In deze procedure staat de weigering van de korpschef van politie centraal om substantiële delen van de rapporten "Veiligheidsbeeld CTER" (Contra-Terrorisme, Extremisme en Radicalisering) uit 2016 en 2017 openbaar te maken. Een eiser had op grond van de Wet open overheid (Woo) verzocht om deze documenten in te zien. De korpschef weigerde dit grotendeels, met de stelling dat de informatie moet worden aangemerkt als politiegegevens in de zin van de Wet politiegegevens (Wpg), waardoor het openbaarheidsregime van de Woo niet van toepassing zou zijn.

De juridische strijd draait om de afbakening tussen de Wpg en de Woo. Indien informatie kwalificeert als een ‘politiegegeven’ – dat wil zeggen: een persoonsgegeven dat wordt verwerkt in het kader van de politietaak – dan is de Wpg een uitputtende regeling. Dit betekent dat de Woo dan niet kan worden gebruikt om openbaarmaking te dwingen. De korpschef voerde aan dat vrijwel alle informatie in de rapporten herleidbaar was tot individuele personen en daarmee onder de Wpg viel. Subsidiair beriep de korpschef zich op diverse Woo-uitzonderingsgronden, zoals de veiligheid van de staat en de opsporing van strafbare feiten.
De rechtbank Overijssel stelt de eiser in het gelijk en oordeelt dat het besluit van de korpschef onvoldoende is gemotiveerd.
Het beroep is gegrond verklaard en het besluit van de korpschef is vernietigd. De korpschef moet een nieuw besluit nemen waarbij kritischer wordt gekeken naar welke informatie daadwerkelijk onder de Wpg valt en voor de overige delen een deugdelijke belangenafweging in het kader van de Woo moet maken. Deze uitspraak bevestigt dat overheidsinstanties niet te snel mogen schuilen achter specifieke privacywetgeving (Wpg) om algemene beleids- of analyserapporten buiten de openbaarheid te houden.