Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBNNE:2026:1643

Varia. Deze uitspraak gaat over de definitieve berekening van de huurtoeslag. Bij de berekening van de huurtoeslag wordt het verzamelinkomen gehanteerd als uitgangspunt. Dit betekent dat het inkomen van medebewoners hierbij wordt meegenomen. De zoon van eiseres stond ingeschreven in de Brp op hetzelfde woonadres als eiseres. Volgens de wet moet hij voor dat toeslagenjaar worden aangemerkt als ...

Rechtbank Noord-Nederland 6 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBNNE:2026:1643 text/xml public 2026-05-06T22:14:51 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-04-17 25/3465 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Leeuwarden Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1643 text/html public 2026-05-06T21:58:51 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:1643 Rechtbank Noord-Nederland , 17-04-2026 / 25/3465
Varia. Deze uitspraak gaat over de definitieve berekening van de huurtoeslag.

Bij de berekening van de huurtoeslag wordt het verzamelinkomen gehanteerd als uitgangspunt. Dit betekent dat het inkomen van medebewoners hierbij wordt meegenomen. De zoon van eiseres stond ingeschreven in de Brp op hetzelfde woonadres als eiseres. Volgens de wet moet hij voor dat toeslagenjaar worden aangemerkt als medebewoner. Uit de stukken, het bestreden besluit en de uitleg in het verweerschrift, komt naar voren hoe de huurtoeslag is berekend en hoe de medebewoner hierin door verweerder is meegenomen. De rechtbank ziet niet in wat er niet klopt aan de berekening, of wat verweerder in het geval van eiseres anders had moeten doen.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/3465
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: [naam] ),

en
Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder
(gemachtigde: [naam] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de definitieve berekening van de huurtoeslag. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan wetsartikelen die in deze uitspraak van belang zijn.
2.1.
Met het primaire besluit van 4 juli 2025 heeft verweerder de huurtoeslag van eiseres over het jaar 2024 definitief berekend op € 3.881,-. Als gevolg hiervan is er een terugvordering ontstaan van € 268,-.
2.2.
Met het bestreden besluit van 18 september 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de definitieve berekening en de terugvordering gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde waren niet aanwezig.

Standpunten van partijen

1. Eiseres voert aan dat verweerder fouten heeft gemaakt bij de definitieve berekening. Haar zoon is als toeslagenpartner aangemerkt en dat had niet gemoeten. Ook wordt de naam van haar zoon niet juist vermeld in het bestreden besluit en is zijn burgerservicenummer nergens te vinden in de stukken. Eiseres is er van overtuigd dat door deze fouten van verweerder de terugvordering niet terecht is. Voor haar zoon is voor 2024 een inkomen geschat van € 0,-. Eiseres denkt dat zij misschien zelfs te weinig huurtoeslag heeft ontvangen.
3.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de huurtoeslag over het jaar 2024 juist heeft berekend. De terugvordering die hieruit is ontstaan, is daardoor ook op het juiste bedrag vastgesteld. Vanaf 20 april 2020 staat de zoon in de Basisregistratie personen (Brp) ingeschreven op hetzelfde woonadres als dat van eiseres. De wet schrijft voor dat hij moet worden aangemerkt als medebewoner. Hij is dus niet aangemerkt als toeslagpartner, zoals eiseres stelt. Verweerder moet het inkomen van medebewoners meenemen in de berekening en dat heeft hij gedaan. Omdat het definitieve gezamenlijke inkomen hoger is dan het vooraf geschatte gezamenlijke inkomen, heeft eiseres teveel aan voorschotten ontvangen. Verder merkt verweerder op dat hij ook geen aanleiding ziet voor matiging van het terugvorderingsbedrag. De naam van de zoon van eiseres heeft verweerder inderdaad niet juist vermeld voor wat betreft de voorletter, maar eiseres is hierdoor niet in haar belangen geschaad.

Is het bestreden besluit rechtmatig?
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres niet kan slagen. Vast staat dat de zoon van eiseres in 2024 in de Brp stond ingeschreven op hetzelfde woonadres als eiseres. Volgens de wet moet hij voor dat toeslagenjaar worden aangemerkt als medebewoner. Bij de berekening van de huurtoeslag wordt het verzamelinkomen gehanteerd als uitgangspunt. Dit betekent dat het inkomen van medebewoners hierbij wordt meegenomen.
4.2.
Uit de stukken, het bestreden besluit en de uitleg in het verweerschrift, komt naar voren hoe de huurtoeslag is berekend en hoe de medebewoner hierin door verweerder is meegenomen. Het geschatte jaarinkomen van 2024 bedraagt € 27.506,-. Het definitieve jaarinkomen van 2024 is € 28.935,- en is daarmee dus hoger uitgevallen dan verwacht. Dit komt omdat de zoon van eiseres tegen de verwachting in een (hoger) inkomen heeft genoten in 2024.
4.3.
Verweerder heeft vervolgens de voorschriften toegepast uit de wet. Van het aanmerken van een toeslagenpartner door verweerder is in het geval van eiseres geen sprake. Uit de berekening volgt dat eiseres voor 2024 teveel aan voorschotten heeft ontvangen. Onder de streep betekent dit dat het bedrag van € 268,- moet worden teruggevorderd. De rechtbank ziet niet in wat er niet klopt aan de berekening, of wat verweerder in het geval van eiseres anders had moeten doen.
4.4.
Ook kan er in de stukken en in het beroep van eiseres geen aanleiding worden gevonden om het teruggevorderde bedrag in dit geval te matigen. Eiseres heeft daarvoor onvoldoende aangevoerd. Dat de voorletter van haar zoon in de stukken meerdere keren niet goed is vermeld, betekent niet dat het besluit moet worden vernietigd. Het is niet gebleken dat eiseres tijdens de procedure niet heeft begrepen dat daarmee haar zoon werd bedoeld. Verder blijkt uit het hoorverslag dat de gemachtigde (vader van eiseres) op de hoogte is van het genoten inkomen van zijn kleinzoon.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende aangedragen om het bestreden besluit te vernietigen. Voor matiging bestaat geen aanleiding. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres dus terecht ongegrond verklaard.
4.6.
De rechtbank merkt nog op dat de vrijstelling die verweerder in 2024 heeft toegepast, niet meer wordt toegepast op het moment dat de zoon van eiseres 23 jaar is geworden. Hier zal eiseres rekening mee moeten houden als haar zoon in de Brp op hetzelfde woonadres als eiseres ingeschreven blijft staan.

5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent voor eiseres dat de definitieve berekening en de terugvordering in stand blijven. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Broere, rechter, in aanwezigheid van

K.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wet op de huurtoeslag

Artikel 1a

1. Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 2. Definities

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder:

(…)

e. medebewoner: de persoon die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende, met dien verstande dat als medebewoner niet wordt aangemerkt:

1°.de partner van de belanghebbende,

2°.de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende een deel van de woning huurt, tenzij deze een bloed- of aanverwant in de eerste graad is van de belanghebbende of van diens partner,

3°.degene die tot het huishouden van de onder 2° bedoelde persoon behoort;

(…)

o. inkomensgegeven: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

Artikel 7. Draagkracht

(…)

2 Indien in een inkomensafhankelijke regeling is bepaald dat naast de draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming, wordt mede het toetsingsinkomen van de medebewoners in aanmerking genomen.

(…)

6. Het toetsingsinkomen van een medebewoner die een eerstegraads bloed- of aanverwant in de neergaande lijn of een pleegkind is van de belanghebbende, van zijn partner, of van een medebewoner, en die bij de aanvang van het berekeningsjaar de leeftijd van 23 jaar niet heeft bereikt, wordt voor de toepassing van het tweede lid slechts in aanmerking genomen voor zover het meer bedraagt dan € 6.042.

Artikel 8. Toetsingsinkomen

1. Toetsingsinkomen is: het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.

Artikel 13b. Belangenafweging en evenredigheidsbeginsel

1. Bij het vaststellen van een beschikking op grond van deze wet, de daarop berustende bepalingen of een inkomensafhankelijke regeling weegt de Dienst Toeslagen de rechtstreeks betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.

2 De voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een beschikking als bedoeld in het eerste lid mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met die beschikking te dienen doelen.

Dit staat in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

Artikel delen