In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag staat de vraag centraal of een betrokkene op grond van artikel 17 AVG (‘recht op vergetelheid’) kan afdwingen dat zijn adresgegevens worden verwijderd uit een besluit in het kader van een Woo-procedure. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is wanneer een wettelijke bewaarplicht geldt, en bevestigt daarmee de lijn in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak.

De eiser had verzocht om verwijdering van zijn adresgegevens, die waren opgenomen in een beslissing op bezwaar naar aanleiding van een Woo-verzoek. Volgens hem was de verwerking van deze gegevens niet noodzakelijk en daarmee onrechtmatig. Ook stelde hij dat verweerder (de minister van Buitenlandse Zaken) zijn gegevens niet mocht bewaren voor archiveringsdoeleinden.
De rechtbank volgt dit betoog niet. Doorslaggevend is dat op grond van artikel 17, derde lid, onder b AVG geen recht op wissing bestaat wanneer verwerking noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting. In dit geval vloeit die verplichting voort uit de Archiefwet 1995. Deze wet verplicht bestuursorganen om archiefbescheiden – waaronder besluiten en bijbehorende persoonsgegevens – gedurende vastgestelde termijnen te bewaren. Voor Woo- en bezwaarprocedures geldt volgens de toepasselijke selectielijst een bewaartermijn van tien jaar.
Interessant is dat de rechtbank expliciet benadrukt dat een verwerkingsverantwoordelijke bij een wissingverzoek eerst mag toetsen of een uitzondering van artikel 17, derde lid AVG van toepassing is, zonder eerst de rechtmatigheid van de oorspronkelijke verwerking te beoordelen. Zelfs als de verwerking onrechtmatig zou zijn geweest (wat de rechtbank overigens niet aannemelijk acht), staat de wettelijke bewaarplicht alsnog aan wissing in de weg.
Daarnaast wijst de rechtbank op het zogenoemde ‘documentenstelsel’ van de Archiefwet: documenten moeten in hun oorspronkelijke staat worden bewaard. Dit betekent dat het niet is toegestaan om delen van documenten – zoals adresgegevens – achteraf te verwijderen. Dit onderstreept dat het recht op vergetelheid niet zover strekt dat bestaande archiefdocumenten kunnen worden aangepast.
Tot slot oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht heeft afgezien van het horen in bezwaar, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was gezien de vaste jurisprudentie.