Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBMNE:2026:517

Rechtbank Midden-Nederland 9 March 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2026:517 text/xml public 2026-03-09T10:00:39 2026-02-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-18 UTR 25/2120 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:517 text/html public 2026-02-26T08:18:30 2026-03-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:517 Rechtbank Midden-Nederland , 18-02-2026 / UTR 25/2120
Inzageverzoek persoonsgegevens bij de Passagiersinformatie-eenheid Nederland op basis van artikel 17 van de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven en artikel 25 van de Wet politiegegevens.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/2120
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S. Sabir),

en
De Minister van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: mr. M.R. Vennegoor en mr. W. Peper).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser aan de minister om inzage te krijgen in zijn persoonsgegevens die zijn verwerkt door de Passagiersinformatie-eenheid Nederland (Pi-NL). De minister stelt inzage te hebben gegeven in alle persoonsgegevens van eiser. Daarnaast stelt de minister dat de kwalificatie welk strafbaar feit eiser zou hebben gepleegd, geen persoonsgegeven is en eiser daar daarom geen inzage in krijgt. Eiser is het daar niet mee eens en stelt ten eerste dat er meer stukken moeten zijn waarin zijn persoonsgegevens zijn verwerkt maar waarin hij nu geen inzage heeft gekregen. Eiser stelt ook dat de kwalificatie van het strafbare feit wel een persoonsgegeven is waar hij inzage in moet krijgen. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de minister volledige inzage heeft gegeven in eisers persoonsgegevens die door de Pi-NL zijn verwerkt.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister onterecht heeft gesteld dat hij inzage heeft gegeven in alle persoonsgegevens van eiser die door Pi-NL zijn verwerkt. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

2. Eiser heeft de minister verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens die door Pi- NL zijn verwerkt.
2.1.
De minister heeft op 26 november 2024 op dat verzoek beslist en via een overzicht inzage gegeven in door Pi-NL verwerkte persoonsgegevens van eiser (het bestreden besluit).
2.2.
Eiser heeft rechtstreeks beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister. Eiser was niet aanwezig.

Juridisch kader

3. Pi-NL verzamelt passagiersgegevens die zij van luchtvaartmaatschappijen ontvangt. Dat doet zij op grond van de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven (de Wet) in verband met het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische en ernstige misdrijven. Ernstige misdrijven zijn de strafbare feiten die zijn vermeld in bijlage 2 bij de Wet. Pi-NL heeft tot taak om passagiersgegevens te verzamelen, op te slaan en anderszins te verwerken, en die gegevens of het resultaat van de verwerking ervan door te geven aan de bevoegde instanties en waar nodig uit te wisselen met de Passagiersinformatie-eenheden van andere lidstaten en met Europol. Passagiersgegevens zijn de gegevens die zijn vermeld in bijlage 1 bij de Wet. Het gaat dan bijvoorbeeld om de geplande reisdatum, reisroute en NAW-gegevens van de passagier. Pi-NL werkt onder verantwoordelijkheid van de minister en de minister is aangemerkt als verwerkingsverantwoordelijke. Op de persoonsgegevens die Pi-NL verwerkt, is het inzagerecht van artikel 25 van de Wet politiegegevens (Wpg) van toepassing. Voor de definitie van een persoonsgegeven verwijst de Wet naar de definitie daarvan in de Wpg.

Heeft eiser volledige inzage gekregen of is er geweigerd inzage te geven?

4. Eiser voert aan dat hij geen volledige inzage in zijn persoonsgegevens heeft gekregen. Hij heeft vragen gesteld, maar in het besluit zijn niet alle vragen beantwoord. Ook heeft hij geen kopie of inzage gekregen in de verwerkte persoonsgegevens. Als de minister heeft bedoeld om inzage in bepaalde gegevens te weigeren op grond van artikel 27 van de Wpg, dan had dit moeten worden gemotiveerd. Ook had de minister een belangenafweging moeten maken en moeten inzien dat het besluit onevenredig is. Op de zitting heeft eiser verder toegelicht dat hij twijfelt of bij de zoekslag door de minister daadwerkelijk al zijn persoonsgegevens naar boven zijn gekomen. Eiser heeft namelijk geconstateerd dat niet alle vluchten in het overzicht staan en ook is de reden voor de verwerking onduidelijk. Omdat de minister voorafgaand aan de zitting aangaf dat hij ook gegevens verwerkt over het strafbare feit dat aan eiser is gekoppeld uit bijlage 2 van de Wet, wil eiser ook daarin inzage. Gelet op voorgaande standpunten, is sprake van een schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
4.1.
De minister stelt dat hij wel volledig tegemoet is gekomen aan eisers verzoek. De inzage is niet geweigerd. Een kopie van of inzage in de verwerkte persoonsgegevens hoeft daarnaast niet te worden verstrekt. Er mocht worden volstaan met een overzicht van de verwerkte persoonsgegevens. Daarbij heeft eiser ook inzage gekregen in de doelen en de rechtsgronden op basis waarvan deze persoonsgegevens zijn verwerkt en met welke instanties de gegevens zijn gedeeld. Tijdens de zitting heeft de minister aangegeven dat er vluchten missen op het overzicht, die wel in de bij het verweerschrift gevoegde zogeheten TRIP-overzichten staan. Met het alsnog overleggen van de TRIP-overzichten, is dit echter hersteld en heeft eiser alsnog inzage gekregen. Verder heeft de minister op de zitting toegelicht dat voorafgaand aan de zitting is gebleken dat Pi-NL ook gegevens verwerkt over de kwalificatie van het strafrechtelijk feit uit bijlage 2 bij de Wet. Omdat dit geen persoonsgegeven is, heeft eiser geen recht op inzage hierin.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat een inzageverzoek is bedoeld om inzage te krijgen in de verwerkte persoonsgegevens. Het geeft geen recht op beantwoording van andere vragen die worden gesteld. Overigens heeft de minister in het verweerschrift alle vragen van eiser beantwoord. Verder stelt de rechtbank vast dat het inzageverzoek van eiser is ingewilligd en geen inzage is geweigerd op grond van artikel 27 van de Wpg. Omdat er geen inzage is geweigerd, heeft de minister ook geen belangen kunnen en hoeven afwegen. Daarnaast geeft artikel 25 van de Wpg niet zonder meer recht op een kopie van of fysieke inzage in documenten waarin persoonsgegevens zijn verwerkt. De minister mag volstaan met een overzicht van de persoonsgegevens, mits dit overzicht in een begrijpelijke vorm en volledig is.
4.3.
De vraag is vervolgens of het overzicht uit het bestreden besluit daaraan voldoet. Het overzicht bevat de vluchtbewegingen van eiser waarbij zijn persoonsgegevens zijn verwerkt en aan welke instanties die gegevens zijn verstrekt. Ook staat er in het bestreden besluit voor welke wettelijke doelen de gegevens worden verwerkt. Volgens de minister is dit – samen met de TRIP-overzichten – volledig. Eiser betwist dat.
4.4.
De rechtbank wijst erop dat voor een inzageverzoek op grond van de Wpg geldt dat als een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat bepaalde documenten niet of niet meer bij hem berusten en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene is die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust. Dat betekent dat eiser aannemelijk moet maken dat er meer stukken zijn waarin zijn persoonsgegevens zijn verwerkt dan waar hij nu inzage in heeft gekregen.Aangezien de Wpg van overeenkomstige toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens door Pi-NL, geldt het bovenstaande eveneens in deze zaak.
4.5.
De rechtbank oordeelt vervolgens dat het ongeloofwaardig voorkomt dat er niet meer stukken zijn waarin eisers persoonsgegevens zijn verwerkt dan op het overzicht vermeld. De rechtbank komt in de eerste plaats tot dat oordeel omdat er in de TRIP-overzichten persoonsgegevens (vluchtbewegingen) staan die niet in het overzicht in het bestreden besluit staan. De rechtbank kan niet vaststellen dat met die TRIP-overzichten het onderzoek naar gegevens volledig is. Er is namelijk een verschil in resultaat tussen de zoekslag die de minister naar aanleiding van het inzageverzoek heeft gedaan en zoals in de TRIP-overzichten staat. Dat laat zien dat er twijfel is bij de volledigheid van de zoekslag en er mogelijk meer stukken zijn waarin eisers persoonsgegevens zijn verwerkt.
4.6.
In de tweede plaats verwerkt Pi-NL de kwalificatie van een strafbaar feit dat aan eiser is gekoppeld. Anders dan de minister stelt, oordeelt de rechtbank dat dit wel een persoonsgegeven is. Van belang daarbij is dat artikel 17 van de Wet, waarin het inzagerecht in persoonsgegevens is geregeld, verwijst naar de Wpg. Daarin wordt een persoonsgegeven gedefinieerd als alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. De uitleg van dit begrip is identiek aan de uitleg die daaraan wordt gegeven in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het Hof van Justitie heeft voor het begrip persoonsgegeven in de AVG bepaald dat dit begrip ruim moet worden uitgelegd. Het begrip persoonsgegeven strekt zich potentieel uit tot elke soort informatie, zowel objectieve als subjectieve informatie die de betrokkene betreft. Van dat laatste is sprake als de informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een bepaalde persoon.
4.7.
Gelet op het belang van een zo veel mogelijk uniforme uitleg van het Unierechtelijke begrip persoonsgegeven, overweegt de rechtbank dat de ruime uitleg die het Hof van Justitie geeft aan dit begrip in de AVG van overeenkomstige toepassing is op het begrip persoonsgegeven in de zin van de Wpg en de Wet.
4.8.
Het gaat in deze zaak om een kwalificatie van een strafbaar feit die aan eiser is gekoppeld, zoals genoemd in bijlage 2 bij de Wet. Dit betreft informatie die vanwege haar inhoud en doel, namelijk het verwerken van gegevens ter voorkoming van terroristische of ernstige misdrijven, aan eiser is gekoppeld en niet los van eiser kan worden gezien. Daarmee is deze kwalificatie een persoonsgegeven. In beginsel heeft eiser recht op inzage hierin. Zonder die informatie kan eiser zijn rechten uit de Wet en de Wpg namelijk niet deugdelijk uitoefenen. Eiser moet in beginsel kunnen nagaan of deze gegevens kloppen.
4.9.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het overzicht in het bestreden besluit onvolledig is en de mededeling van de minister, dat er niet meer documenten zijn waarin eisers persoonsgegevens zijn verwerkt, ongeloofwaardig voorkomt.
4.10.
Deze beroepsgrond slaagt.

Zijn eisers grondrechten geschonden?

5. Eiser voert aan dat een aantal Europese grondrechten worden geschonden. Zo stelt hij dat zijn bewegingsvrijheid wordt beperkt en dat zonder volledige inzage zijn rechten op (toegang tot) een daadwerkelijk rechtsmiddel en een eerlijk proces worden beperkt. Eiser vindt ook dat met de verwerking van zijn persoonsgegevens een ongerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer, omdat dit grote gevolgen heeft. Daarnaast vindt eiser dat hij in zijn eer en goede naam wordt aangetast door de signalering en het feit dat hij wordt gekoppeld aan terrorisme. Zolang eiser niet kan achterhalen waarom zijn gegevens worden verwerkt, kan hij geen maatregelen treffen om een toekomstige ongerechtvaardigde inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer te voorkomen.
5.1.
De minister stelt kort gezegd dat er geen sprake is van een inbreuk van deze Europese grondrechten. De beperking van de bewegingsvrijheid valt namelijk buiten de reikwijdte van dit geding en voor het overige geldt dat de minister meent volledig aan het inzageverzoek te hebben voldaan. Daarmee is er dus ook geen sprake van schending van de Europese grondrechten.
5.2.
De rechtbank oordeelt allereerst dat de beperking van de bewegingsvrijheid van eiser buiten deze zaak valt. Eiser verzoekt in deze zaak namelijk om inzage in zijn persoonsgegevens die door Pi-NL zijn verwerkt. Pi-NL legt eiser geen beperkingen op in zijn bewegingsvrijheid, dus van een inbreuk op dit grondrecht is geen sprake.
5.3.
De rechtbank oordeelt ook dat er geen sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces of de toegang tot een daadwerkelijk rechtsmiddel. Eiser heeft namelijk in deze procedure kunnen opkomen tegen het bestreden besluit. Als er na deze uitspraak blijkt dat er meer persoonsgegevens zijn waar eiser recht op inzage op heeft of als inzage daarin door de minister wordt geweigerd, heeft eiser tegen dat besluit weer de mogelijkheid om een rechtsmiddel aan te wenden bij een onafhankelijke en onpartijdige rechter.
5.4.
Ten slotte stelt de rechtbank vast dat het verwerken van persoonsgegevens in beginsel een inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer van eiser, gelet op artikel 8 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uit dat recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer vloeit voort dat degene over wie persoonsgegevens worden verwerkt, in de gelegenheid moet worden gesteld om van die gegevens kennis te nemen. Dit brengt met zich dat eenieder in beginsel in de gelegenheid moet zijn om na te gaan of zijn gegevens worden verwerkt en, zo nodig, deze verwerking in rechte aan te vechten. Uit artikel 8, tweede lid, van het EVRM vloeit voort dat dit recht niet absoluut van aard is, maar kan worden beperkt als dit in een democratische rechtsorde noodzakelijk is in het belang van de nationale en openbare veiligheid. Daarvan is hier sprake. De verwerking van de passagiersgegevens van eiser zijn noodzakelijk en in het belang van de openbare veiligheid. Dit is bij de Wet voorzien. Daarin is ook voorzien met welk doel de passagiersgegevens mogen worden verwerkt en in welke gevallen dat noodzakelijk is. Er is dus sprake van een gerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eiser voor wat betreft de verwerking van zijn passagiersgegevens. Vervolgens geldt dat de minister opnieuw moet beslissen op het inzageverzoek van eiser. Dat betekent dat het ook aan de minister is om inzage te geven in de verwerking van persoonsgegevens en/of – voor zover zich dat voordoet – te motiveren waarom inzage in bepaalde gegevens wordt geweigerd. Op voorhand ziet de rechtbank daarom geen ongerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van eiser. Dat kan eerst naar aanleiding van het nieuwe besluit opnieuw worden beoordeeld.
5.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen binnen de wettelijke termijn en met inachtneming van deze uitspraak.
6.1.
De minister zal daarbij opnieuw een zoekslag moeten uitvoeren om na te gaan in welke persoonsgegevens die Pi-NL van eiser heeft verwerkt eiser nog recht op inzage heeft. Daarbij zal de minister ook in acht moeten nemen dat de kwalificatie van het strafbare feit dat aan eiser is gekoppeld op basis van bijlage 2 bij de Wet, een persoonsgegeven is waarin eiser dus in beginsel ook recht op inzage heeft.
6.2.
De minister zal vervolgens in het nieuwe besluit alsnog inzage moeten geven in de door Pi-NL verwerkte persoonsgegevens van eiser die uit de nieuwe zoekslag naar boven komen, of de minister moet gemotiveerd uitleggen waarom hij weigert inzage te geven in die persoonsgegevens.
6.3.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 26 november 2024;

- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.J. Woutersen, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.

De griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 2 van de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven (de Wet).

Artikel 5, eerste lid, van de Wet.

Artikel 5, derde lid, en artikel 17 van de Wet.

Artikel 1 van de Wet politiegegevens (Wpg).

TRIP staat voor Travel Information Portal. Dit is een technische voorziening voor het verzamelen van passagiersgegevens door Pi-NL. In het TRIP-overzicht staan dus de door Pi-NL ontvangen passagiersgegevens per vlucht.

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4945, r.o. 7.1.

7 Uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4945, r.o. 7.1.

8 Artikel 1, onder b, van de Wpg.

9 Kamerstukken II, vergaderjaar 2017–2018, 34 889, nr. 3, p. 57 (Memorie van Toelichting bij de Wpg).

10 Zie het arrest van 20 december 2017, Nowak, ECLI:EU:C:2017:994, punten 34 en 35.

11 Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5739, r.o. 6.2.

12 Op basis van artikel 2, vierde protocol, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

13 Op basis van artikel 6 jo. artikel 13 EVRM.

14 Op basis van artikel 8 EVRM.

Artikel delen