De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) vindt dat onvoldoende is aangetoond dat buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) in het openbaar vervoer toegang nodig hebben tot pasfoto’s in het rijbewijsregister. Dat schrijft de AP in een toets van een wetsvoorstel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. De toegang tot pasfoto’s zou boa’s moeten helpen sneller vast te stellen wie iemand is, bijvoorbeeld bij handhaving tegen overlast of zwartrijden.

De AP concludeert dat toegang tot pasfoto’s in het rijbewijsregister geen geschikt middel is om dat doel te bereiken. De meeste aanhoudingen in het openbaar vervoer hebben namelijk betrekking op personen zonder rijbewijs. Daarmee is de effectiviteit van de voorgestelde toegang onvoldoende aangetoond.
Omdat het gaat om een ingrijpende verwerking van persoonsgegevens, kan toegang tot het rijbewijsregister zonder duidelijke noodzaak in strijd zijn met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
OV-NL, de brancheorganisatie van het openbaar vervoer, geeft aan dat de meeste reizigers die door boa’s worden aangehouden geen rijbewijs hebben. Daardoor levert toegang tot het rijbewijsregister volgens hen slechts een beperkte bijdrage aan snellere identificatie. Dit signaal uit de praktijk laat zien dat de effectiviteit van de voorgestelde maatregel onzeker is.
De AP begrijpt dat ov-boa’s hun werk veilig moeten kunnen doen. In sommige situaties mogen zij daarvoor persoonsgegevens gebruiken. Maar dat mag alleen als duidelijk is dat dit werkt. Volgens de AP is dat bij het gebruik van het rijbewijsregister niet het geval.
Daarnaast wijst de AP in de toets op het belang van duidelijke wettelijke grenzen, om te voorkomen dat de toegang verder reikt dan strikt noodzakelijk. Bijvoorbeeld door te zorgen dat een pasfoto slechts 30 seconden zichtbaar is en niet kan worden opgeslagen.
