De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de politie terecht geen volledige inzage hoeft te geven in politiegegevens wanneer dit noodzakelijk is voor opsporingsbelangen. Ook een verzoek tot schadevergoeding van €500.000 werd afgewezen.

Een burger vroeg inzage in zijn politiedossier en verzocht om correctie en verwijdering van gegevens die volgens hem onjuist waren, waaronder kwalificaties over zijn mentale gezondheid. De politie gaf gedeeltelijk inzage, maar weigerde volledige toegang met een beroep op het belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten.
De Raad van State bevestigt dat deze beperking is toegestaan op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). Omdat de betrokkene geen toestemming gaf om vertrouwelijke stukken alleen door de rechter te laten beoordelen (art. 8:29 Awb), kon de rechter niet toetsen of de weigering inhoudelijk terecht was. In dat geval wordt uitgegaan van de juistheid van het standpunt van de politie.
Deze uitspraak onderstreept dat het recht op inzage en correctie van persoonsgegevens binnen de opsporingscontext duidelijke grenzen kent. Voor professionals betekent dit:
De zaak laat zien hoe lastig het is voor burgers om grip te krijgen op politiegegevens, zeker wanneer die gegevens ook subjectieve kwalificaties bevatten. Tegelijk bevestigt de uitspraak dat opsporingsbelangen zwaar wegen en transparantie kunnen beperken. Dat roept vragen op over controleerbaarheid en rechtsbescherming in het veiligheidsdomein.