ECLI:NL:RBGEL:2026:3380
De beroepen van eiser tegen de intrekking van het recht op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw), de terugvordering van de te veel betaalde bijstand en het opleggen van een boete, zijn ongegrond. Eiser heeft de inlichtingenplicht geschonden.
Rechtbank Gelderland 6 May 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:3380
text/xml
public
2026-05-06T17:00:39
2026-04-29
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Gelderland
2026-04-30
ARN 25_1161 en 25_4505
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Arnhem
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3380
text/html
public
2026-05-04T10:03:00
2026-05-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBGEL:2026:3380 Rechtbank Gelderland , 30-04-2026 / ARN 25_1161 en 25_4505
De beroepen van eiser tegen de intrekking van het recht op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw), de terugvordering van de te veel betaalde bijstand en het opleggen van een boete, zijn ongegrond. Eiser heeft de inlichtingenplicht geschonden.
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/1161 en 25/4505
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaken tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. M.P. de Witte),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden, het college
(gemachtigden: T. Nijenhuis en T. Dorman).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de aan eiser verstrekte bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) over de periode van 30 oktober 2022 tot en met 30 juni 2023, de terugvordering van bijstand tot een bedrag van bruto € 10.961,82 en de boeteoplegging ter hoogte van € 807,24 door het college. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze intrekking, terugvordering en boeteoplegging.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen gelijk krijgt. De beroepen zijn daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. Met het besluit van 5 november 2024 (primair besluit 1) heeft het college de aan eiser verstrekte bijstand over de periode van 30 oktober 2022 tot en met 30 juni 2023 ingetrokken en een bedrag van bruto € 10.961,82 aan bijstand teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 11 februari 2025 op het bezwaar van eiser (bestreden besluit 1) is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Met het besluit van 20 mei 2025 (primair besluit 2) heeft het college een boete opgelegd aan eiser ter hoogte van € 807,24. Met het bestreden besluit van 18 september 2025 op het bezwaar van eiser (betreden besluit 2) is het college bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten 1 en 2. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen gevoegd behandeld op de zitting op 15 april 2026. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college deelgenomen. Eiser was niet aanwezig.
De totstandkoming van de bestreden besluiten
3. Eiser ontvangt sinds 30 oktober 2022 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Eind 2023 ontvangt het college een signaal vanuit het Inlichtingenbureau dat eiser eind 2022 een hoger banksaldo heeft dan het toegestane vrij te laten vermogen. Ook is gebleken dat eiser eind 2022 meer bankrekeningen op zijn naam heeft staan dan hij heeft opgegeven bij zijn aanvraag om bijstand. Hierop heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de verleende bijstand en in dat verband diverse onderzoekshandelingen verricht.
3.1.
Op 11 december 2023 heeft het college de brief ‘uiterste termijn – gegevens’ naar eiser verstuurd. In deze brief staat dat eisers recht op bijstand wordt onderzocht. In verband met dit onderzoek wordt eiser verzocht om van al zijn bankrekeningen bankafschriften te overleggen over de periode van 30 oktober 2022 tot en met 31 december 2022. Eiser dient deze gegevens uiterlijk op 20 december 2023 aan te leveren.
3.2.
Op 27 december 2023 heeft eiser telefonisch contact opgenomen met de rapporteur van de sociale recherche (rapporteur). Eiser heeft aangegeven niet van het bestaan van al zijn bankrekeningen af te weten. De rapporteur heeft eiser vervolgens meer tijd gegeven om de gevraagde gegevens aan te leveren.
3.3.
Op 28 december 2023 is door de rapporteur aan de Belastingdienst verzocht om alle bankrekeningnummers inclusief saldi van eiser te overleggen, die eiser eind 2022 op zijn naam had staan. Op 29 december 2023 heeft de Belastingdienst deze gevraagde gegevens overgelegd. Deze komen overeen met het signaal vanuit het Inlichtingenbureau.
3.4.
Op 3 oktober 2024 heeft het college aan eiser een brief met een hersteltermijn verstuurd, waarin eiser opnieuw is verzocht om de gevraagde bankafschriften te overleggen. Deze worden echter niet door eiser aangeleverd. Vervolgens is het college overgegaan tot de bestreden besluitvorming, zoals beschreven onder 2 en 2.1.
4. De rechtbank stelt vast dat de te beoordelen periode loopt van 30 oktober 2022 tot en met 30 juni 2023 (periode in geding).
Had het college rekening moet houden met de belastingschuld van de stichting?
5. Eiser voert aan dat er een belastingschuld van de Stichting [naam stichting] (stichting) is van ruim € 30.000, die meegenomen dient te worden in zijn vermogensvaststelling. Hiermee valt zijn vermogen niet boven de voor hem geldende vermogensgrens. Eiser heeft op 22 april 2025 aanvullende beroepsgronden ingediend en hierbij het besluit van 20 januari 2025 toegevoegd, waarin is besloten dat eiser per
17 oktober 2024 recht heeft op bijstand, omdat eiser een negatief vermogen heeft van
€ 25.090, vanwege deze belastingschuld. Deze belastingschuld was ook aanwezig tijdens de periode in geding.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat schulden in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving ten aanzien van het vermogen van de betrokkene, uitsluitend in aanmerking kunnen worden genomen indien de betrokkene aannemelijk maakt dat zij bestaan, dat zij tijdens de bijstandsverlening (in termijnen) opeisbaar zijn en dat de crediteur de opeisbare betalingsverplichting daadwerkelijk afdwingt. Dit dient de betrokkene te doen door gegevens te overleggen die concreet, objectief en verifieerbaar zijn.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de periode in geding persoonlijk aansprakelijk was voor de belastingschuld van de stichting. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang. Eiser heeft stukken overgelegd die zien op de schuld van de stichting. Als gevolg hiervan heeft de rapporteur op 7 maart 2024 aan het informatieloket van de Belastingdienst per mail gevraagd of eiser in de periode in geding daadwerkelijk deze schuld had openstaan. Op 11 maart 2024 heeft de Belastingdienst hierop gereageerd en aangegeven dat deze schulden van de stichting zijn en dat eiser hiervoor niet persoonlijk aansprakelijk is. Vervolgens heeft het college met de brief van 3 oktober 2024 aan eiser gevraagd om stukken te overleggen die aantonen dat eiser persoonlijk aansprakelijk is voor de schuld van de stichting. Dit heeft eiser niet gedaan. Ook in beroep is door de rechtbank met de brief van 4 maart 2026 (onder meer) gevraagd om stukken te overleggen die zien op de belastingschuld. Ook hier heeft eiser niet op gereageerd.
Daarnaast acht de rechtbank van belang dat tijdens de zitting is vastgesteld dat eiser bij zijn aanvraag om bijstand – dat heeft geleid tot het besluit van 20 januari 2025, waarin is besloten dat aan eiser bijstand wordt toegekend per 17 oktober 2024 – óók geen stukken heeft overgelegd, waaruit blijkt dat hij persoonlijk aansprakelijk is voor de belastingschuld van de stichting. Het college heeft toegelicht dat de toekenning van bijstand per 17 oktober 2024 dan ook berust op een foutieve vermogensvaststelling. Eiser heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat hij aansprakelijk was voor de belastingschuld van de stichting. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser in de periode in geding meer vermogen had dan de voor hem geldende vermogensgrens.
Mocht het college overgaan tot de intrekking en terugvordering van bijstand?
6. Eiser voert aan dat hij niet afwist van het bestaan van de spaarrekening van Achmea waarop een bedrag van € 7.386 stond. Dit heeft hij ook per brief van 21 februari 2024 aan het college laten weten. Het gaat om een levensloopregeling via eisers voormalige werkgever, die – zonder dat hij dit wist – is omgezet in een spaarregeling. Dit kan hem dan ook niet worden verweten. Het saldo op deze spaarrekening dient dan ook pas een rol te spelen op het moment dat dit bekend was bij eiser.
6.1.
Het besluit tot intrekking van het recht op bijstand en de terugvordering van de betaalde bijstand is een voor eiser belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan in beginsel op het college. Dat betekent dat het college de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. Het ligt daarom op de weg van het college om aan de hand van uit onderzoek verkregen gegevens aannemelijk te maken dat eiser de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden heeft.
De inlichtingenplicht
7. Een betrokkene doet op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling aan het college van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Verder geldt volgens vaste rechtspraak van de CRvB dat de inlichtingenplicht een objectief geformuleerde verplichting is, waarbij opzet geen rol speelt. Dit betekent dat de vraag of eiser in het kader van de schending van de inlichtingenplicht de informatie bewust heeft achtergehouden en/of eiser van de schending van de inlichtingenplicht een verwijt kan worden gemaakt geen rol speelt.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser de inlichtingenplicht geschonden heeft. Tijdens de zitting is vastgesteld dat niet in geschil is dat de negen bankrekeningen, die staan opgesomd in het rapport van de sociale recherche van 5 november 2024, op eisers naam staan. Door deze bankrekeningen niet bij het college te melden, heeft eiser de inlichtingenplicht geschonden. Zoals onder 7 overwogen, speelt verwijtbaarheid geen rol bij de schending van de inlichtingenplicht.
De intrekking en terugvordering
8. Bij een schending van de inlichtingenplicht is het college verplicht om het recht op bijstand te herzien dan wel in te trekken en de ten onrechte betaalde bijstand terug te vorderen. De rechtbank stelt vast dat eiser tegen de intrekking van zijn recht op bijstand en de terugvordering van de te veel door het college aan hem betaalde bijstand geen gronden heeft aangevoerd.
8.1.
Het college kan geheel of gedeeltelijk van de terugvordering afzien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken, moet zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroep heeft gedaan op dringende redenen. Wel heeft eiser tijdens de zitting aangevoerd dat een belangenafweging ontbreekt in het bestreden besluit. De rechtbank merkt op dat deze belangenafweging weliswaar niet staat opgenomen in het bestreden besluit, maar wel in het advies van de Commissie bezwaarschriften van de gemeente Rheden, dat als bijlage onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. Het is de rechtbank daarnaast niet gebleken van feiten of omstandigheden die het college, na een belangenafweging, ertoe hadden moeten brengen om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien. Het college is daarom terecht tot de intrekking van het recht op bijstand en tot de terugvordering van de te veel betaalde bijstand tot een bedrag van bruto € 10.961,82 overgegaan.
Mocht het college een boete opleggen?
9. Eiser voert aan dat moet worden afgezien van het opleggen van de boete. Nu hij niet wist van het bestaan van al zijn bank- en spaarrekeningen, is er geen sprake van verwijtbaarheid. Daarnaast is eiser al geconfronteerd met een zeer hoge terugvordering, die hij – gezien zijn leeftijd en inkomenspositie – toch al niet volledig zal kunnen terugbetalen. Door de boete wordt hij nog verder in de financiële problemen gebracht.
9.1.
Het college legt een bestuurlijke boete op wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB is de bewijslast voor het opleggen van een boete zwaarder dan voor de herziening of de intrekking van het recht op bijstand of terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstand, wegens schending van deze inlichtingenplicht. In het geval van een boete dient het bestuursorgaan aan te tonen dat de inlichtingenplicht is geschonden.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft aangetoond dat eiser de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden, door niet al zijn bankrekeningnummers inclusief de daarbij behorende saldi op te geven. Zoals onder 7.1 overwogen, staat vast dat de negen bankrekeningen op eisers naam staan. Eiser heeft vijf van deze rekeningen niet opgegeven bij zijn aanvraag om bijstand. Eisers betoog dat hem geen verwijt kan worden gemaakt omdat hij niet van deze bankafrekeningen afwist, leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft namelijk meermaals aan eiser verzocht om – over de periode in geding – van al zijn bankrekeningen bankafschriften te overleggen. Ook in beroep heeft de rechtbank dit aan eiser verzocht. Dit heeft hij telkens nagelaten. Eiser kan daarvan een verwijt worden gemaakt. De rechtbank merkt daarbij op dat het college tijdens de zitting heeft toegelicht dat is uitgegaan van de normale verwijtbaarheid, en niet van opzet. De rechtbank kan het college daarin volgen. De rechtbank is daarnaast niet gebleken van dringende redenen waarom het college van het opleggen van een boete had moeten afzien. Eiser heeft niet (met stukken) onderbouwd dat hij door het opleggen van de boete (nog verder) in financiële problemen wordt gebracht.
10. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volgens artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid, aanhef en onder a, van de Pw.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 3 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3979.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 28 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2272.
Op grond van artikel 54, derde lid, en artikel 58, eerste lid, van de Pw.
Op grond van artikel 59, achtste lid, van de Pw.
Dit volgt uit artikel 18a, eerste lid, van de Pw.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:83.