Menu

Filter op
content
PONT Data&Privacy

0

ECLI:NL:RBOVE:2026:887

Rechtbank Overijssel 27 February 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOVE:2026:887 text/xml public 2026-02-27T12:00:26 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-02-20 AK_26_272 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:887 text/html public 2026-02-23T10:26:09 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:887 Rechtbank Overijssel , 20-02-2026 / AK_26_272
De uitspraak gaat over de opname van een minderjarige in het veiligheidskader vanwege langdurig schoolverzuim en over de gegevensverwerking in het kader van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) die in dat kader en in het kader van de Leerplichtwet plaatsvindt.

Om redenen van rechtsbescherming stelt de voorzieningenrechter de beslissing om verzoekster op te nemen in het veiligheidskader gelijk met een besluit en wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe. Verzoekster is naar voorlopig oordeel ten onrechte opgenomen in het veiligheidskader en inzage door de leerplichtambtenaar in het nog uit te voeren breed psychologisch onderzoek dient zich gezien de wettelijke grondslag van de gegevensverwerking naar voorlopig oordeel te beperken tot het belastbaarheidsonderzoek in verband met de schoolgang van verzoekster.
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 26/272

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster of [verzoekster] ,

wettelijk vertegenwoordigd door [moeder] (moeder van [verzoekster] ),

gemachtigde: ing. P.W.J. Driessen,

en
het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg, verweerder,
gemachtigden: A. de Vos en M.L.C. Visser.
1.1
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over [verzoekster] , geboren in 2017. Ze gaat sinds mei 2025 niet meer naar school. Ook daarvoor was ze regelmatig absent. [verzoekster] is hoogbegaafd. Mogelijk heeft ze een stoornis in het autistisch spectrum. Ze woont bij haar moeder en heeft een omgangsregeling met haar vader. Beide ouders hebben gezag.
1.2
In juni 2025 hebben beide ouders een aanvraag om een voorziening op het gebied van jeugdhulp ingediend bij het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) via [sociaal wijkteam] (een besloten vennootschap die functioneert als sociaal wijkteam). De leerplichtambtenaar is eveneens betrokken vanwege (mogelijk) ongeoorloofd schoolverzuim. Op 4 november 2025 is de inzet van de gemeente opgeschaald naar het veiligheidskader. Daarbij is de zogenaamde AVE-methode toegepast. In dat kader is een casusregisseur aangewezen. Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt.
1.3
Op 9 december 2025 heeft het college (ambtshalve) besloten een voorziening in het kader van jeugdhulp te treffen middels zorg in natura Jeugd-GGZ, basis. Daartegen heeft verzoekster bezwaargemaakt.
1.4
Op 30 december 2025 heeft het college besloten op verzoek van de leerplichtambtenaar om het Centrum voor Begaafdheidsonderzoek Nijmegen (hierna: CBO) in te schakelen voor een breed psychologisch onderzoek. In verband daarmee is een eerdere aanvraag van verzoekster om een persoonsgebonden budget waarmee ze CBO kan inschakelen op 13 januari 2026 afgewezen. Daartegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
1.5
Op 12 januari 2026 heeft het college een bezwaar van verzoekster tegen de verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 21 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) afgewezen. Tevens heeft het college besloten het verzoek van verzoekster tot beperking van de verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 18 AVG af te wijzen. Daartegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
1.6
Verzoekster heeft op 14 januari 2026 verzocht om een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 21 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen en het college opgedragen om ervoor zorg te dragen dat wordt voorkomen dat persoonsgegevens van [verzoekster] en haar moeder door de deelnemers aan het Multidisciplinair Overleg (hierna: MDO) onder elkaar of aan derden worden verstrekt, schriftelijk of mondeling, in het kader van het voorgenomen MDO van donderdag 22 januari 2026.
1.7
Verder heeft de voorzieningenrechter bepaald dat deze ordemaatregel geldt voor de duur dat er nog geen inhoudelijke uitspraak is gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening en uiterlijk tot twee weken na de beslissing op het bezwaarschrift van verzoekster.
1.8
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Verzoekster is verschenen via haar wettelijk vertegenwoordiger, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
1.9
Gelet op alle omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een voldoende spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om te beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening.
1.10
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
1.11
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om voorlopige voorziening toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Het verzoek om voorlopige voorziening
2.1
Verzoekster verzoekt om schorsing van de beslissing van het college tot opname in het veiligheidskader (4 november 2025) en het besluit tot afwijzing van haar bezwaar tegen de verwerking van gegevens als bedoeld in artikel 21 AVG en tot afwijzing van verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 18 AVG (12 januari 2026). Tijdens de zitting heeft verzoekster verteld dat het haar vooral gaat om beëindiging van opname in het veiligheidskader. Wat betreft het onderzoek dat CBO uitvoert wil ze niet dat het resultaat van het brede onderzoek wordt gedeeld met de leerplichtambtenaar. Die zou enkel het resultaat wat betreft de belastbaarheid van haar mogen inzien. Andere gegevens uit het onderzoek zijn wel relevant voor het samenwerkingsverband scholen en voor de bepaling van jeugdhulp maar niet voor de uitvoering van de Leerplichtwet. Verzoekster verzoekt in verband daarmee te bepalen dat de verwerking van gegevens wordt beperkt (artikel 18 AVG) en dat het college uitvoering geeft aan de kennisgevingsplicht van artikel 19 AVG.

Is de beslissing tot opname in het veiligheidskader gelijk te stellen aan een besluit
2.2
De voorzieningenrechter zal eerst beoordelen of de beslissing tot opname in het veiligheidskader (4 november 2025) moet worden aangemerkt als besluit. Volgens verweerder is dat niet het geval: het gaat uitsluitend om feitelijke handelingen. Daarnaast is opname in het veiligheidskader inmiddels beëindigd.
2.3
De grondslag tot opname in het veiligheidskader is gelegen in het Integraal Veiligheidsplan 2025-2028 gemeente Hardenberg (hierna: IVP). In de aanpak van veiligheidsvraagstukken werkt de gemeente samen met haar (veiligheids)partners, zoals politie, Openbaar Ministerie (OM), Regionaal Informatie en Expertise Centrum Oost Nederland (RIEC-ON), Regionaal Centrum Integrale Veiligheid (RCIV), Veiligheidsnetwerk Oost Nederland, welzijnsorganisaties, woningcorporaties, inwoners en ondernemers, aan de veiligheid in de gemeente Hardenberg. Een van de thema’s in dat kader is ‘Jeugd en Veiligheid’. Jeugdigen kunnen terecht bij het sociaal wijkteam [sociaal wijkteam] als zij hulp nodig hebben. De problemen kunnen zo groot worden dat de jeugdige daar met behulp van [sociaal wijkteam] niet uitkomt. Dan is er meer nodig om te voorkomen dat de situatie escaleert. Het college gebruikt daarvoor het AVE-model. Dat staat voor Integrale Aanpak ter Voorkoming van Escalatie. Het doel van het model is het voorkomen van een dreigende escalerende situatie en het beperken van en beëindigen van een geëscaleerde situatie. Bij (gevaar voor) escalatie zijn meerdere ketenpartners uit meerdere organisaties betrokken. Daarom wordt een casusregisseur aangewezen die verantwoordelijk is voor het realiseren van passende ondersteuning en het monitoren van het proces. In het geval van [verzoekster] is sprake van een ontwikkelingsbedreiging en stagnatie in het proces. Daarom worden met ketenpartners MDO’s gehouden. Er is contact met Veilig Thuis IJsselland. In dit geval zal, aldus het college, Veilig Thuis de zaak gaan onderzoeken als de moeder de hulpverlening bij de jeugd GGZ stopzet.
2.4
Artikel 1:3 Awb verstaat onder een ‘besluit’ een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. De vraag is of opname in het veiligheidskader gericht is op een rechtshandeling dan wel of opname een feitelijke handeling is. Alleen als sprake is van een besluit, staat bestuursrechtelijke rechtsbescherming open. Opname in het veiligheidskader is bedoeld om ervoor te zorgen dat verschillende instanties beter met elkaar kunnen samenwerken om bijzondere gevallen van (dreigende) escalatie tegen te gaan. Het doel daarvan is de veiligheid in Hardenberg te verbeteren. Als een casus voldoet aan de voorwaarden voor opname in de het veiligheidskader dan wordt de casus verder onderzocht. Er wordt een casusregisseur aangewezen die beziet welke ketenpartners betrokken zijn en er kunnen MDO’s worden gehouden. Die kunnen leiden tot verzoek aan Veilig Thuis om de casus te onderzoeken of aan de raad voor de kinderbescherming om een onderzoek te doen naar een maatregel in het kader van kinderbescherming. Opname in het veiligheidskader leidt er dus toe dat informatie over de betrokkene wordt verzameld. Opname in dat kader heeft verder tot gevolg dat de verschillende instanties deze informatie structureel en op grote schaal delen en daarmee de persoonsgegevens van de betrokkene verwerken. Wanneer tegen de beslissing om iemand op te nemen in het veiligheidskader geen bestuursrechtelijk rechtsmiddel open staat, kan de betrokkene alleen via een verzoek tot verwijdering van na de opname verwerkte persoonsgegevens als bedoeld in artikel 17 AVG de rechtmatigheid van die verwerking aan de orde stellen. Omdat dit betekent dat dan al persoonsgegevens mogelijk zelfs op grote schaal zijn verwerkt en de gevolgen daarvan niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt, is dat voor de betrokkene onevenredig bezwarend. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de beslissing om iemand op te nemen in veiligheidskader om redenen van rechtsbescherming met een besluit moet worden gelijkgesteld.

De verzoeken om jeugdhulpverlening en het noodzakelijke onderzoek
2.5
De voorzieningenrechter beoordeelt hierna of de beslissing tot opname van [verzoekster] (en haar moeder) in het veiligheidskader naar verwachting in bezwaar gehandhaafd zal blijven en daarna of de beslissing met betrekking tot de verwerking van gegevens naar verwachting in stand zal blijven in bezwaar. Voordat het zover is, acht de voorzieningenrechter het ter voorlichting van partijen gewenst enkele overwegingen aan het verzoek om jeugdhulp te wijden. Zoals vermeld is reeds in juni 2025 zowel door de moeder als door de vader verzocht om een voorziening in het kader van jeugdhulp te treffen vanwege het schoolverzuim van [verzoekster] en mogelijk daarmee samenhangende, andere, problemen. Het is dan aan het college om een onderzoek te doen conform het, partijen bekende, stappenplan van de Centrale Raad van Beroep. De voorzieningenrechter constateert dat dit onderzoek tot heden achterwege is gebleven. Volgens het college omdat [sociaal wijkteam] de casus beëindigd heeft vanwege de slechte samenwerking met de moeder van [verzoekster] . Zoals ter zitting is besproken ontslaat dat het college niet van onderzoek naar de noodzaak van jeugdhulp conform het stappenplan. Het college heeft wel incidenteel, al dan niet op verzoek van verzoekster, besluiten genomen in het kader van jeugdhulp dan wel in het kader van de uitvoering van de Leerplichtwet 1969. Ook nu ligt er nog een concreet verzoek om dagbesteding voor. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit niet zoals het hoort te gaan. Het college moet onderzoek doen naar wat nodig is en niet, al afwachtend, telkens incidenteel beslissen op wat volgens de moeder of een ander nodig is. Door zo te handelen wordt een te versnipperd, niet integraal beleid gevoerd en dat is zeker niet in het belang van het kind.

Is [verzoekster] terecht opgenomen in het veiligheidskader?
2.6
Wat betreft de beslissing tot opname in het veiligheidskader oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. In het IVP is een aantal thema’s met betrekking tot de veiligheid uitgewerkt. Een daarvan is het thema ‘jeugd en veiligheid’. In het IVP is de reikwijdte van het plan opgenomen. Specifiek gaat het dan binnen het thema om vier onderwerpen, te weten jeugdoverlast, jeugdcriminaliteit, jeugd alcohol en drugs en tenslotte veilig in en om de school. Ter zitting heeft verweerder niet duidelijk kunnen maken op welk onderwerp de zaak zoals die voorligt betrekking heeft. Veiligheid in en om school ligt voor de hand maar gaat om de veiligheid in en rondom de school zelf en niet om schoolverzuim. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan aan het IVP geen duidelijke grondslag worden ontleend om [verzoekster] op te nemen in het veiligheidskader. Schoolverzuim valt buiten de reikwijdte van het IVP. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting naar voren gebracht dat feitelijk de opname in het veiligheidskader al beëindigd is maar dat volgt de voorzieningenrechter niet. In het dossier is een beslissing tot opname in het veiligheidskader te vinden maar een beslissing tot beëindiging van die opname ontbreekt. Dat betekent dat het voor verzoekster onduidelijk is wat haar positie is. Verweerder zal alsnog een beslissing tot beëindiging moeten nemen.
2.7
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter was het college niet bevoegd om [verzoekster] op te nemen in het veiligheidskader. Het bezwaar van verzoekster heeft kans van slagen. Daarom bestaat aanleiding een voorlopige voorziening te treffen en het besluit van 4 november 2025 te schorsen. De voorzieningenrechter zal daarbij tevens bepalen dat verwerking van gegevens met onmiddellijke ingang dient te worden beperkt. Verweerder dient de ketenpartners overeenkomstig artikel 19 AVG van dit oordeel op de hoogte te stellen.

Is het verzoek tot beëindiging van de verwerking van gegevens terecht afgewezen?
2.8
Wat betreft het besluit van 12 januari 2026 met betrekking tot verwerking van gegevens overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het besluit van 12 januari 2026 heeft betrekking op verwerking van gegevens met een diverse grondslag. Hiervoor is al een oordeel uitgesproken over de verwerking van gegevens in het veiligheidskader. Het gaat verzoekster verder specifiek om verwerking van gegevens in het kader van de Leerplichtwet 1969. Ter zitting heeft verzoekster gezegd dat gegevensverwerking in het kader van jeugdhulp en van het samenwerkingsverband scholen niet bestreden wordt. Wat betreft de uitvoering van de Leerplichtwet 1969 gaat het dan met name om het rapport dat CBO naar verwachting een van de komende maanden zal uitbrengen over het ‘bredere onderzoek’ naar [verzoekster] . De leerplichtambtenaar heeft CBO verzocht om te onderzoeken en hierover te rapporteren. Verzoekster vindt dat inzage in de conclusies van het rapport door de leerplichtambtenaar zich zou moeten beperken tot de vraag naar de belastbaarheid van [verzoekster] in verband met de schoolgang. De voorzieningenrechter kan dit volgen. Op grond van artikel 22 Leerplichtwet 1969 heeft de leerplichtambtenaar onder meer tot taak de leerling bij verzuim te bewegen weer naar school te gaan. De grondslag voor verwerking van gegevens op dat punt ligt in artikel 6, eerste lid, onder c, AVG. Verwerking van gegevens moet echter daadwerkelijk noodzakelijk zijn voor de naleving van een wettelijke verplichting. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter gaat het dan alleen om het deel van de rapportage naar aanleiding van het onderzoek dat ziet op de belastbaarheid van [verzoekster] . De rapportage in zijn totaliteit kan noodzakelijk zijn voor het onderzoek naar jeugdhulp dat nog moet plaatsvinden en voor het samenwerkingsverband scholen in verband met de opstelling van een ontwikkelingsperspectief voor [verzoekster] . Daartegen heeft verzoekster ook geen bedenkingen. Het besluit van 12 januari 2026 zal naar verwachting op dit punt in bezwaar niet in stand kunnen blijven. De voorzieningenrechter zal het besluit dan ook schorsen en bepalen dat verwerking van gegevens door de leerplichtambtenaar met onmiddellijke ingang dient te worden beperkt. Verweerder dient de ketenpartners overeenkomstig artikel 19 AVG van dit oordeel op de hoogte te stellen. Omdat naar verwachting de besluiten op de diverse bezwaren niet eerder dan over enkele maanden worden genomen en in die besluiten de rapportage van CBO zal kunnen worden meegenomen, bestaat er voor de leerplichtambtenaar ook niet de noodzaak om eerder kennis te nemen van het onderdeel belastbaarheid van het rapport van CBO.

Het griffierecht en de proceskosten
2.9
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Om een proceskostenveroordeling is niet verzocht.

De voorzieningenrechter:

schorst de bestreden beslissing van 4 november 2025 en het bestreden besluit van 12 januari 2026 voor zover dit besluit betrekking heeft op de verwerking van gegevens in het kader van de Leerplichtwet 1969 tot zes weken nadat op de betreffende bezwaarschriften is beslist;

treft als voorziening dat verweerder de verwerking van gegevens in het veiligheidskader met onmiddellijke ingang beperkt. Verweerder dient de ketenpartners overeenkomstig artikel 19 AVG van dit oordeel op de hoogte te stellen;

treft als voorziening dat verweerder de verwerking van gegevens in het kader van de Leerplichtwet 1969 met onmiddellijke ingang beperkt. Verweerder dient de ketenpartners overeenkomstig artikel 19 AVG van dit oordeel op de hoogte te stellen;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 200,-- aan verzoekster te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.B. Elferink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Artikel delen