Het Gerechtshof Den Haag heeft geoordeeld dat de Staat jegens de eigenaren van de sushirestaurantketen SUMO onrechtmatig heeft gehandeld door een documentaireploeg vrijelijk toegang te verlenen tot een lopend opsporingsonderzoek van de FIOD. Het hof bevestigt daarmee het vonnis van de rechtbank Rotterdam.

In 2013 startte de FIOD een opsporingsonderzoek naar vermeende belastingfraude binnen de SUMO-restaurantketen, gedreven door twee leidinggevenden. Een jaar later sloot het Openbaar Ministerie een zogenoemd 'Mediacontract' met productiebedrijf Selfmade Films. Op grond daarvan mochten documentairemakers meedraaien bij het onderzoek — inclusief de zogeheten 'actiedag' in december 2014, waarop vijf cameraploegen gelijktijdig aanwezig waren bij invallen in meerdere SUMO-filialen. Pas tijdens de strafzitting in 2019 vernamen de verdachten én de rechtbank via de pers dat journalisten het onderzoek al jaren van nabij hadden gevolgd. Dat leidde tot grote ophef en vertraging van het strafproces. De uiteindelijke documentaire, 'Nederland Fraudeland', werd in januari 2022 uitgezonden.
De eigenaren stelden dat het OM door het toelaten van de filmploeg vertrouwelijke politiegegevens had prijsgegeven, in strijd met de geheimhoudingsplicht uit de Wet politiegegevens (Wpg). De Staat verdedigde zich met de stelling dat de Wpg niet van toepassing was, omdat de gegevens tijdens het filmen nog niet waren 'verwerkt' in de wettelijke zin van het woord.
Het hof verwerpt dat standpunt. Verwerking in de zin van de Wpg omvat ook het loutere verzamelen van gegevens, zo stelt het hof vast. Omdat de documentairemakers aanwezig waren op het moment dat politiegegevens over de verdachten werden verzameld — waaronder namen, adressen, aard van de verdenkingen en herkenbare beelden — zijn die gegevens aan hen verstrekt in de zin van de wet. Dat beelden achteraf werden 'geblurd' en namen werden 'weggepiept', doet daar niet aan af: de schending van de geheimhoudingsplicht was op dat moment al een feit.
Ook het beroep op een rechtvaardigingsgrond (art. 19 Wpg — zwaarwegend algemeen belang) slaagt niet. Het OM heeft niet aangetoond dat het om een 'bijzonder geval' ging, noch dat het meelopen van documentairemakers noodzakelijk was voor het publieke voorlichtingsdoel. Bovendien ontbrak een voorafgaande belangenafweging per situatie.
Het hof acht de Staat schadeplichtig. In plaats van de zaak door te verwijzen naar een aparte schadestaatprocedure, wil het hof de schade direct in dit arrest begroten (zoals art. 612 Rv ook als hoofdregel voorschrijft). Partijen krijgen de gelegenheid zich nader uit te laten over de schadeomvang, waarbij ook de vraag aan bod komt of het feit dat de strafrechter uiteindelijk geen straf oplegde (mede vanwege de documentaire) als voordeel moet worden verrekend.
Het hof wijst de incidentele grief van de eigenaren, die nietigverklaring van het Mediacontract vorderden, af: het contract zelf was niet in strijd met de wet of openbare orde.