ECLI:NL:RBNNE:2026:1466
Voorlopige voorziening. Toegewezen. Opgelegd aanvullend voorschrift voor horecabedrijf.
Rechtbank Noord-Nederland 6 May 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:1466
text/xml
public
2026-05-06T17:06:21
2026-04-24
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Noord-Nederland
2026-04-03
LEE 26/1015
Uitspraak
Voorlopige voorziening
NL
Groningen
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1466
text/html
public
2026-05-06T17:05:49
2026-05-06
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBNNE:2026:1466 Rechtbank Noord-Nederland , 03-04-2026 / LEE 26/1015
Voorlopige voorziening. Toegewezen. Opgelegd aanvullend voorschrift voor horecabedrijf.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1015
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam 1 uit plaats] , verzoeker
(gemachtigde: [naam 2] ),
en
de burgemeester van de gemeente Achtkarspelen, de burgemeester
(gemachtigde: A. Pronk).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het door de burgemeester opgelegde aanvullend voorschrift voor het horecabedrijf [bedrijf] (het horecabedrijf) aan [adres] . Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Met het bestreden besluit van 12 maart 2026 heeft de burgemeester een aanvullend voorschrift aan het horecabedrijf van verzoeker opgelegd. Hierbij heeft de burgemeester de sluitingstijden van het horecabedrijf op zondag tot en met donderdag vastgesteld op 22:00 uur en op vrijdag en zaterdag op 23:00 uur. Ten slotte heeft de burgemeester medegedeeld dat dit aanvullende voorschrift in werking treedt op 1 april 2026.
2.1.
Verzoeker heeft tegen dit besluit een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is door de rechtbank ontvangen op 19 maart 2026. De voorzieningenrechter merkt dit schrijven tevens aan als een bezwaarschrift tegen het besluit van 12 maart 2026 nu verzoeker heeft aangegeven dat hij tegen dit besluit gemotiveerd bezwaar aantekent.
2.2.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.
Totstandkoming van het besluit
3. Met het besluit van 22 maart 2023 heeft de burgemeester een exploitatievergunning verleend voor het exploiteren van het horecabedrijf. Aan deze exploitatievergunning heeft de burgemeester voorschriften verbonden. Een van de voorschriften is dat de burgemeester, in het belang van de woon- en leefsituatie en/of de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, bij het openbaar bekend te maken besluit tijdelijk andere geldende sluitingsuren van het horecabedrijf of delen daarvan kan vaststellen of tijdelijk algehele sluiting kan bevelen.
4. Op 9 februari 2026 heeft de burgemeester aan verzoeker medegedeeld dat hij voornemens is om aan het horecabedrijf een aanvullend voorschrift op te leggen met betrekking tot de sluitingstijden van het horecabedrijf.
5. In het bestreden besluit heeft de burgemeester ter onderbouwing van het stellen van het aanvullende voorschrift overwogen dat er meerdere meldingen en klachten bij de gemeenten en de politie zijn binnengekomen over geluidsoverlast veroorzaakt door bezoekers van het horecabedrijf. Hierbij heeft de burgemeester aangegeven dat de geluidsoverlast betrekking heeft op het stemgeluid van komende en gaande bezoekers en het geluid van aankomend en vertrekkend verkeer. Het is aan de exploitant om alle maatregelen te treffen om de aantasting van het woon- en leefklimaat in de onmiddellijke omgeving van het horecabedrijf te voorkomen. De exploitant is hierop aangesproken en hem is verzocht om de voorschriften in de verleende exploitatievergunning in acht te nemen. Ook zijn in het kader van een bemiddelingstraject afspraken gemaakt over het voorkomen van geluidsoverlast. Toch zijn de meldingen en klachten over geluidsoverlast niet verminderd. Gelet hierop heeft de burgemeester het aanvullend voorschrift opgelegd dat per 1 april 2026 de sluitingstijden op zondag tot en met donderdag op 22:00 uur worden vastgesteld en op vrijdag en zaterdag op 23:00 uur.
6. Verzoeker betoogt – samengevat – dat hij er alles aan heeft gedaan om aan de verplichtingen in de exploitatievergunning te voldoen en daarmee de omgeving zo weinig mogelijk tot last is.
Is er onverwijlde spoed bij het treffen van een voorlopige voorziening?
7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaarprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening een belangrijke rol of er sprake is van onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist.
7.1.
Verzoeker betoogt dat de omzet in de latere uren, zeker in het weekend, niet kan worden gemist voor een sluitende exploitatie. Hierbij heeft verzoeker aangegeven dat bij aanpassing van de sluitingstijden hij zijn verplichtingen niet meer kan nakomen en ook zijn personeel (conform afspraken) niet meer kan betalen. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat de continuïteit van de door verzoeker geëxploiteerde onderneming in geding is. De voorzieningenrechter neemt om die reden het bestaan van een spoedeisend belang aan.
Heeft de burgemeester een aanvullend voorschrift kunnen vaststellen?
8. In de gemeente Achtkarspelen is het uitgangspunt dat sprake is van vrije sluitingstijden. De burgemeester heeft de bevoegdheid om van een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de geldende sluitingstijden vast te stellen als dat in het belang is van de openbare orde, de veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden. De burgemeester heeft met het besluit van 12 maart 2026 van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door de openingstijden van het horecabedrijf van verzoeker vanwege geluidsoverlast te beperken.
9. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester niet in redelijkheid kunnen besluiten dat geluidsoverlast het noodzakelijk maakt om de openingstijden van het horecabedrijf van verzoeker op deze wijze te beperken. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
9.1.
De burgemeester heeft aan het aanvullende voorschrift ten grondslag gelegd dat er – ook na een gesprek met verzoeker en nadat er afspraken met verzoeker zijn gemaakt over het voorkomen van geluidsoverlast – meerdere meldingen en klachten bij de gemeente en bij de politie zijn binnengekomen over geluidsoverlast welke worden veroorzaakt door bezoekers van het horecabedrijf van verzoeker. Dit gaat dan om geluidsoverlast in de avond en nachtelijke uren. Waarbij de geluidsoverlast betrekking heeft op het stemgeluid van komende en gaande bezoekers en het geluid van aankomend en vertrekkend verkeer.
9.2.
Allereerst overweegt de voorzieningenrechter dat in de APV van de gemeente Achtkarspelen geen sluitingstijden zijn opgenomen omdat de gemeente vrije sluitingstijden heeft. In de verleende exploitatievergunning van 22 maart 2023 is – onder meer – overwogen dat de locatie van het horecabedrijf van verzoeker een centrumbestemming heeft, dat het voor de hand ligt dat horecafuncties geclusterd worden, dat hier ook twee andere horecabedrijven zijn gevestigd, dat deze functies in het algemeen direct mogelijk zijn naast gevoelige functies zoals woningen en dat het wonen in het winkelcentrum inherent is aan enige geluidshinder die men zal ondervinden als men ervoor kiest om in het centrum te gaan wonen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt hieruit dat bij het verlenen van de exploitatievergunning een afweging is gemaakt of een horecabedrijf op deze locatie acceptabel is gelet op de geluidshinder die bewoners hierdoor kunnen ondervinden.
9.3.
Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat de burgemeester met het opleggen van het aanvullende voorschrift voor de sluitingstijden van het horecabedrijf van verzoeker heeft overwogen dat de mate van geluidsoverlast die de bewoners ervaren door het horecabedrijf van verzoeker op deze locatie niet langer acceptabel is. De burgemeester heeft dit standpunt, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, niet dan wel onvoldoende onderbouwd. Zo is in het dossier bijvoorbeeld geen overzicht opgenomen van de meldingen en klachten die bij de gemeente en de politie zijn binnengekomen. De burgemeester heeft weliswaar een aantal foto’s en een filmpje overgelegd waaruit de overlast in de nachtelijke uren zou blijken, maar deze beelden zijn – zoals door verzoeker onbetwist is gesteld – allemaal gemaakt op de laatste nacht van het dorpsfeest in 2025 zodat (mogelijk) sprake is van een incident. Gelet hierop kan aan deze beelden niet de waarde worden toegekend die de burgemeester hieraan toegekend zou willen zien. Ook heeft de burgemeester niet zelf onderzocht wat de mate van geluidsoverlast is die het horecabedrijf van verzoeker veroorzaakt. Zo zitten in het dossier bijvoorbeeld geen resultaten van een geluidsonderzoek. Hierdoor is niet duidelijk aan hoeveel geluid omwonenden in de uitgangssituatie (zonder de beperking van de sluitingstijden) werden blootgesteld.
10. Gelet op het bovenstaande zal het besluit van 12 maart 2026 naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in bezwaar in zoverre geen stand houden, zodat de voorzieningenrechter in beginsel bevoegd is tot het treffen van een voorlopige voorziening.
10.1.
Verder zal de burgemeester bij zijn heroverweging van het besluit dienen te betrekken dat uit dat besluit niet blijkt dat, zoals de APV voorschrijft, het een tijdelijke aanpassing van de sluitingstijden betreft.
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierbij treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat het besluit van 12 maart 2026 is geschorst tot zes weken nadat door de burgemeester heeft beslist op het bezwaar van verzoeker.
12. Omdat het verzoek om een voorlopige wordt toegewezen bepaalt de voorzieningenrechter dat de burgemeester het betaalde griffierecht aan verzoeker dient te vergoeden. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling, omdat niet gesteld noch gebleken is van kosten die ingevolge artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
schorst het besluit van 12 maart 2026 tot zes weken, nadat door de burgemeester is beslist op het bezwaar van verzoeker;
draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoeker te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit is vastgelegd in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).
Zie artikel 2.29 van de Algemene plaatselijke verordening Achtkarspelen 2026 (de APV).
Zie artikel 2.30 van de APV.