Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBNNE:2026:697

IB/PVV; ontvankelijkheid bezwaar; verzoek tot ambtshalve vermindering terecht afgewezen.

Rechtbank Noord-Nederland 7 April 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBNNE:2026:697 text/xml public 2026-04-07T12:01:19 2026-03-09 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-02-24 25/20242 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:697 text/html public 2026-04-07T12:00:51 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:697 Rechtbank Noord-Nederland , 24-02-2026 / 25/20242
IB/PVV; ontvankelijkheid bezwaar; verzoek tot ambtshalve vermindering terecht afgewezen.

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/2042

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 februari 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraak op bezwaar en de afwijzing van het verzoek tot ambtshalve vermindering van de inspecteur van 12 mei 2025.
1.2.
De inspecteur heeft aan eiser voor het jaar 2022 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.644.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. De inspecteur heeft het bezwaar ook behandeld als een verzoek tot ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2022. In dezelfde brief heeft de inspecteur het verzoek tot ambtshalve vermindering afgewezen.
1.4.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door [naam 2] . Eiser heeft zich op 14 januari 2026 in een bericht aan de rechtbank afgemeld voor de zitting.

2.
2.1.
De inspecteur heeft op 24 april 2023 de aangifte IB/PVV voor het jaar 2022 van eiser ontvangen. Het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning is daarin als volgt gespecificeerd:

Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V.

€ 7.293

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de particuliere beveiliging

€ 6.494

Stichting pensioenfonds IBM Nederland

€ 810

[A B.V.]

€ 36.095

Sociale Verzekeringsbank

€ 14.326

€ 65.018

Aftrekpost eigen woning

€ 1.374 -/-

Belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 63.644
2.2.
De aanslag IB/PVV 2022 (de aanslag) van eiser is vastgesteld met dagtekening 10 juni 2023. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld.
2.3.
Eiser heeft per brief met dagtekening 3 juni 2024 bezwaar gemaakt tegen de aanslag. De inspecteur heeft het bezwaar op 4 juni 2024 ontvangen.
2.4.
De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag is ingediend. De inspecteur heeft het bezwaarschrift ook opgevat als een verzoek tot ambtshalve vermindering. Dit verzoek is afgewezen. In de afwijzing van het verzoek tot ambtshalve vermindering staat – voor zover van belang – het volgende:

In uw brief van 4 juni 2024 geeft u aan dat de verhuurder een verklaring voor de inkomensindicatie bij de belastingdienst heeft opgevraagd. Hieruit is gebleken dat uw inkomen voor 2022 volgens u te hoog is vastgesteld. Uw accountant heeft bij het inkomen uit werk en woning (box 1) een fictief bedrag van € 35.000 bijgeteld om in het jaar 2022 [A B.V.] te kunnen liquideren. U was 100% aandeelhouder van deze BV. (…) Het bedrag van € 35.000 heeft u niet ontvangen. U verzoekt daarom het belastbaar inkomen uit werk en woning te verlagen met € 35.000.

Op 16 november 2022 heeft uw accountant namens u een verzoek ingediend om [A B.V.] te kunnen liquideren. In de brief wordt aangegeven dat de stamrechtuitkeringen 2022 zijn verrekend met de schuld die u als aandeelhouder had aan de BV. Daarnaast heeft u namens de BV de loonheffing en overige kosten betaald. Na de voorgenoemde uitkeringen en verrekeningen was de BV leeg en kon deze geliquideerd worden. De belastingdienst is akkoord gegaan met het verzoek om de BV op deze manier te liquideren. De bijtelling van € 36.095 ziet dus op het bovenstaande. Zonder deze bijtelling was het niet mogelijk om af te zien van de stamrechtaanspraken en de BV te liquideren. Ondanks dat u het bedrag van € 36.095 niet heeft ontvangen is het geen fictief bedrag, maar een verrekening.”
2.5.
De door de inspecteur genoemde brief van 16 november 2022 van de (voormalige) accountant van eiser, de heer [accountant] , luidt voor zover van belang als volgt:

“Ik deel u mede dat de besloten vennootschap [A B.V.] nog dit jaar wordt geliquideerd. De stamrechtuitkeringen 2022 zijn verrekend met de schuld welke de aandeelhouder heeft aan de besloten vennootschap. (…) Na voornoemde uitkeringen en verrekeningen is de besloten vennootschap leeg. Het restant van de stamrechtverplichting zal moeten worden prijsgegeven en vrijvallen in het resultaat van de besloten vennootschap.”

3. De rechtbank merkt ter informatie van eiser eerst het volgende op. Voordat de rechtbank ingaat op de vraag die eiser aankaart, moet de rechtbank eerst een aantal andere, juridische vragen beantwoorden. Daarna komt de rechtbank toe aan de kern van de zaak: is de aanslag te hoog? De rechtbank vindt van niet. Waarom de rechtbank dat vindt en wat dat betekent, legt de rechtbank uit bij punten 6.3 en 7.

Heeft de inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
4.1.
De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Deze termijn begint te lopen op de dag na de dagtekening van de aanslag, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Het bezwaarschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard wanneer het bezwaarschrift na afloop van de termijn is ingediend, tenzij sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hiervan is sprake als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aanslag is gedagtekend op 10 juni 2023. Er zijn geen aanwijzingen voor een latere bekendmaking, dus de bezwaartermijn is op de dag na de dagtekening van de aanslag gaan lopen. Het bezwaarschrift van eiser is, bijna een jaar later, op 4 juni 2024 en daarmee ruimschoots buiten de bezwaartermijn van zes weken ontvangen.
4.3.
Eiser heeft geen redenen aangedragen op grond waarvan het ervoor moet worden gehouden dat hij binnen de wettelijke bezwaartermijn redelijkerwijs niet in staat was om bezwaar te maken. Eiser heeft aangevoerd dat zijn ex altijd de belastingen deed en dat hij pas door een brief van zijn verhuurder over een huurverhoging per juli 2024 begreep dat de inspecteur de aanslag had opgelegd naar een (volgens eiser) te hoog inkomen. Dit maakt het oordeel van de rechtbank echter niet anders. Eiser is zelf verantwoordelijk voor zijn belastingzaken en had op tijd moeten handelen toen hij de aanslag in juni 2023 kreeg. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is dus geen sprake.
4.4.
De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen de aanslag ongegrond.

Heeft de inspecteur het verzoek tot ambtshalve vermindering terecht afgewezen?

5. De hoofdregel is dat, voordat eiser beroep instelde bij de rechtbank tegen de afwijzing van het verzoek tot ambtshalve vermindering, hij eerst bezwaar had moeten maken tegen de beslissing van de inspecteur om dit verzoek af te wijzen. Het is mogelijk om onder voorwaarden in afwijking daarvan rechtstreeks in beroep te komen. Hoewel eiser zich hierover niet expliciet heeft uitgelaten, zal de rechtbank om proceseconomische redenen het beroep van eiser behandelen als rechtstreeks beroep. Uit het beroepschrift leidt de rechtbank namelijk af dat eiser een inhoudelijk oordeel van de rechtbank wenst te krijgen over de vraag of zijn belastbaar inkomen in de aanslag te hoog is vastgesteld. De inspecteur heeft op de zitting bovendien ingestemd met rechtstreeks beroep. De rechtbank gaat daarom hierna over tot inhoudelijke beoordeling van het rechtstreeks beroep.
6.1.
Eiser stelt zich – samengevat – op het standpunt dat ten onrechte een fictief bedrag in aanmerking is genomen bij zijn inkomen over 2022 vanwege de liquidatie van zijn stamrecht-B.V., [A B.V.] (hierna ook: de BV).
6.2.
De inspecteur stelt zich – ook samengevat – op het standpunt dat de aanslag niet te hoog is vastgesteld. De inspecteur voert hierbij aan dat in 2022 met de heer [accountant] is gecorrespondeerd over de voorwaarden voor de liquidatie van de BV. Eén van die voorwaarden was dat de rekening-courantvordering die de BV in 2022 op eiser had, zou worden verrekend met de stamrechtuitkering over dat jaar. De BV had in 2022 nog een rekening-courantvordering op eiser van € 42.578. Voor dat deel was het stamrecht dus nog voor verwezenlijking vatbaar, aldus de inspecteur. Omdat eiser in 2022 nog wat kosten en loonheffing voor zijn rekening heeft genomen, resteerde er per saldo een bedrag van € 36.095 dat alsnog in de loonheffing moest worden betrokken om uiteindelijk de BV vrij van schulden te kunnen liquideren. Volgens de inspecteur is dit bedrag terecht in de aangifte IB/PVV 2022 als inkomen van eiser in aanmerking genomen en is de aanslag in overeenstemming daarmee niet te hoog vastgesteld.
6.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de correspondentie van de heer [accountant] met de Belastingdienst (zie 2.5.) en de aangifte Vpb over 2022 van [A B.V.] volgt dat eiser begin 2022 een schuld van € 42.578 had aan de BV. De rechtbank begrijpt hieruit dat eiser in het verleden geld heeft geleend van de BV, een bedrag dat eigenlijk terugbetaald had moeten worden. De rechtbank begrijpt uit deze stukken verder dat de BV in 2022 eigenlijk stamrechtuitkeringen aan eiser moest betalen, maar daarvoor niet de financiële middelen had. Eiser en de BV waren elkaar dus over en weer nog geld verschuldigd. Deze schulden zijn in 2022 met elkaar verrekend tot een bedrag van € 36.095. Daardoor hoefde eiser dit bedrag niet meer aan de BV terug te betalen. Eiser heeft dan (fiscaal gezien) een voordeel genoten. Over dit voordeel moet belasting worden betaald. Dit is gebeurd door in de aanslag het bedrag van € 36.095 in 2022 als inkomen in aanmerking te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit terecht geweest en is de aanslag dus niet te hoog vastgesteld.
6.4.
De rechtbank verklaart het beroep tegen het afwijzen van het verzoek tot ambtshalve vermindering van de aanslag ongegrond.

7. De beroepen zijn ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.T.M. Hennevelt, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Veenstra, griffier.

griffier

rechter

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Artikel 6:9 van de Awb.

Artikel 6:11 van de Awb.

Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625.

Op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb.

Op grond van artikel 7:1a van de Awb.

Vgl. Hoge Raad 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3053.

Artikel delen