Menu

Zoek op
rubriek
Data&Privacyweb
0

Minister moet snel besluit nemen over openbaarmaking coronadocumenten

Minister Hugo de Jonge van Volksgezondheid, Welzijn en Sport moet uiterlijk 30 november 2021 beslissen of hij alle documenten openbaar maakt die NOS en NTR hebben opgevraagd over de coronacrisis en de bestrijding ervan. Dat staat in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van vandaag (20 oktober 2021). Omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn een beslissing had genomen, zijn NOS en NTR hierover een rechtszaak begonnen.

Raad van State 26 okt 2021

Samenvatting

Samenvatting

Aangepaste werkwijze

NOS en NTR hebben in mei 2020 voor hun programma Nieuwsuur in totaal drie verzoeken gedaan op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Volgens de minister zou het bij deze verzoeken gaan om bijna 25.000 documenten. Naast deze verzoeken van NOS en NTR liggen er volgens de minister nog zo’n 240 gelijksoortige Wob-verzoeken waarbij het ministerie over naar schatting ongeveer 1,8 miljoen documenten moet beoordelen of deze openbaar worden gemaakt. De minister heeft daarom besloten de verzoeken via een andere werkwijze dan normaal af te handelen. De minister noemt dat de gefaseerde aanpak. De Wob-verzoeker ontvangt door deze aanpak verschillende deelbesluiten. Via de verschillende deelbesluiten wordt uiteindelijk volledig op een Wob-verzoek beslist. Volgens de minister wordt het anders onoverzichtelijk en slecht beheersbaar. Volgens NOS en NTR heeft de minister met deze werkwijze niet op tijd een beslissing genomen op hun drie verzoeken en staat de Wob deze werkwijze niet toe.

Deelbesluiten nemen mag

De werkwijze van de minister om in zogenoemde deelbesluiten op Wob-verzoeken te beslissen en niet in één keer volledig is naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak niet in strijd met de wet. De Wob laat een zogenoemde gefaseerde besluitvorming toe. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft begrip voor het feit dat het uitbreken van de coronapandemie ervoor heeft gezorgd dat medewerkers van het ministerie, zeker in het begin, minder of geen tijd hadden voor het afhandelen van de verzoeken. Het aantal verzoeken en documenten was zeer groot. Het is daarom begrijpelijk dat de minister deze verzoeken niet binnen de wettelijke termijn kon afhandelen en dat hij heeft gezocht naar een aangepaste werkwijze.

Zo snel mogelijk volledig besluit op de verzoeken

Maar de Afdeling bestuursrechtspraak constateert dat de minister pas na de uitspraak van de rechtbank in juni 2021, waar deze kwestie eerder speelde, voldoende de ernst is gaan inzien van de gebrekkige voortgang van de behandeling van het grote aantal Wob-verzoeken. De minister heeft hiermee ‘onvoldoende rekening gehouden met het feit dat de coronapandemie voor burgers en ondernemingen tot ingrijpende maatregelen en hevige maatschappelijke discussies heeft geleid’. De media moeten hun taak als ‘public watchdog’ goed kunnen vervullen. Daarom is het belangrijk dat de minister nu zo spoedig mogelijk beslist op alle Wob-verzoeken, ook op die van NOS en NTR.

Uiterlijk op 30 november 2021 beslissen, anders dwangsom betalen

De minister heeft dus niet op tijd een volledig besluit genomen op de verzoeken van NOS en NTR. Het is vervolgens de taak van de bestuursrechter om de minister op te dragen dat alsnog te doen én te bepalen binnen welke termijn dat moet gebeuren. De Afdeling bestuursrechtspraak bepaalt in haar uitspraak van vandaag dat de minister uiterlijk 30 november 2021 een volledig besluit moet nemen op de Wob-verzoeken van NOS en NTR. Doet de minister dat niet, dan moet hij NOS en NTR een dwangsom betalen.

Geen inhoudelijk oordeel over deelbesluiten

De minister heeft in deze procedure vier deelbesluiten genomen. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in haar uitspraak geen oordeel gegeven over de inhoud van deze deelbesluiten. Zowel de minister als de NOS en de NTR zijn nu gebaat bij een snel oordeel over de aangepaste werkwijze van de minister. Deze procedure leende zich daarom niet voor een inhoudelijk oordeel over de deelbesluiten. Bovendien, als de Afdeling bestuursrechtspraak dat wel zou hebben gedaan, zou er slechts één rechter een inhoudelijk oordeel hebben kunnen geven. Dat is niet wenselijk, ook omdat de deelbesluiten nog niet compleet zijn. Daarom moet de minister nu eerst zelf nog de deelbesluiten inhoudelijk beoordelen.

Artikel delen