ECLI:NL:RVS:2026:2771
Raad van State 13 May 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RVS:2026:2771
text/xml
public
2026-05-13T10:33:34
2026-05-13
Raad voor de Rechtspraak
nl
Raad van State
2026-05-13
202402869/1/A3
Uitspraak
Hoger beroep
NL
Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2771
text/html
public
2026-05-13T10:18:07
2026-05-13
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RVS:2026:2771 Raad van State , 13-05-2026 / 202402869/1/A3
Bij besluit van 9 maart 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam het inzageverzoek over de toegang tot Suwinet op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) ingewilligd. [appellant] heeft op 25 mei 2021 een e-mail verstuurd naar het college waarin hij schrijft dat de gemeente Rotterdam op een zevental data toegang heeft gekregen tot Suwinet. [appellant] heeft op 25 mei 2021 bij het college ook verzocht om alle informatie over de belhistorie die de gemeente Rotterdam over hem bijhoudt. Deze gegevens wenst hij op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG elektronisch te verkrijgen. Bij besluit van 9 maart 2022 heeft het college hiervan aan [appellant] verstrekt. Bij besluit van 23 februari 2023 heeft het college het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard, omdat is gebleken dat het verstrekte overzicht niet compleet was door de overstap naar een nieuw systeem. Het college heeft daarom nog een overzicht van verwerkingen van de belhistorie aan [appellant] verstrekt.
202402869/1/A3.
Datum uitspraak: 13 mei 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 maart 2024 in zaken nrs. 23/2371 en 23/2372 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Procesverloop
ROT 23/2371
Bij besluit van 9 maart 2022 heeft het college het inzageverzoek over de toegang tot Suwinet op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) ingewilligd.
Bij besluit van 28 februari 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard.
ROT 23/2372
Bij besluit van 9 maart 2022 heeft het college het inzageverzoek over de belhistorie op grond van artikel 15 van de AVG ingewilligd.
Bij besluit van 23 februari 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 maart 2024 heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 april 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. D.J.J. Straver, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft op 25 mei 2021 een e-mail verstuurd naar het college waarin hij schrijft dat de gemeente Rotterdam op een zevental data toegang heeft gekregen tot Suwinet. In deze e-mail stelt hij de volgende vragen:
"1. Welke medewerker van de gemeente Rotterdam heeft mijn persoonsgegevens opgevraagd in Suwinet voor elke datum?
2. Had deze persoon de bevoegdheid om mijn persoonsgegevens te bekijken via Suwinet? Zo ja, wat was zijn/haar bijbehorende functie?
3. Is de aanvraag voor toegang tot Suwinet getoetst door medewerker(s) van de UWV voor elke datum? Zo ja, door welke medewerker(s) en welke afdeling van de UWV? Zo nee, waarom niet?
4. Indien een medewerker van de Gemeente Rotterdam onbevoegd was en de toegang tot Suwinet niet was getoetst door een medewerker van de UWV tast dit de rechtmatigheid van verwerking aan?
5. Waarom is er zo vaak ingelogd op Suwinet en op basis van welke doeleinden voor elke datum?"
Bij besluit van 9 maart 2022 heeft het college deze vragen beantwoord. Bij besluit van 28 februari 2023 heeft het college het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard en een overzicht verstrekt met de verwerkingen van de persoonsgegevens van [appellant] in Suwinet.
2. [appellant] heeft op 25 mei 2021 bij het college ook verzocht om alle informatie over de belhistorie die de gemeente Rotterdam over hem bijhoudt. Deze gegevens wenst hij op grond van artikel 15, derde lid, van de AVG elektronisch te verkrijgen. Bij besluit van 9 maart 2022 heeft het college hiervan aan [appellant] verstrekt. Bij besluit van 23 februari 2023 heeft het college het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard, omdat is gebleken dat het verstrekte overzicht niet compleet was door de overstap naar een nieuw systeem. Het college heeft daarom nog een overzicht van verwerkingen van de belhistorie aan [appellant] verstrekt.
Hoger beroep
3. [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Hij heeft zijn standpunten uitgebreid uiteengezet. De Afdeling wijst er op dat uit de artikelen 8:69 en 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht niet volgt dat zij in haar uitspraak op alle aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. Hoewel de Afdeling alle argumenten heeft bezien, zal zij zich hierna beperken tot de kern van de door [appellant] naar voren gebrachte gronden. Zijn betoog gaat in de kern over zeven onderwerpen: goede procesorde, onvolledige lijsten, namen en functies van ambtenaren, strijd met beginselen, dwangsom, griffierecht en overschrijding redelijke termijn.
Goede procesorde
4. [appellant] betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in de bezwaarfase niet in strijd heeft gehandeld met de goede procesorde. Hij voert hiertoe aan dat de door het college voorgedragen pleitnota’s in bezwaar eigenlijk verweerschriften waren. De informatie was voor hem nieuw, hij kon zich daarom niet goed hierop voorbereiden. Verder betoogt hij dat de rechtbank niet is ingegaan op zijn beroepsgrond over de tijdigheid van het door het college ingediende verweerschrift van 9 februari 2024. Het was voor hem daarom niet mogelijk om op dit stuk adequaat te reageren en dus moet dit stuk buiten beschouwing worden gelaten.
4.1. Over de goede procesorde in beroep, overweegt de Afdeling als volgt. De zitting bij de rechtbank vond plaats op 22 februari 2024. De Afdeling stelt vast dat de termijn voor het indienen van nadere stukken daarmee liep tot en met 11 februari 2024. Het verweerschrift is daarom op 9 februari 2024 op tijd ingediend. Het verweerschrift is daarbij niet van een zodanige omvang en inhoud, dat om die reden een zinvolle behandeling op de zitting niet zonder uitstel kon plaatsvinden. Gelet hierop bestond voor de rechtbank geen aanleiding om dit stuk wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.
4.2. Het betoog slaagt in zoverre niet.
4.3. In wat [appellant] in hoger beroep over de goede procesorde in de bezwaarfase heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om tot een ander oordeel dan de rechtbank te komen. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank en overweging 13, waarop dat oordeel is gebaseerd.
De inhoudelijke beoordeling van de besluiten van 23 en 28 februari 2022
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college op juiste wijze aan zijn inzageverzoeken heeft voldaan. Hij voert hiertoe aan dat de verstrekte overzichten niet volledig zijn. Hij heeft namelijk recht op een kopie van zijn persoonsgegevens. Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 4 mei 2023, Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF, ECLI:EU:C:2023:369. Het overzicht dat is verstrekt op het verzoek over de gegevens van Suwinet is onvolledig, omdat daarop niet staat door welke UWV-medewerker de aanvraag is beoordeeld en bij welke afdeling deze persoon werkt. Over het verzoek over de belhistorie heeft [appellant] aangevoerd dat de overzichtslijst onvolledig is, omdat de gegevens over de contacthistorie ontbreken. Verder voert [appellant] aan dat ook de rechtbank de op deze zaak betrekking hebbende stukken heeft ontvangen, maar dat de rechtbank niet vermeld staat op de overzichtslijsten. Ook daarom zijn de overzichtslijsten onvolledig, aldus [appellant].
5.1. Artikel 15 van de AVG geeft een betrokkene onder andere het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen in die persoonsgegevens en in de informatie betreffende met name de verwerkingsdoeleinden en de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie die persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt. Het recht op inzage is iets anders dan een recht van toegang tot bestuurlijke documenten. De verwerkingsverantwoordelijke is niet gehouden een afschrift van de onderliggende documenten te verstrekken, mits voldaan is aan het doel van artikel 15 van de AVG.
5.2. In het arrest van het Hof van 4 mei 2023, Österreichische Datenschutzbehörde en CRIF, ECLI:EU:C:2023:369, onder 35 tot en met 45 heeft het Hof nadere uitleg gegeven over het inzagerecht van artikel 15 van de AVG. Volgens het Hof moet de kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt en die de verwerkingsverantwoordelijke krachtens artikel 15, derde lid, eerste volzin, van de AVG moet verstrekken, alle noodzakelijke kenmerken vertonen om de betrokkene in staat te stellen de rechten die hij aan deze verordening ontleent daadwerkelijk uit te oefenen. Deze kopie moet deze gegevens dus volledig en getrouw reproduceren (zie de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:903, onder 5.1).
5.3. Omtrent het verzoek over de belhistorie, overweegt de Afdeling dat het college een overzicht heeft verstrekt van de verwerkte persoonsgegevens en daarbij onder meer heeft vermeld in welk type document de persoonsgegevens zijn gevonden, de datum van het document, een weergave van de passage met de persoonsgegevens, van wie de persoonsgegevens zijn ontvangen, aan wie de persoonsgegevens zijn verstrekt, de bewaartermijn en met welk doel de gegevens zijn verwerkt. Dit strookt met artikel 15, derde lid, van de AVG. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] met deze overzichten in staat is om de juistheid van zijn verwerkte persoonsgegevens en de rechtmatigheid van die verwerkingen te controleren. Over de ontbrekende gegevens over de contacthistorie, stelt de Afdeling vast dat [appellant] pas in bezwaar kenbaar heeft gemaakt dat hij ook de verwerkingen van zijn contacthistorie wenst te ontvangen. Dit valt buiten de omvang van het AVG-verzoek.
5.4. Het betoog slaagt in zoverre niet.
5.5. Inzake het verzoek over de gegevens van Suwinet, overweegt de Afdeling dat het college een overzicht heeft verstrekt van de verwerkte persoonsgegevens en daarbij een weergave van de persoonsgegevens heeft gegeven en heeft vermeld in welk type document de persoonsgegevens zijn gevonden, wat de verwerkingsdoeleinden zijn, van wie de persoonsgegevens zijn ontvangen, aan wie de persoonsgegevens zijn verstrekt en in welke periode dit heeft plaatsgevonden, de bewaartermijn, of sprake is van geautomatiseerde besluitvorming, met welk doel de gegevens zijn verwerkt en de grondslag van de verwerking. Dit strookt met artikel 15, derde lid, van de AVG. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] met deze overzichten in staat is om de juistheid van zijn verwerkte persoonsgegevens en de rechtmatigheid van die verwerkingen te controleren. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat hij voor de uitoefening van zijn inzagerecht moet weten welke functies de betrokken ambtenaren bekleden, overweegt de Afdeling dat het college dit in het besluit van 9 maart 2022 al heeft vermeld. Daarin staat dat alleen de ambtenaren met de functie Inkomensconsulent toegang hebben tot Suwinet. Voor de functies van de UWV-medewerkers geldt dat het college deze gegevens niet kan verstrekken, omdat hij daar geen verwerkingsverantwoordelijke voor is.
5.6. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat er na het indienen van het verzoek nog meer persoonsgegevens door het college zijn verwerkt, heeft de rechtbank al overwogen dat het alleen gaat om gegevens die beschikbaar zijn op het moment van het indienen van het inzageverzoek dan wel de periode waarop het verzoek ziet. Dat de rechtbank niet op de overzichtslijsten staat vermeld, betekent daarom niet dat het college niet op juiste wijze aan zijn inzageverzoeken heeft voldaan.
5.7. Het betoog slaagt niet.
6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 15 van de AVG alleen ziet op het verstrekken van de persoonsgegevens van de indiener van het verzoek. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit het arrest van 20 december 2017, Nowak, ECLI:EU:C:2017:994, punt 34 en 35, volgt dat een ruime uitleg aan het begrip persoonsgegeven wordt gegeven. Zonder de namen en de personeelsdossiers van de ambtenaren die zijn persoonsgegevens hebben geraadpleegd, kan hij zijn inzagerecht op grond van artikel 15 van de AVG niet uitoefenen, omdat hij niet kan controleren of de gegevensverwerking rechtmatig was.
6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de namen van de door [appellant] bedoelde ambtenaren geen persoonsgegevens van [appellant] zijn en dat het college deze namen daarom niet hoefde te verstrekken. Artikel 15 van de AVG geeft immers alleen recht op inzage in de verwerking van de persoonsgegevens van de betrokkene zelf. Gelet hierop kan het betoog van [appellant] niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dat betoog behoeft daarom geen inhoudelijke beoordeling (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:903, onder 6.1).
Strijd met beginselen
7. [appellant] betoogt verder dat de uitspraak van de rechtbank niet voldoet aan het motiverings- dan wel het zorgvuldigheidsbeginsel. Dit betoog heeft hij niet nader onderbouwd en kan dan ook niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
Dwangsom
8. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van het verbeuren van de maximale dwangsom. Volgens [appellant] heeft hij recht op tweemaal € 15.000,00, omdat hij in de besluiten van 9 maart 2022 niet al zijn persoonsgegevens heeft ontvangen.
8.1. In wat [appellant] in hoger beroep hierover heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan dat van de rechtbank. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de onder 20 tot en met 23 opgenomen overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.
Griffierecht
9. Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het niet aan het college is om het griffierecht in de zaak ROT 21/4924 te vergoeden.
9.1. De Afdeling stelt vast dat [appellant] in zijn hogerberoepschrift heeft bevestigd dat de rechtbank zijn griffierecht heeft terugbetaald. Alleen al hierom kan het aangevoerde niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
Conclusie
10. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Overschrijding redelijke termijn
12. [appellant] heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
12.1. De redelijke termijn, die uitgangspunt is voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties, is in dit geval vier jaar. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:155, onder 6.2.
12.2. Het college heeft het door [appellant] gemaakte bezwaar ontvangen op 18 april 2022. Dat betekent dat de redelijke termijn op die datum is aangevangen.
12.3. Met de uitspraak van vandaag heeft de Afdeling op het hoger beroep beslist. Dat betekent dat de redelijke termijn met 25 dagen is overschreden.
12.4. De Afdeling zal, uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, de schadevergoeding voor [appellant] vaststellen op een bedrag van € 500,00, als vergoeding van de door hem geleden immateriële schade.
12.5. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren. Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:176, onder 5.1.
12.6. Uit het voorgaande blijkt dat de overschrijding van de redelijke termijn nagenoeg volledig aan het college is toe te rekenen. Het college heeft het bezwaar namelijk ontvangen op 18 april 2022 en heeft daarop besloten op 23 en 28 februari 2023. De behandeling van het bezwaar heeft daarmee ruim vier maanden te lang geduurd. Omdat de termijnoverschrijding hoofdzakelijk aan het college is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade ook volledig uitgesproken ten laste van het college.
12.7. Het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. De Afdeling zal daarom het college veroordelen tot betaling van € 500,00 aan [appellant] als vergoeding van de door hem geleden immateriële schade.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om aan [appellant] te betalen een vergoeding voor immateriële schade van € 500,00.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Westerbaan, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Westerbaan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026
1050