschotten op grond van artikel 58, tweede lid en onder d, van de Pw terugvorderen.
De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken dat het college, zoals tijdens de zitting is verklaard, destijds geconfronteerd werd met de omstandigheden van het coronavirus en dat de Tozo met stoom en kokend water is ingevoerd. Het college sprong die tijd ruim om met de aanvragen, met de geachte dat het verlenen van een voorschot in de vorm van een lening tijdelijk enige verlichting kan bieden en dat op een later moment dit moet worden terugbetaald als daar geen recht op bestond. Als een aanvrager niet aan de voorwaarden voldeed, werd ook onderzocht of er mogelijk aanspraak bestond op algemene bijstand. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat een dergelijk onderzoek in het geval van eiseres niet is gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
6.1.
Een beroep op artikel 4:13 van de Awb kan eiseres evenmin baten. Met het besluit van 12 mei 2020 is immers, binnen een redelijke termijn, (afwijzend) beslist op de aanvraag van eiseres. Dat het terugvorderingsbesluit pas op 18 april 2024 aan eiseres is bekend gemaakt, maakt dit niet anders. Deze bepaling ziet niet op de periode die is gelegen tussen het besluit over de afwijzing van een aanvraag en het besluit strekkende tot terugvordering naar aanleiding van de afwijzing van de aanvraag.
Staat verjaring in de weg aan terugvordering?
7. Het beroep van eiseres op verjaring van het recht op terugvordering slaagt niet. In de Pw is niet geregeld binnen welke termijn een besluit tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bijstand moet worden genomen. Daarom moet voor de verjaringstermijn voor het nemen van een dergelijk besluit aansluiting worden gezocht bij het Burgerlijk Wetboek (BW). In dit geval is er sprake van een vordering van het college op grond van onverschuldigde betaling. Eiseres heeft immers een voorschot gekregen waar zij geen recht op had omdat zij geen recht had op Tozo. Op grond van artikel 3:309 van het BW verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel van het bestaan van zijn vordering, als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. Aansluiting zoekend bij dit artikel vangt de verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot terugvordering van bijstand aan op het moment dat het college bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit tot terugvordering in de rede ligt. De rechtbank stelt vast dat het college daarmee bekend is geworden op 12 mei 2020. Dat is namelijk de datum van het besluit, waarmee de aanvraag van eiseres om bijstand op grond van de Tozo is afgewezen. Op 18 april 2024, de datum van het (primaire) terugvorderingsbesluit, was de verjaringstermijn van vijf jaar nog niet overschreden. Daarbij komt dat eiseres er in de tussenliggende tijd meerdere malen op is gewezen dat het bedrag van € 2.000 terugbetaald moest worden, waardoor de verjaringstermijn ook steeds is gestuit.
Zijn er dringende redenen op grond waarvan het college had moeten afzien van terugvordering?
8. Eiseres heeft verder aangevoerd dat het college niet gehouden was om de voorschotten terug te vorderen. Het college had op redelijke gronden moeten afzien van terugvordering. Eiseres was een kwetsbare ondernemer, zij voldeed weliswaar niet aan het urencriterium, maar moest haar salon sluiten door de coronamaatregelen, zij had drie kinderen te onderhouden en het college heeft er lang over gedaan om het geld terug te vorderen. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond als een beroep op de dringende redenen in de zin van artikel 58, achtste lid, van de Pw.
8.1.
Zoals de CRvB in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet af te zien van terugvordering als er dringende redenen aanwezig zijn, zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. Daarbij kan dus ook worden betrokken wat het eigen aandeel van de bijstandverlenende instantie is in het ontstaan van feitelijke grondslag van de terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan fouten van de bijstandverlenende instantie die tot de terugvordering hebben geleid of aan (te) trage besluitvorming, waardoor een terugvordering over een nodeloos lange periode – en daarmee tot een onnodig hoog terug te betalen bedrag – dient plaats te vinden. Van belang is aan de andere kant ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie. In dit verband kan onder meer betekenis toekomen aan de vraag of de betrokkene de inlichtingenverplichting bewust heeft geschonden of dat sprake is van een onoplettendheid of een situatie waarin de betrokkene geen (vol) verwijt kan worden gemaakt, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij te veel uitkering ontving. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
8.2.
In het bestreden besluit is niet weergegeven of en, zo ja, hoe het college de bij het besluit betrokken belangen heeft afgewogen. Het besluit mist daardoor een deugdelijke motivering. Maar dit betekent niet dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Het motiveringsgebrek van het bestreden besluit kan namelijk met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat eiseres daardoor niet is benadeeld. Tijdens de zitting heeft het college alsnog gemotiveerd dat de bij het besluit betrokken belangen wel zijn afgewogen en toegelicht hoe het college dat heeft gedaan. Gelet op die nadere toelichting is de rechtbank van oordeel dat er voor het college geen aanleiding bestond om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering vanwege dringende redenen. Dit wordt hierna toegelicht.
8.3.
Het college heeft wat eiseres naar voren heeft gebracht niet hoeven aanmerken als dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet daarvan af te zien, getuigt niet van een onevenwichtige belangenafweging. Het college heeft bij het besluit van 18 mei 2020 de aanvraag afgewezen en meegedeeld dat eiseres de ten onrechte verstrekte voorschotten moet terug betalen. Het college heeft toegegeven dat het weliswaar lang heeft geduurd, voordat het terugvorderingsbesluit aan eiseres kenbaar is gemaakt, maar het college heeft in de tussentijd eiseres er meermaals aan herinnerd dat zij de ten onrechte betaalde voorschotten moest terugbetalen. Ook is in de besluiten tot toekenning van de voorschotten vermeld dat eiseres deze terug zal moeten betalen als later is vastgesteld dat eiseres geen recht heeft op Tozo. Het was eiseres dus bekend dat zij op enig moment de verstrekte voorschotten terug moest betalen. Dat er toen nog geen terugvorderingsbesluit genomen was, maakt dit niet anders. Eiseres wist al die tijd dat zij er rekening mee moest houden dat zij de voorschotten zou moeten terugbetalen. Niet is gebleken dat eiseres door de vertraagde besluitvorming omtrent de terugvordering is benadeeld.
De enkele omstandigheid dat eiseres een kwetsbare ondernemer was, wat zij overigens niet heeft onderbouwd, is onvoldoende om te oordelen dat het college van terugvordering had moeten afzien. Eiseres heeft ook niet gesteld dat er sprake was van onevenredige financiële gevolgen en daarvan is ook niet gebleken. Ook tijdens de zitting heeft zij verder niet nader toegelicht waarom de terugvordering in haar geval onevenredig zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
8.4.
Volledigheidshalve wijst de rechtbank eiseres erop dat het college tijdens de zitting zich bereid heeft verklaard een betalingsregeling met haar te treffen. Indien betaling in termijnen eiseres financieel lucht zou geven, kan zij daarvoor contact opnemen met het college.
Is het bestreden besluit voldoende gemotiveerd?
9. Eiseres heeft aangevoerd dat in het bestreden besluit onvoldoende is ingegaan op haar bezwaargronden. De rechtbank volgt haar daarin. Eiseres heeft bij aanvullend bezwaarschrift van 22 juli 2024 aangevoerd dat de aan eiseres verstrekte voorschotten niet te kwalificeren zijn als voorschotten in de zin van artikel 52, eerste lid, van de Pw, omdat bij de aanvraag duidelijk was dat geen recht op algemene bijstand bestond. Het college was daarom niet bevoegd om terug te vorderen op grond van artikel 58, tweede lid, onder d, van de Pw, aldus eiseres. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit en het daaraan ten grondslag liggende advies van de commissie niet wordt ingegaan op die bezwaargrond. Omdat het college voor het eerst in beroep, bij het verweerschrift van 23 februari 2026, ingaat op deze in beroep herhaalde bezwaargrond, is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd en in zoverre in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet (evenwel) aanleiding om ook dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat een besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan en daarmee aannemelijk is dat eiseres door dit gebrek niet is benadeeld.
10. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
10.1.
De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten die eiseres in beroep heeft gemaakt. De rechtbank stelt de reis- en verblijfkosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 28,24.
10.2.
De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb (ook) aanleiding om te bepalen dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 28,24.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Laborijn was de uitvoeringsorganisatie van onder meer de Participatiewet voor de gemeente Oude IJsselstreek.
Uitspraak van de CRvB van 9 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2791.
Staatsblad 2020, 118.
Vergelijk de uitspraak van de CRvB van 31 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2385.
Uitspraak van de CRvB van 12 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1001.
De uitspraken van de CRvB van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2192; 2193; 2194, 2195.
Artikel 52, eerste lid, onder b, van de Pw.