De werkgever, die een werknemer plaatsonafhankelijke arbeid laat verrichten, is ter zake verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke zijn opgenomen in de volgende artikelen:
van hoofdstuk 1: de artikelen 1.46, 1.47, tweede lid, 1.48, 1.49, tweede tot en met zesde lid, 1.51 en 1.52;
van hoofdstuk 2: de artikelen 2.14, eerste lid, en 2.15;
van hoofdstuk 5: de artikelen 5.1 tot en met 5.12;
van hoofdstuk 7: de artikelen 7.1 tot en met 7.16, met uitzondering van 7.4a en 7.11a; en
van hoofdstuk 8: de artikelen 8.1 tot en met 8.3.
(03-06-2020)
|
Datum van inwerking- treding |
Terugwerkende kracht |
Betreft |
Ondertekening |
Bekendmaking |
Kamerstukken |
Ondertekening |
Bekendmaking |
Opmerking |
|
wijziging |
13-06-2012 |
13-06-2012 |
||||||
|
wijziging |
05-12-2006 |
11-12-2006 |
||||||
|
wijziging |
10-09-1999 |
25-10-1999 |
||||||
|
wijziging |
07-12-1998 |
07-12-1998 |
||||||
|
wijziging |
24-09-1998 |
24-09-1998 |
||||||
|
nieuwe-regeling |
15-01-1997 |
20-06-1997 |
||||||
Opmerkingen
1) Artikel 4.8, tweede en zesde lid, treedt voor zover het de aanwezigheid van het certifcaat van vakbekwaamheid betreft, in werking op 1 oktober 1997.