ECLI:NL:RBGEL:2026:3516
Beschikking beroep in klachtzaak.
Rechtbank Gelderland 6 May 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:3516
text/xml
public
2026-05-06T12:01:19
2026-05-04
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Gelderland
2026-04-24
C/05/464867 / FA RK 26-1109
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Beschikking
NL
Zutphen
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3516
text/html
public
2026-05-06T11:56:56
2026-05-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBGEL:2026:3516 Rechtbank Gelderland , 24-04-2026 / C/05/464867 / FA RK 26-1109
Beschikking beroep in klachtzaak.
beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats: Zutphen
Zaakgegevens: C/05/464867 / FA RK 26-1109
Datum mondelinge uitspraak: 24 april 2026
Beschikking beroep in klachtzaak
ter verkrijging van een beslissing over een klacht door betrokkene, oorspronkelijk ingediend bij de klachtencommissie op 6 maart 2026 (hierna: de klachtencommissie).
[naam betrokkene] ,
hierna te noemen: betrokkene,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Duitsland),
wonende op een rechtbank bekend adres,
advocaat mr. A.H. Staring te Arnhem.
tegen
GGNet,
Hierna te noemen: zorgaanbieder.
1Procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift ex artikel 10:7 lid 1 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 6 maart 2026;
het verweerschrift met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 7 april 2026;
het aanvullend verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 17 april 2026;
het aanvullend verweerschrift, ingekomen ter griffie op 17 april 2026.
1.2.
Aan betrokkene wordt door zorgaanbieder verplichte zorg verleend krachtens een bij beschikking van deze rechtbank van 9 april 2026 verleende zorgmachtiging, geldend uiterlijk tot en met 9 juli 2026.
1.3.
Betrokkene heeft op 9 februari 2026 en 18 februari 2026 bij de klachtencommissie een klacht ingediend tegen het uitoefenen van verplichte zorg, te weten het toedienen van medicatie en het opnemen in een accommodatie. De klachtencommissie heeft op 10 maart 2026 de klacht ongegrond verklaard. De klachtencommissie heeft deze beslissing op 10 maart 2026 aan betrokkene toegezonden.
1.4.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 april 2026. Daarbij zijn gehoord:
betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
dhr. [psychiater] , als psychiater verbonden aan GGNet;
mw. [basisarts] , als basisarts verbonden aan GGNet;
mw. [verpleegkundige] , als verpleegkundige i.o. specialist verbonden aan GGNet;
mr. [jurist] , als jurist verbonden aan GGNet.
2Standpunt partijen
Betrokkene
2.1.
Betrokkene verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- het beroep gegrond te verklaren en een beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, alsmede een schadevergoeding toe te kennen van € 2.000,-, althans een schadevergoeding vast te stellen die de rechtbank redelijk acht.
2.2.
Ter onderbouwing van de verzoeken stelt de advocaat van betrokkene dat de klachtencommissie de klacht ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Volgens de advocaat is de klachtencommissie uitgegaan van verouderde en deels onjuiste informatie van de zorgverantwoordelijke. De beslissing tot toepassing van verplichte zorg is daardoor niet gebaseerd op actuele feiten en omstandigheden. Hiermee zijn de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid volgens betrokkene niet in acht genomen. Verder wordt aangevoerd dat de zorgverantwoordelijke artikel 8:9 Wvggz onjuist heeft toegepast, omdat hij zich onvoldoende heeft geïnformeerd over de actuele gezondheidstoestand van betrokkene. De medische verklaring die ten grondslag ligt aan de zorgmachtiging van 6 januari 2026 zou eveneens zijn gebaseerd op verouderde en deels onjuiste gegevens. Betrokkene is daarbij niet onderzocht door een onafhankelijke psychiater. Desondanks is deze informatie op 15 januari 2026 gebruikt voor het toepassen van verplichte zorg, bestaande uit toediening van medicatie en opname. Daarnaast is niet gebleken dat eerst minder ingrijpende alternatieven zijn overwogen, zoals het aanbieden van orale medicatie. Daarnaast is betrokkene op 15 januari 2026 overvallen door de opname en het direct starten met verplichte medicatie, waarop zij verbaal heeft gereageerd. Gelet op het voorgaande stelt betrokkene dat de klachtencommissie haar oordeel heeft gebaseerd op onjuiste uitgangspunten en de klacht ten onrechte ongegrond heeft verklaard.
De zorgaanbieder
2.3.
De zorgaanbieder stelt dat zowel het besluit tot opname als het besluit tot toediening van medicatie op zorgvuldige en rechtsgeldige wijze tot stand zijn gekomen. De uitvoering van deze vormen van verplichte zorg heeft volgens de zorgaanbieder rechtmatig plaatsgevonden. De psychiater heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij betrokkene heeft geprobeerd te onderzoeken, maar dat zij weigerde om in contact te komen. Daarom heeft hij naast het intakegesprek ervoor gekozen om de medische verklaring van begin december en de toelichting van haar ouders te gebruiken om een actueel beeld te krijgen van haar gezondheidstoestand. Daarbij heeft de psychiater bevestigd dat er sprake was van een psychotisch toestandsbeeld. Inmiddels heeft betrokkene tweemaal een depotmedicatie gehad. Sindsdien is er een duidelijke verbetering zichtbaar in het toestandsbeeld. Betrokkene is vriendelijker in contact, minder gepreoccupeerd met mensenrechten en spreekt minder over vergiftiging. Uit de behandeling ter zitting is gebleken dat betrokkene bij voortzetting van de vooruitgang op korte termijn met ontslag kan en kan terugkeren naar haar ouders, mits zij haar medicatie blijft innemen. Volgens de zorgaanbieder kan het staken van de medicatie leiden tot een terugval in het toestandsbeeld, met mogelijk cognitieve schade tot gevolg. Een dergelijke terugval kan schadelijk zijn en het herstel vertragen, waardoor het langer kan duren voordat betrokkene weer kan deelnemen aan de maatschappij. De opname en medicatie worden daarom noodzakelijk geacht om het herstel te ondersteunen en terugkeer naar huis mogelijk te maken. Gelet op de huidige vooruitgang acht de zorgaanbieder het niet verantwoord om de opname of medicatie te schorsen of te beëindigen.
3Beoordeling
Ontvankelijkheid
3.1.
Op grond van artikel 10:7 lid 1 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) kan betrokkene een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift indienen bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over de klacht.
3.2.
De rechtbank stelt vast dat het verzoek van betrokkene binnen de termijn van zes weken (zoals genoemd in artikel 10:7 lid 2 Wvggz) na de uitspraak van de klachtencommissie is ingediend, zodat het verzoek ontvankelijk is.
3.3.
Namens betrokkene wordt aangevoerd dat het gedwongen opnemen in de accommodatie en het gedwongen toedienen van medicatie als vormen van verplichte zorg onrechtmatig is. Ter onderbouwing hiervan voert de advocaat van betrokkene aan dat de procedure van art. 8:9 niet is gevolgd en dat de algemene beginselen, zoals verwoord in hoofdstuk 2 van de Wet verplichte ggz niet in acht zijn genomen bij het nemen van de beslissing tot opname en medicatietoediening. Er is, aldus de advocaat in zijn eerste grief bij het nemen van de zogenaamde art. 8:9 beslissing geen rekening gehouden met de actuele gezondheidstoestand van betrokkene. Hierbij wordt aangevoerd dat betrokkene niet is gezien door de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld. Mede op die verklaring is de beslissing van de zorgverantwoordelijke om over te gaan op verplichte zorg gebaseerd, hetgeen in strijd is met art. 8:9 lid 1, aldus de advocaat van betrokkene. Bovendien betwist betrokkene dat er een noodzaak was om over te gaan tot het toepassen van gedwongen zorg.
3.4.
De rechtbank verwerpt dit verweer omdat, zoals blijkt uit het dossier en uit de behandeling ter zitting, niet alleen is uitgegaan van de gegevens die hebben geleid tot het verlenen van de zorgmachtiging maar ook van het toestandsbeeld van betrokkene ten tijde van het intakegesprek in de accommodatie. Tijdens dat gesprek heeft de psychiater geconcludeerd dat betrokkene niet instemde met een opname noch met nemen van medicatie. Zoals blijkt uit de van het dossier deel uitmakende art. 8:9 beslissing heeft de psychiater ook zelf geconstateerd dat er sprake is van een psychiatrische aandoening en dat het aanwezige risicobeeld opname en medicatie noodzakelijk maakte. Met betrekking tot de grief dat er geen noodzaak zou zijn geweest om gedwongen zorg toe te passen overweegt de rechtbank dat uit het dossier en tijdens de behandeling ter zitting door verweerder voldoende is aangetoond dat die noodzaak er wel degelijk was. Betrokkene wenste op geen enkele wijze mee te werken aan de noodzakelijke zorg. Daarom stelde het FACT [regio] voor om betrokkene op te nemen zodat haar medicatie kon worden toegediend, ook tegen de wil van betrokkene. De psychiater van de instelling heeft tijdens de behandeling ter zitting duidelijk gemaakt dat ook tijdens het intakegesprek in de accommodatie er geen enkele medewerking van betrokkene was, zodat ingrijpen noodzakelijk werd om een wijziging van het toestandsbeeld te krijgen en ernstig nadeel voor betrokkene zelf en haar omgeving te voorkomen.
3.5.
Als tweede grief tegen de toepassing van gedwongen zorg voert de advocaat van betrokkene aan dat de beslissing om hiertoe over te gaan is genomen en zonder daarbij de algemene beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid niet in acht te nemen, althans dat die beslissing is genomen in strijd met deze beginselen.
3.6.
Ook deze grief kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Uit de onderliggende stukken die aan de rechtbank zijn overgelegd komt het beeld naar voren dat ten tijde van het intakegesprek betrokkene geagiteerd was en (tenminste) verbaal dreigend. Anders dan de advocaat stelt in het aanvullend beroep, gedateerd 16 april 2026, blijkt uit de schriftelijk art. 8:9 beslissing dat betrokkene zeer geagiteerd was. Bovendien heeft de psychiater vastgesteld dat betrokkene niet wilsbekwaam was ten aanzien van (de noodzaak van) opname en verplichte medicatie. Het was kennelijk niet mogelijk om met betrokkene tot samenwerking te komen, zo blijkt uit het niet weersproken standpunt van verweerder.
3.7.
Op grond van het hierboven overwogene is de rechtbank van oordeel dat de klacht van betrokkene ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding behoeft derhalve geen verdere bespreking.
4Beslissing
De rechtbank:
4.1.
verklaart de klacht ongegrond;
4.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026 door mr. R.B.M. Keurentjes, rechter, in tegenwoordigheid van L.L.J. Bergshoeff als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 24 april 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Indien er een beslissing omtrent schadevergoeding is genomen, staat tegen de schadevergoedingsbeslissing hoger beroep open op grond van artikel 358 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.