Op 26 juni 2024 publiceerde NRC een artikel met de titel “Bunq-werknemers keken stiekem in klantrekeningen: ‘Het was te verleidelijk’”. Daarin verklaarden enkele ex-werknemers van Bunq tegenover NRC dat zij zich in het verleden schuldig maakten aan ‘rekening gluren’: het bekijken van rekeningen van onder meer vrienden, dates en collega’s.

Bunq meende dat deze publicatie onrechtmatig was, en spande een kort geding aan tegen NRC. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 23 juli 2024 alle vorderingen van Bunq afgewezen. Hierover schreven wij al eerder op Mediareport.
Bunq liet het daar niet bij en verzocht het afgelopen jaar om meerdere voorlopige getuigenverhoren van (vermeende) NRC-bronnen, waaronder een cyber-expert die in het eerder genoemde NRC-artikel het volgende stelde: “De situatie bij bunq laat zien dat fundamentele principes van cybersecurity en privacy worden genegeerd.” Dit verzoek van Bunq werd op 1 september 2025 door de rechtbank Gelderland toegewezen.
Daarnaast verzocht Bunq het afgelopen jaar om twee voorlopige getuigenverhoren twee ex-werknemers, van wie zij vermoedde dat zij met NRC hadden gesproken. De online bank wilde hen horen over mogelijk onbevoegd inzage in rekeningen en het lekken van vertrouwelijke informatie aan NRC. De rechtbank Amsterdam wees op 18 december 2025 beide verzoeken van Bunq af. Volgens de rechter heeft Bunq haar belang bij de vragen over het rekening gluren door deze ex-werknemers onvoldoende aangetoond. Tijdens de zitting gaf Bunq namelijk aan dat één werknemer hier niet langer van werd verdacht, terwijl voor de andere onvoldoende is toegelicht wat hij hierover nog aanvullend zou kunnen verklaren. Verder heeft Bunq onvoldoende onderbouwd dat deze werknemers betrokken waren bij het lekken van vertrouwelijke informatie. De vragen over andere (oud-)werknemers die vertrouwelijke informatie zouden hebben gedeeld vond de rechtbank te weinig concreet. Bunq maakte namelijk niet duidelijk om welke informatie het zou gaan. De rechtbank bestempelde deze lijn van vragen daarom als een ‘fishing expedition’, waarvoor een voorlopig getuigenverhoor niet is bedoeld.
NRC voerde ook aan dat sprake was van een zogeheten SLAPP (in het Nederlands: ‘strategische rechtszaak tegen publieke participatie’). Volgens NRC probeert Bunq, door op deze manier achter vermeende bronnen aan te gaan, het meewerken aan kritische publicaties te ontmoedigen. Dit zou ertoe leiden dat berichtgeving over dit onderwerp wordt bemoeilijkt. De rechtbank heeft zich hier echter niet over uitgelaten. Jasmijn de Zeeuw van Free Press Unlimited schreef hierover wel het volgende op LinkedIn: “We zien bij Free Press Unlimited in het kader van onze inzet voor The Coalition against SLAPPs in Europe (CASE) steeds vaker dat Nederlandse media er mee te maken krijgen dat via juridische stappen gepoogd wordt om de identiteit van journalistieke bronnen te achterhalen. Die druk verlegt zich daarbij soms ook naar bronnen of geciteerde deskundigen zelf, die geïntimideerd worden met de dreiging van rechtszaken of opgeroepen worden voor getuigenverhoren. Bronnen trekken zich vervolgens niet zelden terug uit publicaties of uitzendingen uit angst voor de gevolgen. Daarmee komt niet alleen de persvrijheid, maar ook onze toegang tot informatie onder druk te staan.”
NRC werd in deze zaak bijgestaan door Jens van den Brink.
